Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2008:BD2145

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
16-04-2008
Datum publicatie
21-05-2008
Zaaknummer
82510 / HA ZA 07 - 817
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

CMR-zaak. Rechtsvordering overeenkomstig het Verdrag verjaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROERMOND

Sector civielrecht

zaaknummer / rolnummer: 82510 / HA ZA 07-817

Vonnis van 16 april 2008

in de zaak van

[H.T.] HANDELEND ONDER DE NAAM [T.] TRANSPORTE,

wonende te [woonplaats],

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

procureur mr. J.B.T. van 't Grunewold,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

A+G VENLO B.V.,

gevestigd te Venlo,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

procureur mr. M.W. Kok.

Partijen zullen hierna [T.] en A+G genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de conclusie van antwoord tevens houdende eis in voorwaardelijke reconventie

- het tussenvonnis van 12 december 2007

- de akte houdende producties zijdens A+G

- het proces-verbaal van comparitie van 29 februari 2008.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [T.] heeft in opdracht en voor rekening van A+G goederen vervoerd over internationale wegen. Op deze –verschillende- overeenkomsten is telkens de CMR van toepassing. [T.] heeft facturen gezonden welke door A+G zijn voldaan, deels door het inroepen van een verrekening. [T.] betwist de verrekening en daarmee de volledige betaling van de facturen.

3. Het geschil

in conventie

3.1. [T.] vordert samengevat - veroordeling van A+G tot betaling van EUR 11.105,72, vermeerderd met EUR 800,-- aan buitengerechtelijke incassokosten, tevens vermeerderd met rente en kosten.

3.2. A+G voert verweer en vordert voorwaardelijk in reconventie een bedrag groot EUR 8.120,00 vermeerderd met EUR 662,52 aan buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met wettelijke rente en kosten.

3.3. [T.] voert in reconventie verweer.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

in conventie

4.1. Tussen partijen is in geschil de vraag of de vordering van [T.] op grond van artikel 32 CMR is verjaard. Artikel 32 CMR bepaalt, voorzover hier van belang:

1. De rechtsvorderingen, waartoe een aan dit Verdrag onderworpen vervoer aanleiding geeft, verjaren door verloop van een jaar. In geval van opzet of van schuld, welke volgens de wet van het gerecht, waarvoor de vordering aanhangig is, met opzet gelijkgesteld wordt, is de verjaringstermijn drie jaar. De verjaring loopt: (…)

c) in alle andere gevallen, na afloop van een termijn van drie maanden na de sluiting der vervoerovereenkomst.

De hierboven als begin van de verjaring aangegeven dag wordt niet begrepen in de verjaringstermijn.

2. Een schriftelijke vordering schorst de verjaring tot aan de dag, waarop de vervoerder de vordering schriftelijk afwijst en de daarbij gevoegde stukken terugzendt. In geval van gedeeltelijke aanvaarding van de vordering hervat de verjaring haar loop alleen voor het deel van de vordering, dat betwist blijft. Het bewijs van ontvangst van de vordering of van het antwoord en van het terugzenden der stukken rust op de partij, die dit feit inroept. Verdere, op hetzelfde onderwerp betrekking hebbende vorderingen schorsen de verjaring niet.

3. Met inachtneming van de bepalingen van het tweede lid, wordt de schorsing van de verjaring beheerst door de wet van het gerecht waarvoor de zaak aanhangig is. Hetzelfde geldt voor de stuiting van de verjaring.

4. Een verjaarde vordering kan ook niet meer in de vorm van een vordering in reconventie of van een exceptie worden geldend gemaakt.

4.2. De vordering van [T.] betreft de betaling van facturen op grond van de vervoerovereenkomsten, waarbij de grondslag het door A+G toerekenbaar tekortkomen in de nakoming van haar verplichtingen op grond van die overeenkomsten is. De rechtbank is van oordeel dat dit een rechtsvordering als bedoeld in artikel 32 eerste lid CMR betreft. De rechtbank is van oordeel dat deze vordering is verjaard. Immers is door [T.] ter comparitie aangegeven dat er tussen een moment gelegen tussen 20 juni 2006 (indienen van de ‘klage’ bij de duitse rechter) en 21 juli 2006 (afwijzende reactie zijdens A+G) en vervolgens het uitbrengen van de dagvaarding geen handelingen of stappen zijn ondernomen. Daargelaten de vraag of de schorsende indiening van de ‘klage’, welke betwist wordt door A+G, voldoende is onderbouwd volgt uit deze standpunten in het licht van artikel 32 CMR dat een gestelde schorsende werking in ieder geval 21 juli 2006 door de schriftelijke afwijzing zijdens A+G geëindigd is waardoor de verjaringstermijn in ieder geval verder is gaan lopen. In het midden kan blijven hoelang deze verjaringstermijn feitelijk op dat moment nog duurde nu deze gezien artikel 32 CMR maximaal 1 jaar kon duren en er niet binnen dat jaar gedagvaard is. De vordering is derhalve verjaard. In het midden kan daarbij voorts blijven de vraag of aan de klage een schorsende werking toekwam nu er reeds op 13 december 2005 een vordering is ingediend en deze van de hand is gewezen bij brief van 10 januari 2006 en artikel 32 CMR bepaalt dat verdere, op hetzelfde onderwerp betrekking hebbende vorderingen de verjaring niet schorsen.

4.3. De rechtbank komt gezien het voorgaande niet toe aan de voorwaardelijke reconventie.

4.4. [T.] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van A+G worden begroot op:

- vast recht 303,00

- salaris procureur 904,00 (2,0 punten × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 1.207,00

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie en in reconventie

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt [T.] in de proceskosten, aan de zijde van A+G tot op heden begroot op EUR 1.207,00

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M.J.F. Piëtte en in het openbaar uitgesproken op 16 april 2008.?