Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2008:BD3508

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
08-05-2008
Datum publicatie
10-06-2008
Zaaknummer
07 / 1735 WW44 K1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Oprichten van een bedrijfswoning met bedrijfsruimte, in strijd met de voorschriften uit het bestemmingsplan terwijl niet is voldaan aan de voorwaarden om voor binnenplanse vrijstelling in aanmerking te komen.

Overwegingen met betrekking tot de noodzaak van een bedrijfswoning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK Roermond

enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

UITSPRAAK

Procedurenr. : 07 / 1735 WW44 K1

Inzake : [eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

tegen : het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Meijel, verweerder.

Datum en aanduiding van het bestreden besluit:

de brief d.d. 2 oktober 2007,

kenmerk: 20070921 bsbv bezwaar.

Datum van behandeling ter zitting: 9 april 2008.

I. PROCESVERLOOP

Bij het in de aanhef genoemde besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het besluit van 1 mei 2007, waarbij verweerder heeft geweigerd een bouwvergunning aan eiser te verlenen, ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft mr. G.R.A.G. Goorts, advocaat te Deurne, namens eiser beroep bij de rechtbank ingesteld.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan de gemachtigde van eiser gezonden.

De behandeling ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 april 2008, waarbij verschenen zijn [eiser] in persoon, bijgestaan door mr. G.R.A.G. Goorts en namens verweerder H.J. van der Bruggen en I.H.E. Hanssen.

II. OVERWEGINGEN

Eiser heeft op 2 november 2006 een aanvraag ingediend voor een reguliere bouwvergunning voor het bouwen van een bedrijfswoning met bedrijfsruimte op het perceel [adres] te [woonplaats] (het perceel).

Het perceel valt binnen het bestemmingsplan “Bedrijventerrein De Wielen” en heeft als bestemming “Bedrijven B”.

Bij brief van 6 maart 2007 heeft verweerder aan eiser meegedeeld dat het oprichten van een bedrijfswoning met bedrijfsruimte in strijd is met de voorschriften van het bestemmingsplan en de aanvraag voor een bouwvergunning tevens aangemerkt als een verzoek om binnenplanse vrijstelling. Verweerder heeft vervolgens aangegeven voornemens te zijn vrijstelling en een bouwvergunning te weigeren. Eiser heeft tegen dit voornemen op 14 maart 2007 zijn zienswijze ingediend.

Bij besluit van 1 mei 2007 heeft verweerder geweigerd vrijstelling en een bouwvergunning te verlenen.

Het door eiser tegen dit besluit ingestelde bezwaar heeft verweerder bij besluit van 2 oktober 2007 -onder overneming van het advies van de vaste commissie van advies voor bezwaarschriften- ongegrond verklaard en zijn primaire besluit gehandhaafd.

Verweerder heeft zijn standpunt dat eiser niet voldoet aan de in artikel 2.02, zesde lid, aanhef en sub d, onder 1, van de planvoorschriften voor het verlenen van vrijstelling gestelde voorwaarde dat een bedrijfswoning noodzakelijk is in verband met het functioneren en de organisatie van het bedrijf gehandhaafd. Gelet hierop kan geen binnenplanse vrijstelling en een bouwvergunning worden verleend.

Tegen dit besluit heeft eiser in beroep dezelfde gronden aangevoerd als in zijn bezwaarschrift en zienswijze. Samengevat meent eiser dat een bedrijfswoning voor de organisatie van zijn bedrijf en het toezicht daarop wel noodzakelijk is en dat verweerder in strijd heeft gehandeld met het zorgvuldigheidsbeginsel, gelijkheidsbeginsel en vertrouwensbeginsel.

Verweerder heeft in beroep zijn standpunt gehandhaafd.

Verweerder meent -samengevat- dat een bedrijfswoning niet noodzakelijk is en dat hij niet in strijd heeft gehandeld met het gelijkheidsbeginsel, zorgvuldigheidsbeginsel en vertrouwensbeginsel.

De rechtbank dient op basis van de aangevoerde beroepsgronden te beoordelen of het bestreden besluit in strijd is met het geschreven of ongeschreven recht dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel. Bij deze beoordeling gaat de rechtbank, voor zover voor de beslissing van belang, in op de gronden van het beroep en het standpunt van verweerder daarover.

Verweerder heeft het juiste wettelijk kader toegepast.

Ingevolge artikel 44, aanhef en eerste lid, onder c, van de Woningwet moet een reguliere bouwvergunning geweigerd worden, indien het bouwen in strijd is met het bestemmingsplan of met de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, onder a, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) kan bij bestemmingsplan worden bepaald dat burgemeester en wethouders met inachtneming van de in het plan vervatte regelen bevoegd zijn van bij het plan aan te geven voorschriften vrijstelling te verlenen.

Van die mogelijkheid is in verweerders gemeente gebruik gemaakt. Ten tijde van de beslissing op bezwaar gold het bestemmingsplan “Bedrijventerrein De Wielen” en het bestemmingsplan “Herziening en uitbreiding bedrijventerrein De Wielen”. Uit artikel 2.02 (Bedrijfsdoeleinden B), zesde lid, aanhef en sub d, onder 1, van de planvoorschriften behorende bij het bestemmingsplan “Herziening en uitbreiding bedrijventerrein De Wielen” volgt dat burgemeester en wethouders vrijstelling kunnen verlenen van de planvoorschriften voor het bouwen van een bedrijfswoning, mits wordt aangetoond dat de bedrijfswoning noodzakelijk is in verband met het functioneren en de organisatie van het bedrijf. De bevoegdheid tot het verlenen van vrijstelling ontstaat derhalve eerst als aan de voorwaarde van noodzakelijkheid is voldaan.

Gezien de beroepsgronden en het gegeven dat het oprichten van een bedrijfswoning met bedrijfsruimte op het perceel in strijd is met het bestemmingsplan, dienen de volgende vragen te worden beantwoord:

1) heeft verweerder terecht geconcludeerd dat een bedrijfswoning in eisers geval niet noodzakelijk is in verband met het functioneren en de organisatie van het bedrijf? Indien dit het geval is, voldoet eiser niet aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor vrijstelling en is verweerder dus niet bevoegd.

2) heeft verweerder bij het nemen van het bestreden besluit in strijd met het gelijkheidsbeginsel gehandeld?

3) heeft verweerder bij het nemen van het bestreden besluit in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel gehandeld?

4) heeft verweerder bij het nemen van het bestreden besluit in strijd met het vertrouwensbeginsel gehandeld?

Noodzaak bedrijfswoning

Volgens verweerder kan een noodzaak voor een bedrijfswoning bestaan als er een verhoogde kans is op calamiteiten, indien sprake is van bijzondere bedrijfsprocessen of de bedrijfsvoering zoveel tijd en aandacht van eiser vraagt dat een bedrijfswoning gerechtvaardigd is. Verweerder heeft geoordeeld dat het vanwege moderne communicatiemiddelen geen probleem is indien de verhuurder elders woont. Diefstalgevoeligheid van de voorraden leidt volgens verweerder niet tot de noodzaak van aanwezigheid van een bedrijfswoning, omdat dit argument in meer of mindere mate voor alle bedrijven die voorraden opslaan geldt.

Eiser meent dat een bedrijfswoning voor de organisatie van zijn bedrijf en het toezicht daarop wel noodzakelijk is. Hij voert daartoe aan, dat de evenementenmaterialen die hij verhuurt voor een belangrijk gedeelte buiten reguliere werktijden worden opgehaald en teruggebracht, waarbij eiser aanwezig dient te zijn. Verder slaat eiser diefstalgevoelige voorraden op, waardoor toezicht gewenst is.

De vraag of een bedrijfswoning noodzakelijk is in verband met het functioneren en de organisatie van het bedrijf, dient te worden beantwoord aan de hand van de planvoorschriften en de bedoeling van de planwetgever. Uit de toelichting behorende bij het bestemmingsplan “Herziening en uitbreiding bedrijventerrein De Wielen”, pagina vier, blijkt dat sprake dient te zijn van een bedrijfseconomische noodzaak.

Voordat de rechtbank tot beoordeling van verweerders vaststelling dat van een noodzaak geen sprake is overgaat, gaat zij -gezien eisers betoog- in op de vraag in hoeverre het verweerder vrijstaat een andere, in dit geval strengere, uitleg te geven aan de bepalingen van zijn ongewijzigde planologisch toetsingskader.

Volgens eiser komt in dit geval aan verweerder geen vrijheid toe. Hij voert aan, dat het verweerders taak is om uitleg te geven aan de planvoorschriften en dat verweerder zich daarbij niet kan verschuilen achter jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS), tenzij de door verweerder gehanteerde lijn in strijd met de wet is. Dat laatste is hier niet aan de orde, aldus eiser. Nu de planwetgever niet aan verweerder kenbaar heeft gemaakt de door verweerder in het verleden gegeven uitleg onjuist te achten, had verweerder dezelfde invulling als voorheen aan de planvoorschriften moeten geven.

Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat hij op enig moment is gaan bezien of invulling van het begrip “noodzaak” restrictiever diende te gebeuren, omdat volgens verweerder door de bouw van woningen bij bedrijven de activiteiten van de bedrijven steeds meer werden belemmerd. Vervolgens is verweerder mede naar aanleiding van jurisprudentie van de ABRvS overgegaan tot het hanteren van een strengere lijn.

De rechtbank overweegt als volgt. Het staat verweerder als bestuurder vrij om wegens voortschrijdende ruimtelijke inzichten een andere, strengere invulling te geven aan de planvoorschriften. Dit voortschrijdend inzicht kan bijvoorbeeld ingegeven zijn door tijdsverloop in samenhang met veranderde omstandigheden of door jurisprudentie. Als voorbeeld kan dienen het gebruik van communicatie-middelen, een aspect waar partijen over hebben getwist. Aan eiser kan worden toegegeven dat de communicatiemiddelen die in 2005 bestonden, grotendeels ook al in 2000 bestonden, maar verweerder heeft terecht opgemerkt dat het gebruik van die communicatiemiddelen, zoals de mobiele telefoon, meer wijdverbreid is geraakt. De vaststelling van verweerder dat een noodzaak voor een bedrijfswoning niet aanwezig is onder meer vanwege het bestaan van moderne communicatiemiddelen, is naar het oordeel van de rechtbank dan ook een legitieme vaststelling. Anders dan eiser meent, verschuilt verweerder zich niet achter de ABRvS, maar heeft hij mede aan de hand van de uitspraken van de ABRvS tot een andere invulling van het begrip “noodzaak” besloten. Die vrijheid komt verweerder toe. Wijziging van het planologisch toetsingskader was daarvoor niet nodig.

Wat betreft verweerders oordeel dat in dit geval geen sprake is van een noodzaak voor een bedrijfswoning acht de rechtbank allereerst voldoende aannemelijk dat eiser -anders dan verweerder in het verweerschrift en ter zitting heeft aangevoerd- zich bezig houdt met de opslag en verhuur van evenementenmaterialen. Verder overweegt zij dat de planwetgever uitdrukkelijk het bestaan van een noodzaak heeft gekoppeld aan het functioneren en de organisatie van het bedrijf. Er dient derhalve sprake te zijn van een directe relatie tussen het belang van eiser en de bedrijfsactiviteiten. Zo’n directe relatie ontbreekt wat betreft eisers standpunt dat toezicht vereist is wegens diefstalgevoeligheid van de voorraden. Bovendien kan op andere manieren dan door het betrekken van een bedrijfswoning voor toezicht en veiligheid worden gezorgd, bijvoorbeeld door het plaatsen van hekwerk en camera’s.

In eisers betoog dat een bedrijfswoning noodzakelijk is omdat hij voor een belangrijk deel buiten normale werktijden aanwezig dient te zijn, volgt de rechtbank hem niet. Het mag dan wel zo zijn dat het voor eiser gemakkelijk en waarschijnlijk ook tijdbesparend is om bij zijn bedrijf te wonen, maar noodzakelijk voor een normaal verloop van de bedrijfsactiviteiten, het ophalen en wegbrengen van evenementenmaterialen, is het niet. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is de rechtbank niet gebleken dat de bedrijfsvoering ter plaatse zoveel tijd en aandacht van eiser vergt dat sprake is van een noodzaak voor de aanwezigheid van een bedrijfswoning.

De beroepsgrond faalt derhalve.

Nu eiser niet voldeed aan de in artikel 2.02, zesde lid, aanhef en sub d, onder 1, van de planvoorschriften behorende bij het bestemmingsplan “Herziening en uitbreiding bedrijventerrein De Wielen” gestelde voorwaarde, was verweerder niet bevoegd om vrijstelling te verlenen.

Gelijkheidsbeginsel

Eiser meent verder dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden, omdat verweerder op 26 oktober 1999, 15 maart 2000 en 13 september 2000 wèl vrijstelling en bouwvergunningen heeft verleend voor de bouw van soortgelijke bedrijfswoningen op de percelen [adressen A, B, C], terwijl hetzelfde planologische regime gold als ten tijde van het bestreden besluit.

Verweerder heeft aangegeven dat de beslissing in eisers geval anders is uitgevallen, omdat verweerder mede naar aanleiding van jurisprudentie van de ABRvS een andere, strengere, uitleg is gaan geven aan het begrip noodzaak.

Eiser meent dat zonder wijziging van het planologisch toetsingskader door de planwetgever, verweerder de noodzaak op dezelfde manier had moeten beoordelen als in de andere zaken. Verweerder had op consequente wijze van zijn bevoegdheid gebruik dienen te maken, maar heeft dat niet gedaan, aldus eiser.

De rechtbank overweegt dat eisers betoog dat sprake is van gelijke gevallen, onvoldoende uit de verf is gekomen. Slechts ten aanzien van de [adres C] heeft eiser in bezwaar enige concrete informatie verschaft, maar die informatie is te summier om tot de conclusie te komen dat sprake is van gelijke gevallen. Reeds hierom faalt de beroepsgrond.

Los hiervan volgt de rechtbank eiser niet in zijn opvatting, inhoudende dat het in strijd met het gelijkheidsbeginsel is om binnen hetzelfde planologische toetsingskader een andere invulling te geven aan de planvoorschriften. De rechtbank verwijst voor haar motivering naar hetgeen onder het kopje ‘noodzaak bedrijfswoning’ is opgenomen. Ook hierom faalt de beroepsgrond.

Zorgvuldigheidsbeginsel

Eiser meent dat verweerder in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel heeft gehandeld en legt daaraan ten grondslag dat verweerder op grond van de uitspraak van de ABRvS van 27 april 2005 had moeten beoordelen of het bedrijf van eiser binnen redelijke termijn kan uitgroeien tot een bedrijf met een omvang die een bedrijfswoning noodzakelijk maakt, maar dit verzuimd heeft te doen, en dat verweerder is afgeweken van zijn in de loop der jaren ontwikkelde praktijk ter zake de invulling van het planologisch toetsingskader.

De rechtbank volgt eiser niet in zijn opvatting dat verweerder op grond van de uitspraak van de ABRvS van 27 april 2005 had moeten beoordelen of het bedrijf van eiser binnen redelijke termijn zal uitgroeien tot een bedrijf met een omvang die een bedrijfswoning noodzakelijk maakt. Anders dan eiser lijkt te menen, heeft de ABRvS niet geoordeeld dat in zijn algemeenheid moet worden beoordeeld of een bedrijf binnen een redelijke termijn kan uitgroeien tot een bedrijf met een omvang die een bedrijfswoning noodzakelijk maakt. Blijkens overweging 2.4. van die uitspraak is die concrete beoordeling alleen dan nodig indien de omvang van het bedrijf in aanmerking is genomen bij de beoordeling van de noodzaak van de bedrijfswoning. De omvang van het bedrijf van eiser is geen factor geweest in de besluitvorming van verweerder, zodat de uitspraak geen betekenis heeft voor deze zaak.

Evenmin heeft verweerder onzorgvuldig gehandeld bij het invullen van zijn planologisch toetsingkader. Verweerder heeft zich met juistheid op het standpunt gesteld dat aan hem interpretatievrijheid toekomt wat betreft de invulling van wettelijke regels en dat hij zijn invulling mag baseren op jurisprudentie. De rechtbank verwijst in dit verband tevens naar haar motivering onder het kopje ‘noodzaak bedrijfswoning’. Daaraan voegt de rechtbank toe dat eiser gezien het tijdsverloop tussen de verleende vrijstellingen en de bestreden beslissing (ca. 7 jaar) er rekening mee had moeten houden dat verweerder in de tussenliggende periode niet voorbij zou mogen gaan aan nieuwe ruimtelijke inzichten, zoals die bijvoorbeeld uit jurisprudentie kunnen voortvloeien.

De beroepsgrond faalt derhalve.

Vertrouwensbeginsel

Tot slot heeft eiser aangevoerd dat verweerder in strijd heeft gehandeld met het vertrouwensbeginsel. Daaraan legt eiser ten grondslag dat hij er bij de aankoop van het perceel van is uitgegaan dat een bedrijfswoning op het perceel gerealiseerd mocht worden, nu het beleid van verweerder hem bekend was en hij ervan uitging dat verweerder conform zijn beleid zou handelen, alsook omdat verweerder eiser in hun correspondentie ter zake eisers verzoek om een tijdelijke vrijstelling nooit kenbaar heeft gemaakt dat hij een ander beleid ten aanzien van bedrijfswoningen zou gaan voeren.

Eisers betoog richt zich op uitoefening van de bevoegdheid tot verlening van vrijstelling. In dit geval is het echter niet tot uitoefening gekomen, omdat verweerder terecht heeft geoordeeld niet bevoegd te zijn tot het verlenen van vrijstelling.

Nu het oprichten van een bedrijfswoning met bedrijfsruimte in strijd is met wettelijke bepalingen, kan een beroep op het vertrouwensbeginsel niet slagen. De beroepsgrond faalt derhalve.

Alle beroepsgronden falen. Nu het oprichten van een bedrijfswoning met bedrijfsruimte in strijd is met de voorschriften uit het bestemmingsplan en eiser niet voldoet aan de voorwaarden om voor binnenplanse vrijstelling in aanmerking te komen, heeft verweerder terecht geweigerd een bouwvergunning te verlenen. Het beroep dient ongegrond te worden verklaard.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De rechtbank Roermond;

gelet op het bepaalde in artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht;

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. P.J. Voncken, in tegenwoordigheid van mr. C.H.M. Bartholomeus als griffier en in het openbaar uitgesproken op 8 mei 2008.

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

Verzonden op: 8 mei 2008.

MD

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Ingevolge artikel 6:5 van de Awb bevat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak en moet een afschrift van de uitspraak bij het beroepschrift worden overgelegd.