Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2008:BD2993

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
28-05-2008
Datum publicatie
03-06-2008
Zaaknummer
207104 / CV EXPL 08-523
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Uitleg CAO, arbeidsovereenkomst bepaalde tijd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2008-0356
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector kanton

Zaaknummer: 207104 \ CV EXPL 08-523

Epd 1DW5718

Vonnis van de kantonrechter te Venlo d.d. 28 mei 2008

in de zaak van:

[eiser], wonende te [adres],

eiser,

gemachtigde: mr. S.C. van Heerd,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde] gevestigd te [adres],

gedaagde,

gemachtigde: mr. H.C. van den Akker.

1. Het verloop van de procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit het volgende:

? het exploot van dagvaarding met producties;

? de conclusie van antwoord met producties;

? de brieven van partijen waarbij zij laten weten af te zien van comparitie na antwoord en van re- en dupliek.

1.2. De zaak is daarna op vonnis gesteld en de uitspraak daarvan is bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

2.1. Tussen partijen zijn de volgende arbeidsovereenkomsten gesloten:

? een arbeidsovereenkomst voor de duur van zes maanden ingaande 16 april 2002;

? een arbeidsovereenkomst voor de duur van zes maanden ingaande 16 oktober 2002;

? een arbeidsovereenkomst voor de duur van zes maanden ingaande 16 april 2003.

2.2. Op deze overeenkomsten is de algemeen verbindend verklaarde CAO voor het schilders- afwerkings- en glaszetbedrijf van toepassing. Artikel 8, lid 3, van de CAO luidt: “In afwijking van het in artikel 668a van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek geldt dat:

a. een opeenvolgende derde overeenkomst voor bepaalde tijd geacht wordt te zijn overeengekomen voor onbepaalde tijd indien de drie overeenkomsten elkaar binnen 31 kalenderdagen opvolgen;

b. een overeenkomst voor bepaalde tijd opgevolgd mag worden binnen 31 kalenderdagen door een nieuwe overeenkomst voor bepaalde tijd die dan van rechtswege eindigt mits de twee opeenvolgende overeenkomsten de duur van 12 kalendermaanden niet overschrijden.”

2.3. Per 15 mei 2003 heeft eiser zich bij gedaagde ziek gemeld in verband met nekklachten. Bij aangetekend schrijven van 12 september 2003 heeft gedaagde aan eiser aangegeven dat de laatste arbeidsovereenkomst van rechtswege afliep per 15 oktober 2003 en niet verlengd zou worden.

2.4. Het UWV heeft aan eiser geen ziektewetuitkering toegekend omdat eiser volgens de CAO een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd had. Hiertegen is bezwaar gemaakt, maar dat bezwaar is ongegrond verklaard.

2.5. Bij brief van 3 maart 2004 heeft eiser betaling van het loon vanaf 16 oktober 2003 gevorderd.

2.6. Bij beschikking van 21 juli 2004 is aan eiser met ingang van 10 mei 2003 een gedeeltelijke WAO-uitkering toegekend, gebaseerd op een arbeidsongeschiktheid van

25%-35%.

3. De vordering en stellingen van eiser

3.1. Eiser vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, gedaagde te veroordelen om aan eiser te betalen:

? het loon ad EUR 454,13 per maand, verhoogd met de hieraan gekoppelde emolumenten en verhogingen als gevolg van de wet en CAO ingaande 16 oktober 2003 tot de dag dat de arbeidsovereenkomst is beëindigd onder overlegging van een specificiatie;

? de wettelijke verhoging van 50% ex artikel 7:625 BW over het hiervoor vermelde verschuldigde loon;

? de wettelijke rente over de op basis van de hiervoor verschuldigde bedragen, ingaande de datum waarop het loon verschuldigd is, zulks tot de datum van algehele voldoening;

? de kosten van deze procedure.

3.2. Eiser legt het volgende aan zijn vordering ten grondslag:

Er is sprake van een dienstverband voor onbepaalde tijd. Deze is niet ontbonden of opgezegd. Gedaagde is gehouden bij arbeidsongeschiktheid gedurende 52 weken het loon door te betalen. Ook bouwt eiser vakantiedagen op voor de duur van 6 maanden. Eiser heeft per brief van 14 april 2004 de nietigheid van de beëindiging van het dienstverband ingeroepen; dit blijkt ook uit het schrijven van 3 maart 2004. Bij brief van 5 oktober 2007 is gedaagde voor de laatste maal aangemaand om tot betaling over te gaan. Eiser heeft zich hierbij wederom beschikbaar gesteld voor het verrichten van (aangepaste) arbeid.

Ter adstructie van zijn stellingen heeft eiser diverse producties in het geding gebracht.

4. Het verweer van gedaagde

4.1. Gedaagde heeft de vordering betwist en heeft daartoe het volgende naar voren gebracht:

Gedaagde beroept zich op niet-ontvankelijkheid van eiser. Op grond van artikel 7:683, lid 2, en/of lid 1 BW jo. artikel 7:677, lid 5, BW jo. artikel 7:670, lid 1, BW is de vordering verjaard. Ook is er sprake van rechtsverwerking, gelet op de lange tijdspanne tussen de laatste activiteit in het dossier en het uitbrengen van de dagvaarding.

4.2. Gedaagde betwist dat de nietigheid van een gegeven ontslag is ingeroepen. Er is in elk geval geen nietigheid ingeroepen binnen twee maanden als genoemd in artikel 7:677 lid 5 BW, noch binnen zes maanden na het einde van het dienstverband op 15 oktober 2003.

4.3. Partijen zijn overeengekomen en ervan uitgegaan dat het dienstverband ingaande 16 oktober 2003 definitief zou eindigen. Per brief van 12 september 2003 is dit ook aan eiser bericht en eiser heeft de bedrijfskleding ingeleverd.

Naar de mening van gedaagde legt het UWV artikel 8 lid 3 sub a verkeerd uit. Bij deze uitleg zou artikel 8 lid 3 sub b immers een dode letter zijn.

Een eventuele loonvordering is op grond van de CAO beperkt tot maximaal 52 weken.

4.4. De arbeidsongeschiktheid is ontstaan door een verzwegen verkeersongeluk. Eerst bij ontvangst van de dagvaarding neemt gedaagde kennis van het feit dat eiser voor 25%-35% arbeidsongeschikt is verklaard.

4.5. Ook gedaagde heeft ter adstructie van haar stellingen diverse producties in het geding gebracht.

5. Overige stellingen

5.1. Voor wat betreft de overige stellingen van partijen verwijst de kantonrechter naar het procesdossier. De inhoud daarvan moet als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.

Indien nodig zal hierna bij de beoordeling nader worden ingegaan op de afzonderlijke standpunten van partijen.

6. De beoordeling

6.1. Tussen partijen is in geschil de vraag of aan de laatste arbeidsovereenkomst op rechtsgeldige wijze een einde is gekomen.

6.2. Het bepaalde in artikel 8, lid 3, van de toepasselijke CAO leidt tot de volgende stelsels.

6.2.1. Hetgeen onder 3a is bepaald leidt tot het volgende:

Overeenkomst bepaalde duur nr. 1 ?

Opgevolgd door nr. 2 binnen 31 dagen

Overeenkomst bepaalde duur nr. 2 ?

Opgevolgd door nr. 3 binnen 31 dagen

Overeenkomst bepaalde duur nr. 3 ? = arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur.

6.2.2. Hetgeen onder 3b is bepaald leidt tot het volgende:

A.

Overeenkomst bepaalde duur nr. 1 ?

Opgevolgd door nr. 2 binnen 31 dagen

Overeenkomst bepaalde duur nr. 2 ?

Einde van rechtswege van overeenkomst nr. 2, mits overeenkomsten nr. 1 en nr. 2 de duur van twaalf maanden niet overschrijden.

Indien nr. 1 en nr. 2 de duur van twaalf maanden wel overschrijden is er geen beëindiging van de arbeidsovereenkomst van rechtswege. Dit houdt in dat voor beëindiging een geldige opzeggingshandeling nodig is.

B.

Overeenkomst bepaalde duur nr. 2 ?

Opgevolgd door nr. 2 binnen 31 dagen

Overeenkomst bepaalde duur nr. 3 ?

Einde van rechtswege van arbeidsovereenkomst nr. 3, mits overeenkomsten nr. 1 en nr. 2 de duur van 12 maanden niet overschrijden. Indien de overeenkomsten nr. 2 en nr. 3 wel de duur van twaalf maanden overschrijden, is er geen einde van rechtswege. In dat geval is voor beëindiging een geldige opzeggingshandeling vereist.

6.3. Zoals onder de vaststaande feiten al is aangegeven, zijn er tussen partijen drie arbeidsovereenkomsten gesloten. De eerste ingaande 16 april 2002 voor de duur van zes maanden. Deze is opgevolgd door de tweede arbeidsovereenkomst, ingaande 16 oktober 2002 en eveneens voor de duur van zes maanden. De derde overeenkomst is eveneens voor de duur van zes maanden gesloten en heeft als ingangsdatum 16 april 2003. Deze laatste overeenkomst leidt in beginsel ingevolge het stelsel van artikel 8, lid 3, onder a van de CAO tot een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur. Echter, overeenkomst nr. 1 en nr. 2. overschrijden de twaalf maanden niet. Overeenkomsten nr. 2 en nr. 3 overschrijden eveneens de twaalf maanden niet. Derhalve eindigt deze derde arbeidsovereenkomst voor bepaalde duur van rechtswege. De bepaling van artikel 8, lid 3, onder b, van de CAO brengt een beperking aan op het beginsel dat de derde arbeidsovereenkomst voor bepaalde duur geacht wordt voor onbepaalde duur te zijn aangegaan.

6.4. Op grond van het voorgaande komt de kantonrechter dan ook tot het oordeel dat aan de kant van gedaagde geen opzeggingshandeling nodig is geweest, omdat de derde arbeidsovereenkomst van rechtswege is geëindigd. Dit brengt vervolgens met zich dat de vorderingen van eiser zullen worden afgewezen.

6.5. Eiser zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure.

7. Beslissing

7.1. Wijst de vorderingen af.

7.2. Veroordeelt eiser in de kosten van deze procedure aan de kant van gedaagde gevallen en aan die kant tot heden begroot op EUR 1.400,00 als salaris voor de gemachtigde.

Dit vonnis is gewezen door mr. O.M. de Lange, kantonrechter, en ter openbare civiele terechtzitting op 28 mei 2008 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.