Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2008:BD3975

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
16-06-2008
Datum publicatie
16-06-2008
Zaaknummer
04/851171-07; 04/850106-08; 04/85081705
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bedreiging en belaging rechter. Bedreiging en belediging hoofdofficier van justitie. Geen stelselmatige inbreuk, vrijspraak belaging. Motivering bedreiging en belediging. Strafmotivering. Geen TBS ondanks advies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Parketnummers: 04/851171-07; 04/850106-08

Parketnummer : 04/850817-05 (tul)

Uitspraak d.d. : 16 juni 2008

TEGENSPRAAK

VONNIS

van de rechtbank Roermond,

meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

naam : [verdachte]

voornamen :[voornaam]voornamen]

geboren op : [geboortedatum en plaats]

adres : [adres]

plaats : [ woonplaats]

1. Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 2 juni 2008.

2. De tenlastelegging

De verdachte staat na wijziging van de tenlastelegging terecht ter zake dat:

in de zaak met parketnummer 04/851171-07:

1.

hij in of omstreeks de periode van 19 december 2007 tot en met 21 december 2007, in elk geval in de maand december 2007, in de gemeente Roermond [slachtoffer 1 en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend genoemde [slachtoffer 1] een brief doen toekomen waarin onder meer vermeld stond: "Apropos....Gelukkig is hij, die jouw kindertjes zal grijpen.........en tegen een steenrots verplettert";

(art. 285 Wetboek van Strafrecht)

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 tot en met 28 juli 2007 in de gemeente Roermond [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend genoemde [slachtoffer 1] een briefkaart doen toekomen waarin onder meer vermeld stond: "Alles wat adem heeft, love de Here (tot de laatste adem toe)", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

(art. 285 Wetboek van Strafrecht)

3.

hij in of omstreeks de periode van 19 januari 2008 tot en met 01 februari 2008 in de gemeente Roermond

[slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend [slachtoffer 4] een brief doen toekomen, welke brief ter kennis van voornoemde [slachtoffer 1] is gekomen, waarin vermeld stond:

"Lieve schat, je kunt begrijpen dat ik mijn leven hier moet beschermen. Dus als iemand bij mij doorvraagt: "kinderen van wie!" of: "waar woont hij dan?"

of: "hoeveel kinderen heeft hij?"...dan MOET ik vaker vertellen (soms onder dwang!) dat hij [slachtoffer 1] heet en dat hij, precies gezegd, "[adres]" woont, enz. Dus om mijn leven te kunnen redden (uit hun klauwen). Maar: "het spijt me zo"...voor de kinderen van [slachtoffer 1]...En voor hemzelf! Want stel dat er iemand is, die (ook toevallig) nog een appeltje te schillen had met [slachtoffer 1]...en binnenkort vrijkomt...Ik moet er niet aan denken! (maar als zijn huis binnenkort afbrandt,dan zie ik 't wel op het journaal. Zoiets gebeurt wel vaker toch?) (Consequenties voor Justitie!!!O.M.) IS DIT HETGEEN WIJ WILLEN, BESTE [slachtoffer 4]? Lieve schat? Het leven van [slachtoffers1,2 en 3] loopt groter gevaar naar de mate dat ik hier (of elders) ben opgesloten! Besef je dat wel?", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

Artikel 285 Wetboek van Strafrecht;

4.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 23 augustus 2006 tot en met 1 februari 2008 in de gemeente Roermond, in elk geval in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 1], in elk geval van een ander, met het oogmerk die [slachtoffer 1], in elk geval die ander te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft verdachte

- meerdere kaarten en/of brieven gestuurd naar die [slachtoffer 1] op diens huisadres en/of diens werkadres

en/of

- meerdere brieven en/of kaarten gestuurd naar mevrouw [slachtoffer 4], hoofdofficier van justitie te Roermond en/of de heer [betrokkene 1], medewerker van het arrondissementsparket Roermond en/of de heer [betrokkene 2], onderwijzer op de basisschool van de kinderen van die [slachtoffer 1] en/of de president en de rechter-commissaris van de Rechtbank Roermond (bij welke rechtbank die [slachtoffer 1] werkzaam is) en/of de politie Roermond, welke brieven en/of kaarten telkens ter kennis zijn gebracht aan die [slachtoffer 1], in welke brieven en/of kaarten telkens laatdunkende passages waren opgenomen over die [slachtoffer 1] en/of opmerkingen werden gemaakt over de privésituatie en/of de kinderen van die [slachtoffer 1] en/of werd gedreigd met, dan wel nadrukkelijk toespelingen werden gemaakt op door verdachte en/of door (een) andere perso(o)n(en) jegens die [slachtoffer 1] en/of jegens (een van) de kinderen van die [slachtoffer 1] te plegen (ernstige) strafbare feiten en/of heeft verdachte - zich meerdere malen opgehouden in de buurt van de woning van die [slachtoffer 1] en/of de school van de kinderen van die [slachtoffer 1];

Artikel 285b Wetboek van Strafrecht;

Althans indien terzake het vorenstaande onder 4 geen veroordeling zou volgen:

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 23 augustus 2006 tot en met 1 februari 2008 in de gemeente Roermond, in elk geval in Nederland, [slachtoffer 1], door geweld of enige andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid, die [slachtoffer 1] heeft gedwongen iets te doen, niet te doen of te dulden, immers heeft verdachte

- meerdere kaarten en/of brieven gestuurd naar die [slachtoffer 1] op diens huisadres en/of op diens werkadres

en/of

- meerdere brieven en/of kaarten gestuurd naar mevrouw [slachtoffer 4], hoofdofficier van justitie te Roermond en/of de heer [betrokkene 1], medewerker van het arrondissementsparket Roermond en/of de heer [betrokkene 2], onderwijzer op de basisschool van de kinderen van die [slachtoffer 1] en/of de president en de rechter-commissaris van de Rechtbank Roermond (bij welke rechtbank die [slachtoffer 1] werkzaam is) en/of de politie Roermond, welke brieven en/of kaarten telkens ter kennis zijn gebracht aan die [slachtoffer 1], in welke brieven en/of kaarten telkens laatdunkende passages waren opgenomen over die [slachtoffer 1] en/of opmerkingen werden gemaakt over de privésituatie en/of de kinderen van die [slachtoffer 1] en/of werd gedreigd met, dan wel nadrukkelijk toespelingen werden gemaakt op door verdachte en/of door (een) andere perso(o)n(en) jegens die [slachtoffer 1] en/of jegens (een van) de kinderen van die [slachtoffer 1] te plegen (ernstige) strafbare feiten en/of heeft verdachte

- zich meerdere malen opgehouden in de buurt van de woning van die [slachtoffer 1] en/of de school van de kinderen van die [slachtoffer 1]

Artikel 284 Wetboek van Strafrecht;

In de zaak met parketnummer 04/850106-08:

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 9 januari 2008 tot en met 1 maart 2008 in de gemeente Roermond, in elk geval in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 4], in elk geval van een ander, met het oogmerk die [slachtoffer 4], in elk geval die ander te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft verdachte (binnen relatief korte tijd) meerdere kaarten en/of brieven gestuurd naar die [slachtoffer 4], en/of naar (een) andere(n), terwijl die brieven telkens gericht waren aan (onder anderen) die [slachtoffer 4] (terwijl die [slachtoffer 4] (als hoofdofficier van justitie te Roermond) bekend was met in het verleden door verdachte gepleegde bedreigingen en/of belaging en/of belediging jegens de heer [slachtoffer 1] (rechter te Roermond) en/of met de actuele verdenkingen van bedreigingen en belaging door verdachte jegens voornoemde heer [slachtoffer 1]) waarin hij, verdachte (onder meer),

- heeft gedreigd met, althans nadrukkelijk toespelingen heeft gemaakt op, door hem en/of (een) ander(en) te plegen (ernstige) strafbare feiten en/of

- (terwijl hij die [slachtoffer 4] persoonlijk niet kent) die [slachtoffer 4] herhaaldelijk heeft aangeschreven met "lieve [slachtoffer 4]"en/of "lieve schat" en/of "meid" en/of "meisje" en/of heeft gesteld: "lieve schat, kusje" en/of ik wil gewoon van je houden. Hou je ook van mij?" en/of

- heeft geschreven: "Een Roermondse hoofdofficier van 10 jaar oud? ([slachtoffer 4]) () De bazin [slachtoffer 4] zwaait de scepter in deze versterkte vesting. Maar 10 jaar oud? Het kind had al zó lang druk op mij uitgeoefend door mij in verzekering/ bewaring te doen stellen, dat ik op de gedachte kwam haar óók eens te penetreren. En bij de eerste poging gaf zij geen kik () pas na de derde poging riep zij "Au!" () Haar maagdelijk vliesje bleek toch wel taai, hoor. Ik ben daar tot op heden nog steeds niet doorheen kunnen komen. Ja, sorry, maar ik was overtuigd van het feit dat zij veel ouder was dan tien jaar. Bovendien voelde ik steeds haar hete adem. (Ja, ergens in mijn nek. Vandaar die drang). Kijk, neem mij nu eens! Ik heb geen last van zo'n vliesje, maar daar ben ik dan ook een man voor. En (dus) zit ik veel beter in m'n vel! Want dat een olifantenhuid zo'n kindje ([slachtoffer 4] dus) zou misstaan, zal niemand ontkennen..() Want wie zou het dat arme kind ([slachtoffer 4]) immers kunnen verwijten wanneer zij, misschien wel voor de eerste keer in haar leven, ongesteld is geworden?" en/of - zich dreigend heeft uitgelaten jegens die [slachtoffer 4] door te suggereren dat hij wel eens met stenen zou kunnen gaan gooien als die [slachtoffer 4] zich niet aan de spelregels zou houden en/of - heeft gesteld: "als jij mij echt wilt leren kennen, stomme trut die je bent";

(artikel 285b van het Wetboek van Strafrecht)

Althans indien terzake het vorenstaande geen veroordeling zou volgen:

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 9 januari 2008 tot en met 1 maart 2008 in de gemeente Roermond, in elk geval in Nederland, [slachtoffer 4], door geweld of enige andere feitelijkheid en/of door bedreiging

met geweld of enige andere feitelijkheid, die [slachtoffer 4] heeft gedwongen iets te doen, niet te doen of te dulden, immers heeft verdachte meerdere kaarten en/of brieven gestuurd naar die [slachtoffer 4] en/of naar (een) andere(n), terwijl die brieven telkens gericht waren aan (onder anderen) die [slachtoffer 4] (terwijl die [slachtoffer 4] (als hoofdofficier van justitie te Roermond) bekend was met in het verleden door verdachte gepleegde bedreigingen en/of belaging en/of belediging jegens de heer [slachtoffer 1] (rechter te Roermond) en/of met de actuele verdenkingen van bedreigingen en belaging door verdachte jegens voornoemde heer [slachtoffer 1]) waarin hij, verdachte (onder meer),

- heeft gedreigd met, althans nadrukkelijk toespelingen heeft gemaakt op, door hem en/of (een) ander(en) te plegen (ernstige) strafbare feiten en/of - (terwijl hij die [slachtoffer 4] persoonlijk niet kent) die [slachtoffer 4] herhaaldelijk heeft aangeschreven met "lieve [slachtoffer 4]"en/of "lieve schat" en/of "meid" en/of "meisje" en/of heeft gesteld: "lieve schat, kusje" en/of ik wil gewoon van je houden. Hou je ook van mij?" en/of - heeft geschreven: "Een Roermondse hoofdofficier van 10 jaar oud? ([slachtoffer 4]) () De bazin [slachtoffer 4] zwaait de scepter in deze versterkte vesting. Maar 10 jaar oud? Het kind had al zó lang druk op mij uitgeoefend door mij in verzekering/ bewaring te doen stellen, dat ik op de gedachte kwam haar óók eens te penetreren. En bij de eerste poging gaf zij geen kik () pas na de derde poging riep zij "Au!" () Haar maagdelijk vliesje bleek toch wel taai, hoor. Ik ben daar tot op heden nog steeds niet doorheen kunnen komen. Ja,sorry, maar ik was overtuigd van het feit dat zij veel ouder was dan tien jaar. Bovendien voelde ik steeds haar hete adem. (Ja, ergens in mijn nek. Vandaar die drang). Kijk, neem mij nu eens! Ik heb geen last van zo'n vliesje, maar daar ben ik dan ook een man voor. En (dus) zit ik veel beter in m'n vel! Want dat een olifantenhuid zo'n kindje ([slachtoffer 4] dus) zou misstaan, zal niemand ontkennen..() Want wie zou het dat arme kind ([slachtoffer 4]) immers kunnen verwijten wanneer zij, misschien wel voor de eerste keer in haar leven, ongesteld is geworden?" en/of

- zich dreigend heeft uitgelaten jegens die [slachtoffer 4] door te suggereren dat hij wel eens met stenen zou kunnen gaan gooien als die [slachtoffer 4] zich niet aan de spelregels zou houden en/of - heeft gesteld: "als jij mij echt wilt leren kennen, stomme trut die je bent"

(artikel 284 van het Wetboek van Strafrecht)

Althans indien terzake al het vorenstaande geen veroordeling zou volgen:

hij in of omstreeks de periode van 19 januari 2008 tot en met 22 januari 2008 in de gemeente Roermond, in elk geval in Nederland, opzettelijk beledigend een ambtenaar, te weten [slachtoffer 4], Hoofdofficier van Justitie, gedurende en/of

ter zake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening, door een aan die [slachtoffer 4] toegezonden geschrift heeft toegevoegd de woorden "als jij mij echt wilt leren kennen, stomme trut die je bent", althans woorden van gelijke

beledigende aard en/of strekking;

(artikel 267 van het Wetboek van Strafrecht)

en/of

hij in of omstreeks de periode van 1 februari 2008 tot en met 1 maart 2008 in de gemeente Roermond, in elk geval in Nederland, opzettelijk beledigend een ambtenaar, te weten [slachtoffer 4], Hoofdofficier van Justitie, gedurende en/of

ter zake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening, door een (mede) aan die [slachtoffer 4] toegezonden, althans door een (mede) aan die [slachtoffer 4] gericht geschrift heeft toegevoegd de woorden "Een Roermondse hoofdofficier van 10 jaar oud? ([slachtoffer 4]) () De bazin [slachtoffer 4] zwaait de scepter in deze versterkte vesting. Maar 10 jaar oud? Het kind had al zó lang druk op mij uitgeoefend door mij in verzekering/ bewaring te doen stellen, dat ik op de gedachte kwam haar óók eens te penetreren. En bij de eerste poging gaf zij geen kik () pas na de derde poging riep zij "Au!" () Haar maagdelijk vliesje bleek toch wel taai, hoor. Ik ben daar tot op heden nog steeds niet doorheen kunnen komen. Ja, sorry, maar ik was overtuigd van het feit dat zij veel ouder was dan tien jaar. Bovendien voelde ik steeds haar hete adem. (Ja, ergens in mijn nek. Vandaar die drang). Kijk, neem mij nu eens! Ik heb geen last van zo'n vliesje, maar daar ben ik dan ook een man voor. En (dus) zit ik veel beter in m'n vel! Want dat een olifantenhuid zo'n kindje ([slachtoffer 4] dus) zou misstaan, zal niemand ontkennen..() Want wie zou het dat arme kind ([slachtoffer 4]) immers kunnen verwijten wanneer zij, misschien wel voor de eerste keer in haar leven, ongesteld is geworden?", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking.

Artikel 267 Wetboek van Strafrecht

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3. De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4. De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5. De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen.

6. Schorsing der vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

7. Bewijsoverwegingen

7.1 Standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 2 juni 2008 gevorderd dat het onder parketnummer 04/851171-07 onder 1, 2, 3 en 4 primair en het onder parketnummer 04/850106-08 primair ten laste gelegde zal worden bewezen verklaard.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder parketnummer 04/851171-07 onder 1, 2, 3, 4 primair, 4 subsidiair en parketnummer 04/850106-08 primair en subsidiair ten laste gelegde. De raadsman heeft zich voorts ten aanzien van het onder parketnummer 04/850106-08 meer subsidiair ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

7.2 Vrijspraakoverwegingen van de rechtbank

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder parketnummer 04/851171-07 onder 1 ten aanzien van [slachtoffer 1], onder 2, onder 3 ten aanzien van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3], onder 4 primair en subsidiair en onder parketnummer 04/850106-08 primair en subsidiair is ten laste gelegd.

De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder parketnummer 04/851171-07 ten laste gelegde

Onder 1 is bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht ten laste gelegd. Ten aanzien van de feitelijke omschrijving is in de tenlastelegging vermeld dat de bedreiging bestaat uit de tekst: "Apropos....Gelukkig is hij, die jouw kindertjes zal grijpen.........en tegen een steenrots verplettert". Deze tekst houdt geen bedreiging in die gericht is op [slachtoffer 1], maar alleen op zijn kinderen. Ten aanzien van de bedreiging van [slachtoffer 1] dient verdachte dan ook te worden vrijgesproken.

Het onder 2 ten laste gelegde is gepleegd in juli 2007, derhalve voordat het onder 1 ten laste gelegde feit zou zijn gepleegd. Voor die datum heeft verdachte weliswaar zijn ongenoegen geuit over beslissingen van [slachtoffer 1] als rechter-commissaris, maar heeft niets plaatsgevonden waaruit afgeleid kan worden dat er sprake is geweest van bedreigende uitingen of activiteiten van de zijde van verdachte. De in de tenlastelegging vermelde tekst "Alles wat adem heeft, love de Here (tot de laatste adem toe)" betreft naar het oordeel van de rechtbank slechts een algemene tekst zonder een concrete bedreiging die, ook in de context van de op dat moment heersende onenigheid tussen verdachte en [slachtoffer 1] bezien, niet van dien aard is dat deze als bedreigend voor [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] of [slachtoffer 3] kan worden opgevat. Van dit feit moet verdachte dan ook worden vrijgesproken.

In het dossier is geen bewijs voorhanden dat de onder feit 3 ten laste gelegde bedreiging ook ter kennis is gekomen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3], zodat de rechtbank niet op grond van wettig en overtuigend bewijs bewezen acht dat verdachte het ten laste gelegde, voor zover dit betrekking heeft op [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3], heeft begaan. Verdachte dient hiervan te worden vrijgesproken.

Het onder 4 ten laste gelegde betreft primair de belaging van [slachtoffer 1] gedurende de periode van 23 augustus 2006 tot en met 1 februari 2008. De belaging zou alleen hebben plaatsgevonden in de vorm van kaarten en/of brieven en/of ophouden in de buurt van de woning van [slachtoffer 1] en/of de school van de kinderen van [slachtoffer 1].

Uit het dossier blijkt dat door verdachte in voormelde periode de volgende brieven/kaarten zijn verzonden:

- een brief van 23 augustus 2006 aan [slachtoffer 1];

- een brief van 14 september 2006 aan [slachtoffer 1];

- een brief van 8 november 2007 aan [betrokkene 1], beleidsmedewerker bij het Parket Roermond/Maastricht;

- een brief van 21 december 2006 aan [slachtoffer 1];

- een kaart met een memoblaadje van 28 juli 2007 aan [slachtoffer 1]

- een brief van 18 december 2007 aan [betrokkene 1];

- een brief/kaart, op 21 december 2007 ontvangen door [slachtoffer 1];

- een brief van 25 december 2007 aan [betrokkene 1];

- een brief van 30 december 2007 aan [betrokkene 1];

- een brief van 9 januari 2008 aan de hoofdofficier van justitie, mr. [slachtoffer 4];

- een brief van 19 januari 2008 aan [betrokkene 1];

- een brief van 19 januari 2008 aan de hoofdofficier van justitie, mr. [slachtoffer 4];

- een brief van 25 januari 2008 aan de hoofdofficier van justitie, mr. [slachtoffer 4];

- een brief van 26 januari 2008 aan [betrokkene 1].

[slachtoffer 1] heeft voorts verdachte op 30 oktober 2007 langs zijn woning zien fietsen. [betrokkene 2] heeft iemand in de buurt van de school van de kinderen van [slachtoffer 1] gezien. Mogelijk is dit verdachte geweest.

Voor een bewezenverklaring van dit feit is van belang dat er stelselmatig inbreuk is gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 1], waarbij de dader het oogmerk moet hebben om het slachtoffer te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden dan wel het slachtoffer vrees aan te jagen.

De inhoud van de brieven aan [betrokkene 2] en de brieven aan [slachtoffer 4] van 19 en 25 januari 2008 kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden opgevat als te zijn gericht tegen [slachtoffer 1] en in het bijzonder niet met het oogmerk om [slachtoffer 1] te dwingen iets te laten doen, niet te doen of te dulden dan wel hem vrees aan te jagen. Deze brieven dienen dan ook buiten beschouwing te blijven.

De waarneming van [betrokkene 3] acht de rechtbank voorts onvoldoende duidelijk om daaruit af te leiden dat het verdachte is geweest die zich in de buurt van de school van de kinderen van [slachtoffer 1] heeft opgehouden.

Voor de beoordeling of er sprake is van een stelselmatige inbreuk komen dan nog in aanmerking de brieven aan [slachtoffer 1] van 23 augustus 2006, 14 september 2006, 21 december 2006 en 28 juli 2007 en een indirect aan [slachtoffer 1] gerichte brief die aan [betrokkene 1] is gestuurd van 9 januari 2008.

Voor stelselmatigheid is volgens de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II 1997/98, 25 768, nr. 5, p.17) nodig dat er sprake is van: een bepaalde intensiteit, duur en/of frequentie.

Naar het oordeel van de rechtbank is een frequentie van vijf brieven en de waarneming van 30 oktober 2007 gedurende een periode van 17 maanden niet aan te merken als stelselmatig, zodat verdachte van het onder 4 primair ten laste gelegde feit dient te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van de onder 4 subsidiair ten laste gelegde dwang overweegt de rechtbank dat dit feit pas voltooid is indien [slachtoffer 1] daadwerkelijk is gedwongen iets te doen, niet te doen of te dulden. Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de kinderen van [slachtoffer 1] niet meer vrijuit buiten mochten spelen. De dwang van verdachte was daar echter niet op gericht, maar deze was er op gericht dat er een gesprek tussen verdachte en [slachtoffer 1] zou worden aangegaan. Daartoe heeft [slachtoffer 1] zich echter niet gedwongen gevoeld.

Nu het ten laste gelegde feit niet is voltooid en de poging tot het plegen van het feit niet is ten laste gelegd, acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 4 subsidiair ten laste gelegde feit heeft gepleegd, zodat verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder parketnummer 04/850106-08 ten laste gelegde.

Het primair ten laste gelegde betreft de belaging van [betrokkene 1] in de periode van 9 januari 2008 tot en met 1 maart 2008. De belaging zou hebben plaatsgevonden in de vorm van meerdere kaarten en/of brieven die gericht waren aan [slachtoffer 4], die in betrekkelijk korte tijd zijn verzonden.

Uit het dossier blijkt dat – voor zover van belang - door verdachte in voormelde periode de volgende brieven/kaarten zijn verzonden:

- een getypte brief van 9 januari 2008 aan de hoofdofficier van justitie met bijgevoegd twee kaarten;

- twee kaarten, ingekomen bij het Parket te Roermond op 10 januari 2008;

- een getypte brief aan de hoofdofficier van justitie, ingekomen bij het Parket te Roermond op 10 januari 2008;

- een brief van 19 januari 2008 aan de hoofdofficier van justitie;

- een brief van 19 januari 2008 aan [betrokkene 1];

- een brief van 24 januari 2008 gericht aan mr. [betrokkene 3];

- een brief van 25 januari 2008 aan de hoofdofficier van justitie;

- een brief van 30 januari 2008 aan de hoofdofficier van justitie;

- een brief van 5 februari 2008 aan de hoofdofficier van justitie.

Het betreft derhalve zes handgeschreven, twee getypte brieven, twee bij brieven gevoegde kaarten en twee losse kaarten, die in een periode van twee maanden zijn ontvangen.

Voor een bewezenverklaring van dit feit is van belang dat er stelselmatig inbreuk is gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 4].

De rechtbank stelt voorop dat voor belaging nodig is dat het slachtoffer ongericht wordt lastig gevallen. Uit de hiervoor vermelde stukken blijkt dat verdachte mevrouw [slachtoffer 4] niet persoonlijk kent. Uit de brieven blijkt dat verdachte zijn ongenoegen uit over de omstandigheid dat hij van zijn vrijheid is beroofd. Verdachte heeft deze brieven naar de in zijn ogen daarvoor verantwoordelijke functionaris gestuurd. Een hoofdofficier van justitie mag verwachten dat zij brieven van gedetineerden krijgt die het niet eens zijn met hun detentie. Van ongericht lastig vallen kan derhalve geen sprake zijn. Gelet hierop, alsmede gelet op de inhoud van de brieven en kaarten, de korte periode gedurende welke deze zijn verstuurd duur en de frequentie, is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is van belaging in de zin van artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht, zodat verdachte van het primair ten laste gelegde moet worden vrijgesproken.

Ten aanzien van de subsidiair ten laste gelegde dwang overweegt de rechtbank dat dit feit pas voltooid is indien [slachtoffer 4] daadwerkelijk is gedwongen iets te doen, niet te doen of te dulden. De strekking van de dwang van verdachte was gericht op het verkrijgen van zijn vrijheid. [betrokkene 1] heeft zich echter niet tot vrijlating van verdachte gedwongen gevoeld.

Nu het ten laste gelegde feit niet is voltooid en de poging tot het plegen van het feit niet is ten laste gelegd, acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft gepleegd, zodat verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

7.3 Bewijsmiddelen en overwegingen van de rechtbank

Ten aanzien van het onder parketnummer 04/851171-07 ten laste gelegde .

Op 23 augustus 2006 vindt [slachtoffer 1] in de brievenbus van zijn huisadres een verjaardagskaart van verdachte. Op 14 september 2006 vindt hij weer een brief van verdachte in de bus en op 21 december 2006 wordt een brief van verdachte voor hem afgegeven aan de balie van de rechtbank. Deze laatste brief is van verwijtende strekking ten opzichte van het optreden van [slachtoffer 1] als rechter-commissaris, en verwijst in het bijzonder naar de voorgeleiding en inbewaringstelling van verdachte op 8 maart 2005.

Op 28 juli 2007, na terugkomst van vakantie, vindt [slachtoffer 1] bij zijn post een verjaardagskaart van verdachte. Aan de kaart zat een geel memo-blaadje geplakt met de tekst “Laatst zag ik [slachtoffer 2] toen ze een (?) keer de bokkenpruik op had. Maar mijn kinderen/kleinkinderen hadden/hebben dat óók wel eens! Fijne verjaardag, ook namens mijn God! “Alles wat ADEM heeft, love de Here” (tot de laatste adem toe!) oprechte groetjes, [voornaam] [verdachte]”.

[slachtoffer 1] leidt uit de verwijzing naar het gedrag van zijn dochter [slachtoffer 2] af dat hij inmiddels de naam van de dochter heeft en dat hij zich in de buurt van zijn woning heeft opgehouden. [slachtoffer 1] en zijn vrouw hebben zich genoodzaakt gevoeld hun jonge kinderen te waarschuwen voor het gevaar dat verdachte mogelijk voor hen vormt.

[slachtoffer 1] doet daarop op 20 september 2007 aangifte .

Op 21 december 2007 doet [slachtoffer 1] aangifte van bedreiging, omdat verdachte opnieuw een poststuk, nu aangetekend, bij hem heeft laten bezorgen. In de brief verwijst verdachte naar de kinderen van [slachtoffer 1]. Als bijlage had verdachte een briefje op de brief geplakt met de tekst: “Apropos…..gelukkig is hij, die jouw kindertjes zal grijpen……en tegen een steenrots verplettert”.

Door deze tekst in combinatie met de eerdere brieven voelt [slachtoffer 1] zich zodanig bedreigd dat hij zijn kinderen niet meer alleen over straat durft laten gaan .

Op 2 februari 2008 krijgt [slachtoffer 1] een brief van verdachte, gedateerd 19 januari 2008 te lezen, gericht aan de hoofdofficier van justitie, mevr. Mr. [slachtoffer 4]. In de brief staat een passage die over [slachtoffer 1] gaat. Het betreft de passage:

"Lieve schat, je kunt begrijpen dat ik mijn leven hier moet beschermen. Dus als iemand bij mij doorvraagt: "kinderen van wie!" of: "waar woont hij dan?"

of: "hoeveel kinderen heeft hij?"...dan MOET ik vaker vertellen (soms onder dwang!) dat hij [slachtoffer 1] heet en dat hij, precies gezegd, "[adres]" woont, enz. Dus om mijn leven te kunnen redden (uit hun klauwen). Maar: "het spijt me zo"...voor de kinderen van [slachtoffer 1]...En voor hemzelf! Want stel dat er iemand is, die (ook toevallig) nog een appeltje te schillen had met [slachtoffer 1]...en binnenkort vrijkomt...Ik moet er niet aan denken! (maar als zijn huis binnenkort afbrandt,dan zie ik

't wel op het journaal. Zoiets gebeurt wel vaker toch?) (Consequenties voor Justitie!!!O.M.)

IS DIT HETGEEN WIJ WILLEN, BESTE [betrokkene 1]? Lieve schat? Het leven van [slachtoffers] loopt groter gevaar naar de mate dat ik hier (of elders) ben opgesloten! Besef je dat wel?" .

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard alle in de tenlastelegging genoemde brieven en kaarten te hebben geschreven en verzonden.

De rechtbank overweegt hierover als volgt.

Onder parketnummer 04/851171-07 is onder 1 bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht ten laste gelegd. Ten aanzien van de feitelijke omschrijving is in de tenlastelegging vermeld dat de bedreiging bestaat uit de tekst:

"Apropos....Gelukkig is hij, die jouw kindertjes zal grijpen.........en tegen een steenrots verplettert".

Uitgangspunt bij de beoordeling of de inhoud van de brief als bedreiging kan worden opgevat, is of de bedreiging van dien aard is en onder zulke omstandigheden is gedaan dat bij de bedreigden een redelijke vrees kon ontstaan dat zij het leven zouden kunnen verliezen. De rechtbank is van oordeel dat het Bijbelcitaat van levensbedreigende aard is, gelet op het feit dat de daargenoemde kindertjes zullen worden gegrepen en tegen een steenrots worden verpletterd, hetgeen enkel tot de dood kan leiden. Ook de omstandigheden waaronder een en ander is geschied, brengt naar het oordeel van de rechtbank mee, dat van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht sprake is. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de beide kinderen, blijkens de brief van [slachtoffer 1] van 8 januari 2008 , vanaf de verjaardagskaart van juli 2007, door hun vader op de hoogte waren gesteld van het feit dat verdachte hen specifiek observeerde en dat verdachte bedreigingen jegens hen uitte. [slachtoffer 1] schrijft in dezelfde brief dat hij zijn kinderen eveneens heeft geïnformeerd over de aard van de tegen hen gerichte bedreiging die bij de kerstkaart zat gevoegd. Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat bij de kinderen van [slachtoffer 1] de redelijke vrees is ontstaan dat zij het leven zouden kunnen verliezen. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, voor zover dit betrekking heeft op [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3].

De onder 3 ten laste gelegde brief van verdachte van 19 januari 2008 is niet aan [slachtoffer 1] geadresseerd en verzonden, maar aan mevr. [slachtoffer 4]. In het dossier bevindt zich een eerdere brief van verdachte van 9 januari 2008 aan de hoofdofficier van justitie, mr. [slachtoffer 4]. De inhoud van de brief is niet alleen aan mr. [slachtoffer 4], maar deels ook aan [slachtoffer 1] gericht. De intentie van verdachte was duidelijk dat de brief ook door [slachtoffer 1] gelezen zou worden. De rechtbank leidt hieruit af dat verdachte ervan uitgaat dat de brief van 19 januari 2008 ook door [slachtoffer 1] gelezen zou worden. Dat de brief ook daadwerkelijk [slachtoffer 1] heeft bereikt, blijkt uit de aangifte van [slachtoffer 1] van 2 februari 2008.

De bedreiging bestaat er uit dat het huis van [slachtoffer 1] zal afbranden en de mededeling dat verdachte weet waar hij woont. De in de tekst voorkomende bedreiging is naar het oordeel van de rechtbank van dien aard en onder zulke omstandigheden gedaan dat in het algemeen bij [slachtoffer 1] de redelijke vrees kon ontstaan dat zijn huis zou afbranden en hij daarbij het leven zou laten. De rechtbank acht het onder 3 ten laste gelegde, voor zover dit betrekking heeft op [slachtoffer 1], wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van het onder parketnummer 04/850106-08 ten laste gelegde.

Ten aanzien van het meer subsidiair ten laste gelegde bevindt zich in het dossier een brief van verdachte, gedateerd 19 januari 2008, gericht aan de hoofdofficier van justitie Roermond, mevr. [slachtoffer 4]. De brief houdt onder meer de volgende tekst in: “Als jij mij echt wilt leren kennen, stomme trut die je bent” .

[slachtoffer 4], hoofdofficier van justitie te Roermond, doet hiervan op 24 januari 2008 aangifte .

Voorts bevindt zich in het dossier een brief van verdachte aan de rechtbank te Roermond, gedateerd 22 februari 2008, met het opschrift: “Rechtbank/O.M. Roermond [verdachte] contra O.M.” Dit geschrift houdt onder meer de volgende teksten in:

"Een Roermondse hoofdofficier van 10 jaar oud? ([slachtoffer 4])”,

“De bazin [slachtoffer 4] zwaait de scepter in deze versterkte vesting. Maar 10 jaar oud? Het kind had al zó lang druk op mij uitgeoefend door mij in verzekering/ bewaring te doen stellen, dat ik op de gedachte kwam haar óók eens te penetreren. En bij de eerste poging gaf zij geen kik”; “pas na de derde poging riep zij "Au!";

“Haar maagdelijk vliesje bleek toch wel taai, hoor. Ik ben daar tot op heden nog steeds niet doorheen kunnen komen. Ja, sorry, maar ik was overtuigd van het feit dat zij veel ouder was dan tien jaar. Bovendien voelde ik steeds haar hete adem. (Ja,

ergens in mijn nek. Vandaar die drang). Kijk, neem mij nu eens! Ik heb geen last van zo'n vliesje, maar daar ben ik dan ook een man voor. En (dus) zit ik veel beter in m'n vel! Want dat een olifantenhuid zo'n kindje ([slachtoffer 4] dus) zou misstaan, zal niemand ontkennen..” en

“Want wie zou het dat arme kind ([slachtoffer 4]) immers kunnen verwijten wanneer zij, misschien wel voor de eerste keer in haar leven, ongesteld is geworden?" .

[slachtoffer 4], hoofdofficier van justitie te Roermond, doet op 23 januari 2008 respectievelijk 27 mei 2008 aangifte .

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij beide brieven heeft geschreven en verzonden.

Uitgangspunt bij de beoordeling is of [slachtoffer 4] door de hierboven aangehaalde passages, opzettelijk in haar eer of goede naam is aangerand. Naar het oordeel van de rechtbank hebben de door verdachte gebruikte teksten de bedoeling [slachtoffer 4] in haar eergevoel te krenken, dan wel in de ogen van anderen in haar eer te krenken. De uitlatingen zijn gedaan gedurende de rechtmatige uitoefening van haar bediening en de functie-uitoefening van hoofdofficier van justitie is aanleiding geweest voor de belediging.

De rechtbank acht dan ook het meer subsidiair ten laste gelegde ten aanzien van beide alternatieven wettig en overtuigend bewezen.

7.4 Bewezenverklaring

De overtuiging van de rechtbank dat de verdachte het onder parketnummer 04/851171-07 onder 1 en 3 en onder parketnummer 04/850106-08 meer subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de hiervoor vermelde bewijsmiddelen.

De hiervoor vermelde bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit, waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

De genoemde geschriften zijn slechts gebruikt in verband met de inhoud van de overige bewijsmiddelen.

Op grond van voormelde bewijsmiddelen en overwegingen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder parketnummer 04/851171-07 onder 1 en 3 en onder parketnummer 04/850106-08 meer subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

ten aanzien van parketnummer 04/851171-07:

1.

hij in de periode van 19 december 2007 tot en met 21 december 2007, in de gemeente Roermond [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend genoemde [slachtoffer 1] een brief doen toekomen waarin onder meer vermeld stond: "Apropos....Gelukkig is hij, die jouw kindertjes zal grijpen.........en tegen een steenrots verplettert";

3.

hij in de periode van 19 januari 2008 tot en met 01 februari 2008 in de gemeente Roermond [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend [slachtoffer 4] een brief doen toekomen, welke brief ter kennis van voornoemde[slachtoffer 1] is gekomen, waarin vermeld stond:

"Lieve schat, je kunt begrijpen dat ik mijn leven hier moet beschermen. Dus als iemand bij mij doorvraagt: "kinderen van wie!" of: "waar woont hij dan?"

of: "hoeveel kinderen heeft hij?"...dan MOET ik vaker vertellen (soms onder dwang!) dat hij [slachtoffer 1] heet en dat hij, precies gezegd, "[adres]" woont, enz. Dus om mijn leven te kunnen redden (uit hun klauwen). Maar: "het spijt me zo"...voor de kinderen van [slachtoffer 1]...En voor hemzelf! Want stel dat er iemand is, die (ook toevallig) nog een appeltje te schillen had met [slachtoffer 1]...en binnenkort vrijkomt...Ik moet er niet aan denken! (maar als zijn huis binnenkort afbrandt,dan zie ik 't wel op het journaal. Zoiets gebeurt wel vaker toch?) (Consequenties voor Justitie!!!O.M.)

IS DIT HETGEEN WIJ WILLEN, BESTE [slachtoffer 4]? Lieve schat? Het leven van [slachtoffers] loopt groter gevaar naar de mate dat ik hier (of elders) ben opgesloten! Besef je dat wel?";

ten aanzien van parketnummer 04/850106-08 meer subsidiair:

hij in de periode van 19 januari 2008 tot en met 22 januari 2008 in de gemeente Roermond, opzettelijk beledigend een ambtenaar, te weten [slachtoffer 4], Hoofdofficier van Justitie, gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening, door een aan die [slachtoffer 4] toegezonden geschrift heeft toegevoegd de woorden "als jij mij echt wilt leren kennen, stomme trut die je bent",

en

hij in de periode van 1 februari 2008 tot en met 1 maart 2008 in de gemeente Roermond, opzettelijk beledigend een ambtenaar, te weten [slachtoffer 4], Hoofdofficier van Justitie, gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening, door een mede aan die [slachtoffer 4] toegezonden geschrift heeft toegevoegd de woorden "Een Roermondse hoofdofficier van 10 jaar oud? ([slachtoffer 4]) () De bazin [slachtoffer 4] zwaait de scepter in deze versterkte vesting. Maar 10 jaar oud? Het kind had al zó lang druk op mij uitgeoefend door mij in verzekering/ bewaring te doen stellen, dat ik op de gedachte kwam haar óók eens te penetreren. En bij de eerste poging gaf zij geen kik () pas na de derde poging riep zij "Au!" () Haar maagdelijk vliesje bleek toch wel taai, hoor. Ik ben daar tot op heden nog steeds niet doorheen kunnen komen. Ja, sorry, maar ik was overtuigd van het feit dat zij veel ouder was dan tien jaar. Bovendien voelde ik steeds haar hete adem. (Ja,

ergens in mijn nek. Vandaar die drang). Kijk, neem mij nu eens! Ik heb geen last van zo'n vliesje, maar daar ben ik dan ook een man voor. En (dus) zit ik veel beter in m'n vel! Want dat een olifantenhuid zo'n kindje ([slachtoffer 4] dus) zou misstaan, zal niemand ontkennen..() Want wie zou het dat arme kind ([slachtoffer 4]) immers kunnen verwijten wanneer zij, misschien wel voor de eerste keer in haar leven, ongesteld is geworden?".

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen.

Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

8. Kwalificatie van het bewezen verklaarde

Het ten laste van verdachte bewezen verklaarde levert op de navolgende misdrijven:

Ten aanzien van parketnummer 04/851171-07 onder 1:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd.

De misdrijven zijn strafbaar gesteld bij artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht.

Ten aanzien van parketnummer 04/851171-07 onder 3:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Het misdrijf is strafbaar gesteld bij artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht.

Ten aanzien van parketnummer 04/850106-08 meer subsidiair:

eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd.

De misdrijven zijn strafbaar gesteld bij artikel 267 in verband met artikel 266 van het Wetboek van Strafrecht.

9. De strafbaarheid van verdachte

Omtrent verdachtes geestvermogens zijn door de psychiater drs. A.T.J.H. Gerards en door de psycholoog drs. B.Y. van Toorn deskundigenrapporten uitgebracht. Uit de rapporten blijkt geen omstandigheid die de strafbaarheid van verdachte volledig uitsluit.

De verdachte is strafbaar voor het bewezen verklaarde nu ook overigens niet is gebleken van enige omstandigheid die verdachtes strafbaarheid opheft.

10. De straffen en/of maatregelen

10.1 De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij gelegenheid van de terechtzitting op 2 juni 2008 met betrekking tot de op te leggen straf gevorderd dat verdachte ter zake van het onder parketnummer 04/851171-07 onder 1, 2, 3 en 4 primair en het onder parketnummer 04/850106-08 primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de tijd van 6 maanden, met aftrek ex artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht en dat aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging wordt opgelegd.

10.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van de gevorderde straf aangevoerd dat, gelet op de sterk verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte, een werkstraf, eventueel aangevuld met een voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden voldoende recht doet aan de ernst van de zaak. De raadsman heeft voorts aangevoerd dat de maatregel van terbeschikkingstelling buitenproportioneel is.

10.3 De overwegingen van de rechtbank

Verdachte heeft zich in brieven schuldig gemaakt aan twee bedreigingen van een rechter en belediging van een hoofdofficier van justitie. Door de bedreigingen wordt de persoonlijke levenssfeer van mr. [slachtoffer 1] en zijn gezin ernstig ontwricht. De ouders leven voortdurend in angst dat hun woning of het gezin iets wordt aangedaan, terwijl ook de kinderen niet meer ongestoord en onbekommerd naar school kunnen gaan of buiten kunnen spelen. Tevens heeft verdachte [slachtoffer 4] meermalen beledigd.

Verdachte is blijkens het uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister reeds eerder voor soortgelijke feiten veroordeeld en liep in verband met die eerdere veroordeling nog in een proeftijd. Desondanks heeft hij zich niet laten weerhouden om nieuwe strafbare feiten te plegen.

Omtrent verdachte heeft de psycholoog B.Y. van Toorn op 14 maart 2008 een rapport uitgebracht. De psycholoog concludeert in zijn rapport dat er bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis in de vorm van een psychotische stoornis NAO op As I. Op As II is er sprake van een persoonlijkheidsstoornis NAO met voornamelijk narcistische, schizotypische en paranoïde kenmerken. Ook ten tijde van het ten laste gelegde was dat het geval en dit kan daaruit worden verklaard.

Verdachte raakte zeer gekrenkt door de aangever en deze krenking moest ongedaan gemaakt en gewroken worden. De narcistische problematiek van verdachte is dermate ernstig dat zijn behoefte om krenking ongedaan te maken en daardoor zijn autoriteit te herstellen een dwangmatig karakter heeft. Door het verstoorde realiteitscontact, het gebrek aan empathie en de lacunaire gewetensfunctie is verdachte onvoldoende in staat geweest zijn gedrag bij te sturen. Het ontbreken van gevoelens van schuld en schaamte, de grenzeloosheid, de sterke wraakbehoefte en het egocentrisch perspectief, waardoor verdachte zijn eigen plan trekt, maken alle onderdeel uit van de stoornis van verdachte. Daar staat tegenover dat verdachte op rationeel niveau zich toch wel enigszins gerealiseerd moet hebben wat hij deed en het risico dat hij liep. Een en ander tegenover elkaar afwegend komt de deskundige tot het advies om verdachte als sterk verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen.

De verhoogde krenkbaarheid, de autoriteitsproblemen, de massaal aanwezige narcistische dynamiek waardoor verdachte de dwangmatige behoefte voelt om krenking ongedaan te maken, de wraaklust, het volledig gebrek aan empathie, de lacunaire gewetensfunctie, het verstoorde realiteitscontact en het volledig gebrek aan relativeringsvermogen alsmede het queruleren als copingmechamisme ter behoud van de psychische integratie zullen in de toekomst wederom kunnen leiden tot (ernstig) grensoverschrijdend gedrag. Het gedrag van verdachte is reactief op zijn omgeving. Het zal afhangen van zijn omgeving en de wijze waarop anderen met hem omgaan hoe snel en in welke mate verdachte wederom grensoverschrijdend zal zijn.

De deskundige stelt dat de problematiek van verdachte zeker behandeling behoeft. Het geven van een behandeladvies gericht op recidive vermindering is echter zeer problematisch. De deskundige geeft een aantal opties. Hij heeft weinig vertrouwen in een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf met verplicht reclasseringscontact en als bijzondere voorwaarde behandeling bij een forensische polikliniek. Hetzelfde geldt voor terbeschikkingstelling met voorwaarden, omdat verdachte zich niet aan de voorwaarden zal houden en deze zal ervaren als krenking waarop hij met strijd zal reageren. Ook in aanhouding van de behandeling van de zaak met handhaving van schorsingsvoorwaarden heeft de psycholoog weinig vertrouwen, omdat de dreiging die uitgaat van de aanhouding van de zaak niet lang genoeg zal kunnen duren om het gedrag van verdachte te sturen. Volgens de deskundige blijft vanuit gedragskundige optiek geen andere optie over dan verdachte gedwongen te behandelen binnen het juridisch kader van de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging, zodat verdachte zich niet kan onttrekken aan therapie en het recidiverisico fors zal worden teruggedrongen. De mogelijkheid van strafoplegging in de vorm van vrijheidsbeneming acht de psycholoog tenslotte een herhaling van zetten, omdat verdachte dit zal ervaren als een hernieuwde krenking die opnieuw ongedaan gemaakt moet worden.

De psychiater drs. A.T.J.H. Gerards concludeert in zijn rapport van 6 april 2008 dat verdachte lijdende is aan een persoonlijkheidstoornis niet anders omschreven met gemengde cluster A (paranoïde en schizotypische) alsook narcistische kenmerken. Daarnaast wordt als voorlopige diagnose genoemd een psychotische stoornis niet anders omschreven. Deze stoornissen bestonden ook ten tijde van het ten laste gelegde en de problematiek was van invloed op het gedrag van verdachte, zodat de feiten daaruit verklaard kunnen worden.

De psychiater adviseert verdachte te beschouwen als sterk verminderd toerekeningsvatbaar.

De recidivekans wordt substantieel geacht als gevolg van het justitiële verleden van verdachte met soortgelijke problemen, zijn afwezige motivatie tot verandering of behandeling, zijn psychologische kwetsbaarheid en beperkingen, zijn suboptimale sociale inbedding met geringe mogelijkheden tot spiegeling met anderen en eerdere weinig succesvolle pogingen om betrokkene te begrenzen in zijn gedrag. Daarnaast heeft verdachte zijn doel niet bereikt en is er een mogelijk aanvullende problematiek met justitie ontstaan tijdens detentie, wat verdachte voorlopig onder spanning zal houden. Zijn psychologische kwetsbaarheid zal ertoe leiden dat hij zich vrij snel wederom aangevallen zal voelen en er opnieuw conflicten ontstaan, waarbij de mate van escalatie van agressie ook bepaald wordt door de wijze van reageren van een eventueel toekomstig slachtoffer. Verdachte zal daarbij naar verwachting weinig oog hebben voor de (psychologische) impact van zijn handelwijze. Verdachte uitte tot dusverre zijn agressie op schriftelijke wijze. Handelende agressie en daarmede escalatie in delictgevaar is weliswaar minder waarschijnlijk maar kan ook niet geheel uitgesloten worden, gezien de kwetsbare persoonlijkheidsopbouw en daarmee onder spanning staande impulsbeheersing.

Een terbeschikkingstelling met voorwaarden wordt door de deskundige niet haalbaar en niet uitvoerbaar geacht. De deskundige adviseert enerzijds afstraffing - wat in het verleden niet tot het gewenste resultaat leidde en mogelijk verdachte verder voedde c.q. zal voeden in hoe hij zijn realiteit ervaart – en anderzijds terbeschikkingstelling met verpleging als ultimum remedium ter beveiliging. Het is niet ondenkbaar dat in een dergelijke setting de diagnostiek nader gedifferentieerd kan worden, nader aan bod kan komen en er hopelijk wel (enige) ruimte tot behandeling ontstaan kan.

De rechtbank neemt de conclusie en adviezen van de deskundigen over en maakt die tot haar oordeel.

Verdachte heeft ter terechtzitting aangegeven dat zijn handelen een gevolg is geweest van de omstandigheid dat hij wilde dat zijn verhaal aangehoord zou worden. Hij heeft die kans nooit gekregen, maar hij is nu wel gehoord en koestert dan ook geen wrok meer.

Gelet op de persoonlijkheidsstructuur van verdachte komt de rechtbank tot de volgende strafoplegging.

Omdat een eerdere gevangenisstraf met een voorwaardelijke component niet het gewenste effect heeft gehad, zal de rechtbank afzien van een hernieuwde deels voorwaardelijke vrijheidsstraf, al dan niet met voorwaarden.

Gelet op de ernst van de bewezen verklaarde feiten en de sterk verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte is de rechtbank voorts van oordeel dat geen redelijk strafdoel nog een verdere opsluiting van verdachte vergt. De rechtbank zal dan ook de vordering van de officier van justitie niet volgen, te meer daar de rechtbank minder bewezen acht dan de officier van justitie.

Ook voor de oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling, zoals door de officier van justitie gevorderd, ziet de rechtbank onder deze omstandigheden geen aanleiding, omdat deze maatregel afgewogen tegen de ernst van het bewezen verklaarde een te zwaar middel vormt.

Zoals reeds overwogen hebben de bewezen verklaarde feiten ongetwijfeld inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 1] en zijn familie. In het onderhavige geval bestaan de overtredingen van artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht echter uit verbale bedreigingen die niet op de een of andere wijze nader zijn ondersteund door gewelddadige handelingen. Omdat er naar het oordeel van de rechtbank in casu geen sprake is van misdrijven die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, kan de maatregel slechts maximaal vier jaren opgelegd worden en het is zeer de vraag of in die periode verdachte zich zal onthouden van het sturen van nieuwe brieven en bovendien voorts is het twijfelachtig of een behandeling, gelet op de door de psychiater daaromtrent geuite twijfels, de gewenste uitwerking zal hebben.

In verband met verdachtes persoonlijkheidsproblematiek mag veeleer verwacht worden dat de maatregel op verdachte contraproductief zal werken.

De rechtbank zal dan ook volstaan met de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf overeenkomstig het voorarrest.

11. Toepasselijke wetsartikelen

Na te melden beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 27, 57, 266, 267, 285.

12. De vordering tot tenuitvoerlegging

De rechtbank is van oordeel dat nu gebleken is dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd heeft schuldig gemaakt aan de hiervoor bewezen verklaarde strafbare feiten omtrent de vordering tot tenuitvoerlegging van een aan de verdachte bij een vroegere veroordeling opgelegde voorwaardelijke straf beslist dient te worden zoals hierna is vermeld.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder parketnummer 04/851171-07 onder 1 ten aanzien van [slachtoffer 1], onder 2, onder 3 ten aanzien van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3], onder 4 primair en 4 subsidiair en onder parketnummer 04/850106-08 primair en subsidiair is ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder parketnummer 04/851171-07 onder 1 en 3 en onder parketnummer 04/850106-08 meer subsidiair ten laste gelegde zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

verstaat dat het aldus bewezen verklaarde de hiervoor vermelde strafbare feiten oplevert en verklaart verdachte ter zake strafbaar;

veroordeelt verdachte voor het hiervoor bewezen verklaarde tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de tijd van 53 dagen;

beveelt dat de tijd door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan verdachte opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging.

De rechtbank gelast de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de Politierechter te Roermond d.d. 4 april 2006 in de zaak met parketnummer 04/850817-05 aan de veroordeelde opgelegde doch voorwaardelijk niet ten uitvoer gelegde straf, te weten:

een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken.

Vonnis gewezen door mrs. M.M. Beije, B.G.L. van der Aa en S.V. Pelsser, rechters, van wie mr. M.M. Beije voorzitter, in tegenwoordigheid van P.J.T. Frijns als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 16 juni 2008.