Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2008:BD2274

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
21-05-2008
Datum publicatie
26-05-2008
Zaaknummer
04/660116-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Drugslab te Well. 3 maanden gevangenisstraf voor het aanwezig hebben van 280 gram amfetamine. Vrijspraak witwassen en vrijspraak van de betrokkenheid bij de productie van amfetamine en het terugwinnen van cocaïne

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Parketnummer : 04/660116-07

Uitspraak d.d. : 21 mei 2008

TEGENSPRAAK overeenkomstig artikel 279 Wetboek van Strafvordering

VONNIS

van de rechtbank Roermond,

meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

naam : [F.S.]

voornamen : [F.S.]

geboren op : [geboortedatum]

adres : [adres]

plaats : [woonplaats]

1. Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 11 april 2008 en 15 mei 2008.

2. De tenlastelegging

De verdachte staat terecht ter zake dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 01 januari 2006 tot en met 31 augustus 2006 te Well, in elk geval in de gemeente Bergen (L), althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans

eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDA en/of MDMA (3,4 methyleendioxymethamfetamine) en/of N-ethyl MDA en/of amfetamine en/of tenamfetamime en/of brolamfetamine, in elk geval (telkens) (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen

krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

(art. 2 juncto 10 van de Opiumwet)

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2007 tot en met 3 juli 2007 in de gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens)

opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I;

(art. 2 Opiumwet)

3.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2007 tot en met 3 juli 2007 in de gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal (telkens)

opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I

(art. 2 Opiumwet)

4.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2007 tot en met 3 juli 2007 te Well, in elk geval in de gemeente Bergen (L) en/of te Wanssum, in elk geval in de gemeente Meerlo-Wanssum en/of in de gemeente Asten, in elk geval in de

gemeente Moerdijk, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft bereid of bewerkt of verwerkt of afgeleverd of verstrekt of vervoerd of

aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

(art. 2 Opiumwet)

5.

hij op of omstreeks 18 september 2007 te Zevenbergen, in elk geval in de gemeente Moerdijk, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 285 gram, in elk geval een

hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

(2 Opiumwet)

6.

hij in of omstreeks de periode van 01 januari 2006 tot en met 30 juni 2006 te Well, in elk geval in de gemeente Bergen (L) en/of te Zevenbergen, in elk geval in de gemeente Moerdijk, in elk geval in Nederland, tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, bestaande uit [De L.] en/of [M.S.] en/of [J.S.] en/of [V.] en/of [Van der P.] en/of [H.] en/of een of meer ander(en), welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het (meermalen) (telkens) opzettelijk binnen en/of buiten het

grondgebied van Nederland brengen en/of het bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, vervoeren, vervaardigen of aanwezig hebben van middelen of een middel als bedoeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

(art. 140 Wetboek van Strafrecht)

7.

hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2006 tot en met 3 juli 2007 te Well, in elk geval in de gemeente Bergen (L) en/of te Zevenbergen, in elk geval in de gemeente Moerdijk, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met

een ander of anderen, althans alleen, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, bestaande uit [De L.] en/of [M.S.] en/of [J.S.] en/of [V.] en/of

[Van der P.] en/of [H.] en/of een of meer ander(en), welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en/of vijfde lid en/of artikel 10a, eerste lid, van de Opiumwet namelijk het (meermalen) (telkens) opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, vervoeren, vervaardigen en/of aanwezig hebben van middelen of een middel als

bedoeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

(art. 11a Opiumwet)

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3. De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4. De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5. De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen.

6. Schorsing der vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

7. Bewijsoverwegingen

7.1 Standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 11 april 2008 gevorderd dat de verdachte ten aanzien van het onder 1, 2, 3 en 6 ten laste gelegde zal worden vrijgesproken en dat het onder 4, 5 en 7 ten laste gelegde zal worden bewezen verklaard.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1, 2, 3, 4, 6 en 7 ten laste gelegde. De verdediging heeft zich voor wat betreft het onder 5 ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

7.2 Vrijspraakoverwegingen van de rechtbank

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte sub 1, 2, 3, 4, 6 en 7 is ten laste gelegd.

De rechtbank overweegt met betrekking tot deze vrijspraken het volgende.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit is de rechtbank van oordeel dat aan de verklaring van [getuige] geen bewijskracht kan worden ontleend. De waarneming van [getuige] dat hij in de maand december 2006 regelmatig een blauwe bestelauto bij de [adres Well] te Well heeft waargenomen is daarvoor te vaag. De getuige [getuige] heeft voorts verklaard dat de persoon welke in de blauw gekleurde bestelauto reed een man betrof met kort haar van ongeveer 30 jaar en dat deze man een oorbel droeg, hetgeen niet overeenkomt met het signalement van verdachte, die al in de 60 is..

De verdachte moet van dit onderdeel van het ten laste gelegde worden vrijgesproken.

Ten aanzien van de ten laste gelegde feiten onder 2 (invoer van cocaïne) is de rechtbank met de officier van justitie van oordeel dat in het dossier geen bewijs voorhanden is waaruit de directe betrokkenheid van verdachte bij dit feit kan worden afgeleid. Ten aanzien van feit 3 (uivoer van cocaïne) is de rechtbank van oordeel dat in het dossier onvoldoende bewijs voorhanden is dat de cocaïne bestemd was voor de uitvoer. Verdachte moet dan ook van deze feiten te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde feit acht de rechtbank het aannemelijk dat verdachte in het pand [adres Well] te Well is geweest op grond van de in de auto van verdachte aangetroffen landkaart met betrekking tot de omgeving van Well en de sleutelbos met sleutels van deuren van het pand [adres Well]. Bij gebrek aan overige bewijsmiddelen is dit evenwel onvoldoende om te komen tot een bewezenverklaring. Medeverdachte [H.] heeft weliswaar nog verklaard dat verdachte in het pand [adres Well] is geweest en betrokken was bij het ruimen van afval. Echter bij de rechter-commissaris heeft [H.] verklaard, dat hij dit gezegd heeft naar aanleiding van een conclusie die door de politie werd getrokken. Zelf heeft hij dit nooit gezien.

De verdachte moet derhalve ook van dit onderdeel van het ten laste gelegde worden vrijgesproken.

Ten aanzien van de feiten 6 en 7 is de rechtbank van oordeel dat verdachte ook van deze feiten dient te worden vrijgesproken, nu ter terechtzitting onvoldoende is gebleken dat verdachte direct betrokken is geweest - kort samengevat - bij de invoer, uitvoer en productie van amfetamine in de periode van 1 januari 2006 tot en met 30 juni 2006 en de invoer, uitvoer en productie van amfetamine en/of cocaïne in de periode van 1 juli 2006 tot en met 3 juli 2007.

7.3 Bewijsmiddelen en overwegingen van de rechtbank

De overtuiging van de rechtbank dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de volgende bewijsmiddelen.

De hieronder vermelde bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit, waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

De genoemde geschriften zijn slechts gebruikt in verband met de inhoud van de overige bewijsmiddelen.

7.3.1 (Samenvatting van de) bewijsmiddelen en standpunten van de rechtbank

Op 18 september 2007 wordt tijdens de doorzoeking van de woning van verdachte aan de [adres Zevenbergen] te Zevenbergen in het schuurtje, achter de woning, een speciekuip aangetroffen met daarin een hoeveelheid van 280 gram wit poeder . De speciekuip met het witte poeder is in beslag genomen en voorzien van spoornummer F4000-05 . Uit onderzoek door het NFI blijkt dat het monster van witte poeder met het kenmerk F4000-05 amfetamine bevat .

7.4 Bewezenverklaring

Op grond van voormelde bewijsmiddelen en overwegingen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het sub 5 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

5.

hij op 18 september 2007 te Zevenbergen opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 280 gram van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen.

Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

8. Kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het ten laste van verdachte bewezenverklaarde levert op het navolgende misdrijf:

Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.

Het misdrijf is strafbaar gesteld bij artikel 10, derde lid, van de Opiumwet.

9. De strafbaarheid van verdachte

De verdachte is strafbaar voor het bewezenverklaarde nu niet is gebleken van enige omstandigheid die verdachtes strafbaarheid opheft.

10. De straffen en/of maatregelen

10.1 De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij gelegenheid van de terechtzitting op 11 april 2008 met betrekking tot de op te leggen straf gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de tijd van drie jaar, met aftrek ex artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

10.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van de gevorderde straf aangevoerd dat dient te worden volstaan met de tijd dat verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Mocht de rechtbank verdachte voor meer feiten veroordelen dan voor feit 5 alleen dan verzoekt de raadsman deze straf slechts te vermeerderen met een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf.

11. De algemene overwegingen van de rechtbank

Op grond van de aard van het bewezenverklaarde alsmede op grond van de omstandigheden waaronder dit is gepleegd en de persoon van verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebelekn, is d erechtbank van oordeel dat aan verdachte na te melden straf behoort te worden opgelegd.

11.1 De bijzondere overwegingen van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk aanwezig hebben van ongeveer 280 gram amfetamine. Amfetamine is een harddrug en komt voor op lijst I van de Opiumwet. Harddrugs als de onderhavige, eenmaal in handen van gebruikers, leveren grote gevaren voor de gezondheid van die gebruikers op, terwijl die gebruikers hun verslaving vaak door diefstal of ander crimineel handelen trachten te bekostigen, waardoor aan de samenleving ernstige schade wordt berokkend;

De rechtbank is van oordeel dat met het oog op een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of lagere straf dan de hierna vermelde vrijheidsstraf waarbij de rechtbank in ogenschouw heeft genomen de straffen die deze rechtbank in het verleden in soortgelijke zaken heeft opgelegd.

Bij de strafmaat is ten gunste van verdachte rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals die uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Verdachte is inmiddels gepensioneerd en zijn lichamelijke gezondheid is slecht.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmaat voorts ten gunste van verdachte rekening gehouden met het blanco strafblad van verdachte zoals blijkt uit een uittreksel uit het Justitieel Documentatiesysteem d.d. 14 maart 2008.

10.4 Teruggave

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat onder meer inbeslaggenomen is: 07-004377 80 1.00 STK Sleutelbos met 4 sleutels;

Nu met betrekking tot deze voorwerpen niet (meer) wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering, dienen deze voorwerpen te worden teruggegeven aan degene(n)aan wie deze toebehoren, zoals hierna in het dictum genoemd.

11. Toepasselijke wetsartikelen

Na te melden beslissing is gegrond op de artikelen:

10, 27 en 91 van het Wetboek van Strafrecht en de artikel 2 en 10 van de Opiumwet.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het sub 1, 2, 3, 4, 6 en 7 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het sub 5 ten laste gelegde zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

verstaat dat het aldus bewezenverklaarde het hiervoor vermelde strafbare feit oplevert en verklaart verdachte ter zake strafbaar;

veroordeelt verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de tijd van drie maanden;

beveelt dat de tijd door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan verdachte opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende (n) van de inbeslaggenomen nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: 07-004377 80 1.00 STK Sleutelbos met 4 sleutels.

Vonnis gewezen door mrs. L.J.A. Crompvoets, M.J.A.G. van Baal en D.C.M. Bomans, rechters, van wie mr. M.J.A.G. van Baal voorzitter, in tegenwoordigheid vn mr. P.C.M. Müller als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 21 mei 2008.