Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2008:BD2275

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
22-05-2008
Datum publicatie
22-05-2008
Zaaknummer
08 / 11 HOREC K1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aan de Maas(oever) in Venlo is een stadsstrand gerealiseerd waar een horeca-onderneming wordt geëxploiteerd. B&W hebben daarvoor een DHW-vergunning verleend er van uitgaande dat er een horecalokaliteit is van minimaal 35m2 (eis uit het Besluit eisen inrichtingen Drank- en horecawet).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Horeca 2008/975
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

UITSPRAAK

Procedurenr. : 08 / 11 HOREC K1

Inzake : Afdeling Venlo van het Koninklijk Verbond van Ondernemers in het Horeca- en Aanverwante Bedrijf Horeca Nederland, gevestigd te Venlo, eiseres

tegen : het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Venlo, verweerder.

Datum en aanduiding van het bestreden besluit:

de brief d.d. 13 november 2007,

kenmerk: .

Datum van behandeling ter zitting: 11 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het verlenen van een vergunning op grond van artikel 3 van de Drank- en Horecawet (DHW) voor een horecavoorziening met terras aan het stadsstrand te Venlo, aan [vergunninghouders] (vergunninghouders), ongegrond verklaard.

Tegen dat besluit is bij deze rechtbank beroep ingesteld.

Met toepassing van het bepaalde in artikel 8:26, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zijn vergunninghouders in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Awb ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan de gemachtigde van eiseres en aan vergunninghouders gezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 11 april 2008, waar eiseres is verschenen bij haar gemachtigde D.A. Hogervorst, en waar verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. C.H.J.M. Michels. Vergunninghouders zijn in persoon verschenen.

II. OVERWEGINGEN

Op 20 maart 2007 hebben vergunninghouders een aanvraag ingediend ter verkrijging van een vergunning voor uitoefening van het horecabedrijf op grond van artikel 3 van de DHW voor een inrichting aan het stadsstrand te Venlo. Verweerder heeft op 22 juni 2007 die vergunning verleend. Daarbij is aangegeven dat de vergunning betrekking heeft op een benedenlokaliteit van 36 m² en een terras/stadsstrand rondom de lokaliteit van 900 m².

Eiseres heeft bij brief van 19 juli 2007 bezwaar gemaakt tegen de vergunningverlening omdat niet is voldaan aan het bepaalde in artikel 10 van de DHW in samenhang met artikel 3 van het Besluit eisen inrichtingen Drank- en Horecawet, inhoudende dat er sprake moet zijn van ten minste één horecalokaliteit met een vloeroppervlakte van ten minste 35 m².

De door eiseres gevraagde voorlopige voorziening is bij uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 9 augustus 2007 afgewezen.

Bij het thans bestreden besluit is het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Daarbij heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de vloeroppervlakte van de horecalokaliteit, gemeten op basis van NEN 2580, groter is dan de vereiste 35 m², en dat de horecalokaliteit feitelijk toegankelijk is voor het publiek. Voorts heeft verweerder gesteld dat de wet niet verplicht 35 m² of meer vrije ruimte voor het publiek te reserveren en dat de aan de orde zijnde inrichtingseis is gesteld uit sociaal-hygiënisch oogpunt niet enkel in het belang van het publiek maar ook in het belang van diegenen die in de inrichting werken.

In beroep heeft eiseres onder verwijzing naar haar aanvullend bezwaarschrift van 16 augustus 2007 een beroep gedaan op de wetssystematiek en -interpretatie en aangevoerd dat er geen sprake is van een ruimte die als geheel voor publiek toegankelijk is, omdat de totale ruimte bijna geheel wordt benut als keuken, werk- en opslagruimte. Eiseres heeft voorts gesteld dat het besluit op bezwaar onvoldoende draagkrachtig is gemotiveerd en onvoldoende ingaat op de in bezwaar aangevoerde gronden.

Bij verweerschrift is het standpunt van eiseres dat er sprake moet zijn van een vrije voor publiek toegankelijke ruimte van 35 m² bestreden. Verweerder is van mening dat nu de ruimte deels wordt ingenomen door inrichtingselementen en daardoor de voor het publiek beschikbare ruimte minder is dan 35 m², dit aan de toegankelijkheid niet af doet.

De rechtbank dient op basis van de aangevoerde beroepsgronden te beoordelen of het bestreden besluit de rechterlijke toets kan doorstaan. Daarbij is het geschil toegespitst op beantwoording van de vraag of is voldaan aan de vereiste oppervlaktemaat van de horecalokaliteit van 35 m².

Ingevolge artikel 3 van de DHW is het verboden zonder daartoe strekkende vergunning van burgemeester en wethouders het horecabedrijf uit te oefenen.

Ingevolge artikel 10 van de DHW dient de inrichting te voldoen aan bij algemene maatregel van bestuur in het belang van de sociale hygiëne te stellen eisen. Op dit artikel is gebaseerd het Besluit eisen inrichtingen Drank- en horecawet (hierna: het Besluit).

Ingevolge artikel 27, eerste lid, aanhef en onder a, van de DHW wordt een vergunning geweigerd indien niet wordt voldaan aan de ingevolge de artikelen 8 tot en met 10 geldende eisen.

Ingevolge artikel 2 van het Besluit voldoet een inrichting waarin het horecabedrijf wordt utgeoefend, onverminderd het Bouwbesluit 2003, aan de in artikelen 3 tot en met 7 van het onderhavige besluit vervatte bepalingen.

Ingevolge artikel 3 van het Besluit heeft een inrichting waarin een horecabedrijf wordt uitgeoefend, ten minste één horecalokaliteit met een vloeroppervlakte van ten minste 35 m²

In artikel 1, eerste lid, van de DHW is het begrip “horecalokaliteit” gedefinieerd als: een van een afsluitbare toegang voorziene lokaliteit, onderdeel uitmakend van een inrichting waarin het horecabedrijf wordt uitgeoefend, in ieder geval bestemd voor het verstrekken van alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse.

Vergunninghouders oefenen het door hen geëxploiteerde horecabedrijf uit in een inrichting bestaande uit een verlengde zeecontainer met een uitgifteloket met luifel, een toiletgebouw, een container voor opslag (achter de zeecontainer) en een terras/strand op de maaskade.

De rechtbank stelt vast dat de verlengde zeecontainer, die volgens verweerder en vergunninghouders is te beschouwen als de ruimte die voldoet aan de definitie van het begrip horecalokaliteit zoals omschreven in artikel 1, eerste lid, van de DHW, een vloeroppervlakte heeft van (net) meer dan 35 m². Niet gebleken is dat er in die container bouwkundige- dan wel inrichtingselementen zijn die van de gemeten vloeroppervlakte moeten worden afgetrokken, zodat in zoverre voldaan is aan artikel 3 van het Besluit.

Uit de definitie van het begrip horecalokaliteit vloeit verder voort dat het moet gaan om een ruimte die in beginsel toegankelijk is voor publiek en is bestemd voor het verstrekken van alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse. De rechtbank houdt het ervoor dat de verlengde zeecontainer in beginsel toegankelijk is voor publiek aangezien daarvoor een deur, anders dan de personeelsingang, die toegang ook daadwerkelijk verschaft en in een deel van de container lectuur is opgesteld die door het publiek ter lezing op het terras kan worden meegenomen.

Voor de rechtbank is echter niet aannemelijk geworden dat de verlengde zeecontainer ook bestemd is voor het verstrekken van alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse. Dat deze ruimte (ook) daarvoor zou zijn bestemd zou dan ook moeten blijken uit de feitelijke situatie waaronder de inrichting van die ruimte. Hetgeen uit de stukken en het verhandelde ter zitting is af te leiden, maakt niet aannemelijk dat de verlengde container genoemde bestemming heeft. Reeds de omstandigheid dat de container wordt gebruikt als keuken, werk- en opslagplaats, alsmede het feit dat de verkoop van consumpties plaatsvindt via een loket aan de buitenzijde van de container wekt het vermoeden dat de container daarnaast niet ook nog bestemd is voor gebruik van alcoholhoudende drank binnen die ruimte. Ook de aanwezigheid van een lectuuruitleenpunt wijst daar niet op. Voormeld vermoeden wordt bevestigd doordat niet is gebleken van inrichtingselementen die de ruimte geschikt maken voor gebruik voor consumptie ter plaatse. Verweerders standpunt dat sprake is van een lokaliteit met een afsluitbare toegang die onderdeel uitmaakt van een inrichting waar vanuit alcoholhoudende dranken worden verstrekt, mist dan ook feitelijke grondslag.

Gelet op het vorenstaande komt het beroep van eiseres voor gegrondverklaring in aanmerking en dient het bestreden besluit te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3 van het Besluit in verbinding met artikel 1, eerste lid, van de DHW. Gelet op die conclusie acht de rechtbank termen aanwezig om gebruik te maken van haar bevoegdheid om zelf in de zaak te voorzien in dier voege dat zij het primaire besluit herroept en de aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 3 van de DHW afwijst.

De rechtbank acht verder termen aanwezig om verweerder op grond van het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten die eiseres redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van dit beroep, een en ander overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen wordt twee punten toegekend. Het gewicht van de zaak wordt bepaald op gemiddeld, hetgeen correspondeert met de wegingsfactor 1. De rechtbank acht niet voldaan aan de voorwaarden voor vergoeding van de kosten van de bezwaarprocedure, nu haar niet gebleken is dat namens eiseres daar reeds in de bezwaarfase om is verzocht.

Mitsdien wordt beslist als volgt.

III. BESLISSING

De rechtbank Roermond;

gelet op het bepaalde in de artikelen 8:70, 8:72, 8:74 en 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht;

verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het bestreden besluit;

herroept het besluit van 22 juni 2007 en wijst af de aanvraag van eisers om een vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Drank- en Horecawet;

veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eiseres begroot op € 644,00 (zijnde de kosten van rechtsbijstand) te vergoeden door verweerders gemeente;

bepaalt dat verweerders gemeente aan eiseres het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 285,00 volledig vergoedt.

Aldus gedaan door mr. Th.M. Schelfhout in tegenwoordigheid van J.N. Buddeke als griffier en in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2008

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

verzonden op: 22 mei 2008

el

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Ingevolge artikel 6:5 van de Awb bevat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak en moet een afschrift van de uitspraak bij het beroepschrift worden overgelegd.