Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2008:BD1798

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
16-05-2008
Datum publicatie
16-05-2008
Zaaknummer
08 / 753 BESLU
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Uitspraak op een verzoek om voorlopige voorziening met betrekking tot een verkeersbesluit, inhoudende sluiting van de tunnels in de A73 in beide richtingen voor alle motorvoertuigen gedurende de weekenden in de periode van 16 mei tot en met 2 november 2008.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

PROCES VERBAAL MONDELINGE UITSPRAAK

Procedurenr. : 08 / 753 BESLU

Inzake: de hierna genoemde verzoekers:

1. de gemeente Roermond;

2. het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Roermond;

3. VastNed Retail NV te Rotterdam;

4. de Ondernemersvereniging Retailpark Roermond;

5. Designer Outlet Centre Roermond BV;

6. Intratuin Roermond BV;

7. Sijben Wooncenter BV,

8. de Regionale Economische Ontwikkeling Midden-Limburg BV;

9. de Limburgse Werkgeversvereniging, alle te Roermond;

10. de Kamer van Koophandel Limburg te Venlo.

Tegen: de minister van Verkeer en Waterstaat, verweerder

--------------------------

Datum en aanduiding van het bestreden besluit ter zake waarvan een voorlopige voorziening wordt gevraagd:

Het besluit van verweerder d.d. 13 mei 2008, Kenmerk: VW 2008/185

--------------------------

Proces verbaal van de met toepassing van artikel 8:67 juncto artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gedane mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank te Roermond.

Zitting hebben: mr. P.J. Voncken, als voorzieningenrechter

mr. C.H.M. Bartholomeus, als griffier.

De mondelinge behandeling

De mondelinge behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening heeft plaatsgehad ter zitting van 16 mei 2008, waar namens verzoekers het woord is gevoerd door mr. H.H.B. Lamers, advocaat te Maastricht, drs. G. Ijff, wethouder, en ing. G.P. Rutten, ambtenaar van de gemeente Roermond. Van de zijde van verweerder is het woord gevoerd door mr. H.J.M. Besselink, advocaat te ’s-Gravenhage, ir. J.L.P.M.G. Beguin en ing. S.S.J. Kern-Steyfkens.

De voorzieningenrechter heeft op 16 mei 2008 de volgende uitspraak gedaan.

De beslissing

Wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

De gronden voor de beslissing

Aan de orde is het besluit van verweerder van 13 mei 2008 om –kort gezegd- de Roertunnel te Roermond en de tunnel te Swalmen, die onderdeel uitmaken van de A73 in beide richtingen af te sluiten voor alle motorvoertuigen, dit in verband met het aanbrengen en testen van definitieve veiligheidssystemen in deze tunnels.

De met dit verkeersbesluit beoogde maatregel geldt volgens het besluit voor de periode van 16 mei 2008 tot en met 2 november 2008 gedurende de weekenden, van vrijdag 20.00 uur tot maandag 6.00 uur of zoveel eerder of zoveel later als nodig is.

Mr. Lamers heeft bij verzoekschrift van 14 mei 2008 schorsing van dit besluit gevraagd namens verzoekers.

In artikel 8:81 van de Awb is bepaald dat indien tegen een besluit, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van verzoekers overweegt de voorzieningenrechter, dat in ieder geval de gemeente Roermond en het college van B&W van die gemeente ontvankelijk zijn in hun verzoek en bezwaar. Het zelfde kan ook gezegd worden van de bedrijven die een direct commercieel belang hebben bij de bereikbaarheid van hun bedrijf. Voor dat laatste ziet de rechter voldoende grondslag in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State d.d. 6 februari 2008, (te vinden op www. rechtspraak.nl onder LJN: BC3638) waar een partij met zodanige belangen ontvankelijk is geacht in een procedure tegen een verkeersmaatregel.

De vraag of andere verzoekende partijen ontvankelijk zijn laat de rechter voor de onderhavige procedure in het midden, nu er toch een inhoudelijk oordeel, zij het voorlopig, zal worden gegeven in het verzoek van de wel ontvankelijke partijen. Verweerder zal zich in besluitvorming op het bezwaar over de ontvankelijkheid van de overige partijen in bezwaar kunnen uitlaten.

Spoedeisend belang acht de rechter voldoende gegeven. Tot het treffen van een voorlopige voorziening bestaat pas aanleiding indien het belang van verzoekers bij de gevraagde voorziening zodanig is dat het zwaarder dient te wegen dan het belang van verweerder bij afwijzing van die voorziening en bij onmiddellijke uitvoering van het besluit. In het kader van die belangenweging betrekt de voorzieningenrechter een voorlopig oordeel over het geschil in de hoofdzaak.

Artikel 15, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: de WVW 1994) bepaalt dat de plaatsing of verwijdering van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen verkeerstekens, en onderborden voor zover daardoor een gebod of verbod ontstaat of wordt gewijzigd, geschiedt krachtens een verkeersbesluit.

Ingevolge artikel 12 van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (hierna: het BABW) moet de plaatsing of verwijdering van de in dat artikel genoemde verkeerstekens geschieden krachtens een verkeersbesluit.

Ingevolge artikel 21 van het BABW vermeldt de motivering van het verkeersbesluit in ieder geval welke doelstelling of doelstellingen met het verkeersbesluit worden beoogd. Daarbij wordt aangegeven welke van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de WVW 1994 genoemde belangen ten grondslag liggen aan het verkeersbesluit. Indien tevens andere van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de wet genoemde belangen in het geding zijn, wordt voorts aangegeven op welke wijze de belangen tegen elkaar zijn afgewogen.

Bij het nemen van een verkeersbesluit komt aan het bestuursorgaan een ruime beoordelingsmarge toe en zal de rechter zich bij de beoordeling van zodanig besluit terughoudend moeten opstellen en dienen te toetsen of het besluit niet strijdig is met wettelijke voorschriften, dan wel sprake is van zodanige onevenwichtigheid in de afweging van de betrokken belangen, dat het bestuursorgaan niet in redelijkheid tot dat besluit is kunnen komen.

Verweerder heeft aan zijn besluit ten grondslag gelegd het bepaalde in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder c, van WVW 1994. Op grond van die bepaling kunnen de krachtens deze wet vastgestelde regels strekken tot het in standhouden van de weg en het waarborgen van de bruikbaarheid daarvan. Verzoekers hebben deze grondslag betwist, omdat er naar hun mening geen sprake is van groot onderhoud en daarmee van instandhouding van de weg. Afgezien van de vraag of instandhouding van de weg zich slechts kan beperken tot groot onderhoud, onderschrijft de rechter het standpunt van verweerder dat genoemde bepaling twee los van elkaar staande componenten noemt en dat indien een van deze componenten zich voordoet, daarmee voldoende grondslag voor het besluit is verkregen. De hier aan de orde zijnde afrondende werkzaamheden zijn ook naar het oordeel van de rechter te schikken onder het waarborgen van de bruikbaarheid van de weg.

Ingevolge artikel 24, aanhef en onder a, van het BABW worden verkeersbesluiten genomen na overleg met de korpschef van het betrokken regionale politiekorps. Volgens verzoekers zou niet kenbaar zijn dat aan deze voorwaarde is voldaan. De nu aan de orde zijnde bepaling stelt geen eisen aan de vorm waarin dat overleg dient plaats te vinden. Gelet op het ter zitting overgelegde aanwijzingsbesluit van 28 oktober 1997 van de Korpschef en de schriftelijke reactie van de zijde van het regionale politiekorps d.d. 25 april 2008 stelt de voorzieningenrechter vast, dat aan de voorwaarde van artikel 24 van het BABW is voldaan. Uit die reactie blijkt dat van de zijde van de politie positief wordt geadviseerd en dat de maatregelen ertoe zullen leiden dat alleen het plaatselijk verkeer en het verkeer dat een bezoek zal brengen aan Roermond en directe omgeving gebruik zal maken van het onderliggende wegennet.

Ten aanzien van de hierboven aangegeven afweging van de betrokken belangen overweegt de rechter allereerst dat tussen partijen niet ter discussie staat dat het nog noodzakelijk is dat werkzaamheden aan de tunnels moeten worden verricht om het gekozen veiligheidssysteem volledig functioneel te maken. Zoals voor partijen ook duidelijk was, betekende de tijdelijke openstelling (in februari 2008) dat de definitieve openstelling nog verder zou worden vertraagd. Indien wordt uitgegaan van een volledige sluiting is er een werkachterstand van ongeveer vijf maanden.

In de rechterlijke toets dient te worden meegenomen of de minister in het kader van de voorbereiding van het besluit aandacht heeft besteed aan mogelijke alternatieve maatregelen die eenzelfde effect bereiken met minder bezwaren, maar het is aan de minister om een keuze te maken.

In dat verband hebben verzoekers aangevoerd dat onvoldoende rekening is gehouden met het van hun kant geopperde alternatief van gehele sluiting gedurende de bouwvakvakantie. Ter zitting heeft verweerder echter voldoende overtuigend toegelicht, dat (hoewel het niet als zodanig uit het besluit blijkt, omdat verzoekers dat in hun zienswijze niet naar voren hebben gebracht) deze mogelijkheid wel degelijk in beschouwing is genomen maar op zichzelf vanwege de daarvoor noodzakelijke tijd een onvoldoende alternatief is om de werkzaamheden te voltooien. Verweerder heeft wel uitdrukkelijk de bereidheid uitgesproken om, zodra meer zicht is op de voortgang van de werkzaamheden, te bezien of sluiting tijdens de bouwvakvakantie ertoe kan dienen het aantal weekendsluitingen te beperken. Ook is uit de toelichting ter zitting gebleken, dat verweerder prioriteit zal geven aan de werkzaamheden in de tunnel te Swalmen opdat het aantal weekendsluitingen voor die tunnel beperkt kunnen worden.

Verzoekers hebben de rechter niet ervan kunnen overtuigen dat er een zodanig sterk tegenover de regio gegeven vertrouwen was over de omvang van de sluitingen, dat verweerder zich daarmee heeft beperkt in de aan hem gegeven beoordelingsruimte.

Met betrekking tot de nu gemaakte keuze kan volgens de rechter, met inachtneming van de hem geboden terughoudendheid in de toetsing van het besluit, niet gezegd worden dat er sprake is van een zodanige onevenwichtigheid in de afweging van de betrokken belangen dat verweerder niet in redelijkheid tot het onderhavige besluit is kunnen komen. Met name kan niet gezegd worden dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met de effecten van de sluiting op het locale wegennet voor bereikbaarheid en leefbaarheid van de binnenstad. Hij heeft erop gewezen dat voor de omleiding kan worden gekozen voor de wegen die tot de eerste opening van de tunnels jarenlang door iedereen werden gebruikt en verzoekers hebben de rechter op geen enkele wijze ervan kunnen overtuigen dat dit enkele maanden na de opening niet meer mogelijk zou zijn dan wel grotere problemen zou opleveren dan voordien. Zoals hierboven al is aangegeven heeft ook de politie geconcludeerd, dat alleen het plaatselijk verkeer en het verkeer dat een bezoek zal brengen aan Roermond en directe omgeving gebruik zal maken van het onderliggende wegennet. Met het voorgaande is ook gegeven dat verweerder zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de bereikbaarheid van de bedrijven in de regio en hun commerciële belangen. Van de kant van verzoekers is geen onderbouwing (enkel een gissing) gegeven van ernst en omvang van commercieel nadeel, dat in redelijkheid niet voor hun rekening zou kunnen worden gelaten.

Verzoekers hebben verder nog gesteld dat door de formulering in het besluit “of zoveel eerder of zoveel later als nodig is” het besluit zo flexibel is gemaakt, dat dit op gespannen voet staat met de rechtszekerheid. Zoals uit de bewoordingen van het besluit blijkt en ook in de toelichting ter zitting naar voren kwam heeft deze armslag betrekking op de sluitingstijden in het weekend en niet op de totale periode van sluiting, en de rechter vindt dit een rechtens aanvaardbare toevoeging.

De voorzieningenrechter acht op grond van alle bovenstaande overwegingen een gerede kans aanwezig, dat het bestreden besluit in de hoofdzaak in stand zal blijven. Voor het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening wordt dan ook geen aanleiding gezien.

Waarvan door de griffier is opgemaakt dit proces verbaal, dat door de voorzieningenrechter en door de griffier is ondertekend.

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

verzonden op:

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.