Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2008:BD0701

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
07-05-2008
Datum publicatie
13-05-2008
Zaaknummer
80284 / FA RK 07-746
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De minderjarige staat bij vader ingeschreven en verblijft de ene week bij moeder en de andere week bij vader.

De raad voor de kinderbescherming adviseert om de huidige situatie van de minderjarige niet te wijzigen.

Moeder vraagt naar aanleiding van het advies (subsidiair) en indien de hoofdverblijfplaats bij vader wordt bepaald een omgangsregeling tussen de minderjarige en haar te bepalen van een weekend per veertien dagen.

De rechtbank is van oordeel dat de verzoeken van moeder moeten worden afgewezen. De rechtbank overweegt hierbij dat Vincent de huidige regeling als duidelijk en prettig ervaart. Hij is niet op de hoogte van de strubbelingen tussen de ouders. De zorgen die de ouders over en weer hebben worden niet bevestigd door informatie van derden.

Met betrekking tot het subsidiaire verzoek van moeder verwijst de rechtbank naar artikel 1:247 BW. Een beperking zoals door moeder verzocht zal schadelijk zijn voor het geestelijk welzijn van Vincent en is derhalve in strijd met de krachtens artikel 1:247 van het BW geldende opvoedingsverplichting.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 247
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2008, 101
JPF 2008/110
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector civielrecht

Zaaknummer: 80284 / FA RK 07-746

Beschikking van 07 mei 2008 betreffende ouderlijke verantwoordelijkheden

in de zaak van:

[verzoekster],

wonende te [woonplaats], [adres],

hierna te noemen [verzoekster],

procureur: mr. C.A.M.J.M. Joosten;

tegen:

[verweerder],

wonende te [woonplaats], [adres],

hierna te noemen [verweerder],

procureur mr. J.I.L. Laumans.

Als belanghebbende merkt de rechtbank tevens aan:

[kind], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum].

[verzoekster] en [verweerder] hierna ook te noemen respectievelijk de vader, de moeder en tezamen de ouders.

1. Het ontstaan en verloop van de procedure

1.1. De rechtbank verwijst naar haar tussen partijen gegeven beschikking d.d. 5 september 2007 waarbij de beslissing omtrent de vaststelling van de hoofdverblijfplaats en wijziging van de omgangsregeling is aangehouden in afwachting van nader bericht van de raad voor de kinderbescherming.

1.2. Betreffende de hoofdverblijfplaats en de omgangsregeling heeft de raad voor de kinderbescherming te Roermond aan de rechtbank een schriftelijk advies d.d. 4 maart 2008 uitgebracht.

1.3. Op 31 maart 2008 is bij de rechtbank binnengekomen het faxbericht van de procureur van moeder, waarin moeder stelt niet in te kunnen stemmen met het advies van de raad voor de kinderbescherming en waarbij moeder tevens een subsidiair aanvullend verzoek heeft ingediend om een omgangsregeling tussen moeder en [kind] vast te stellen van een weekend per veertien dagen van vrijdag tot en met zondag, alsmede de helft van de vakanties en feestdagen.

1.4. Op 3 april 2008 heeft de nadere mondelinge behandeling met gesloten deuren plaatsgevonden. De griffier heeft van de inhoud daarvan aantekening gehouden.

Bij deze behandeling zijn verschenen:

- de ouders, bijgestaan door hun advocaten;

- [naam], vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming te Roermond.

2. De vaststellingen en overwegingen

2.1. De rechtbank stelt vast dat [kind] op het adres van vader staat ingeschreven en de ene week bij vader en de andere week bij moeder verblijft.

2.2. De raad voor de kinderbescherming heeft geadviseerd de verzoeken van moeder tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats bij moeder en wijziging van de omgangsregeling af te wijzen.

De raad voor de kinderbescherming is van mening dat een wijziging van de huidige situatie van [kind] niet in zijn belang is en adviseert vast te stellen dat de hoofdverblijfplaats bij vader is en de omgangsregeling, waarbij [kind] een week per twee weken bij moeder is, in stand te laten.

2.3. Moeder heeft aangegeven dat, indien haar verzoeken tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats van [kind] bij haar en wijziging van de omgangsregeling niet worden toegewezen, zij een omgangsregeling met [kind] wil van één weekend per veertien dagen en de helft van de vakanties en feestdagen. Moeder stelt daartoe dat zij de verantwoordelijkheid voor [kind] dan niet meer wil en kan nemen. Moeder stelt dat zij telkens de problemen moet oplossen die door vader worden veroorzaakt en zij, indien het advies van de raad voor de kinderbescherming wordt gevolgd, niet langer bereid is dit te doen. Voor vader moet in dat geval duidelijk zijn dat hij de verantwoordelijkheid heeft en die duidelijkheid is er voor vader niet indien [kind], zoals nu het geval is, de helft van de tijd bij vader en de andere helft bij moeder verblijft.

2.4. Vader is het eens met het advies van de raad voor de kinderbescherming en hoopt dat het co-ouderschap kan worden voortgezet.

2.5. De rechtbank is gelet op hetgeen door de ouders naar voren is gebracht, en gelet op het rapport en advies van de raad voor de kinderbescherming, van oordeel dat de verzoeken van moeder moeten worden afgewezen. De rechtbank overweegt hierbij dat, blijkens het raadsrapport, [kind] de huidige regeling als duidelijk en prettig ervaart. Volgens [kind] is de structuur in de situatie bij vader en moeder niet heel erg verschillend van elkaar en [kind] heeft de indruk dat de ouders op dit moment goed in staat zijn met elkaar afspraken hieromtrent te maken. Hij is niet op de hoogte van de strubbelingen tussen de ouders en ouders slagen er klaarblijkelijk in om [kind] hier niet mee te belasten.

Voorts blijkt uit informatie van de school en de ouders dat [kind] zich in de huidige situatie goed ontwikkelt. De zorgen die moeder heeft over het verblijf van [kind] bij vader worden niet bevestigd door informatie van derden en het beeld dat vader heeft van de sociale contacten van [kind] bij moeder blijkt evenmin juist.

De rechtbank overweegt dat de stelling van beide ouders dat de communicatie onderling gebrekkig verloopt kennelijk geen obstakel vormt om het aangenaam en prettig voor [kind] te laten zijn bij beide ouders. Moeder stelt deze wijze van communiceren niet langer te willen. Alhoewel de rechtbank van oordeel is dat beide ouders er belang bij hebben om te werken aan deze communicatie, is dit belang ondergeschikt aan het belang van [kind], die zich goed voelt bij de huidige situatie.

2.6. Met betrekking tot het subsidiaire verzoek van moeder een omgangsregeling tussen moeder en [kind] te bepalen van één weekend per veertien dagen, indien wordt vastgesteld dat de hoofdverblijfplaats bij vader zal zijn, verwijst de rechtbank naar artikel 1:247 van het Burgerlijk Wetboek dat bepaalt dat het ouderlijk gezag de plicht en het recht omvat van de ouder zijn minderjarige kind te verzorgen en op te voeden. Onder die verzorging en opvoeding wordt ook de verantwoordelijkheid voor het geestelijk welzijn van het kind verstaan.

De enkele stelling van moeder dat zij de verantwoordelijkheid voor [kind] niet meer wil nemen gaat voorbij aan haar plicht verantwoordelijkheid te dragen voor het geestelijk welzijn van [kind]. De problemen die moeder ervaart met betrekking tot het verblijf van [kind] bij vader worden immers niet opgelost door een drastische beperking van de omgang tussen moeder en [kind]. Een beperking zoals door moeder verzocht zal schadelijk zijn voor het geestelijk welzijn van [kind] en derhalve in strijd met de krachtens artikel 1:247 van het Burgerlijk Wetboek geldende opvoedingsverplichting. Moeder is, gelet op het gezamenlijk ouderlijk gezag, mede verplicht deze verantwoordelijkheid voor [kind] op zich te nemen, ongeacht de hoofdverblijfplaats van [kind]. De rechtbank merkt daarbij op dat moeder in de huidige situatie hiertoe ook heel goed in staat blijkt.

2.7. Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank vaststellen dat de hoofdverblijfplaats van [kind] bij vader is en is de rechtbank van oordeel dat de huidige omgangsregeling, in die zin dat [kind] de ene week bij vader en de andere week bij moeder verblijft, onverkort van kracht dient te blijven.

2.8. De rechtbank acht termen aanwezig de proceskosten tussen de ouders te compenseren.

3. De beslissing

De rechtbank:

3.1. bepaalt dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige [kind], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum], bij de vader zal zijn;

3.2. regelt de omgang tussen voornoemde minderjarige en de moeder als volgt:

de minderjarige verblijft een week per twee weken, alsmede gedurende de helft van alle vakantie- en feestdagen, in onderling overleg vast te stellen, bij moeder;

3.3. compenseert de proceskosten tussen partijen in die zin dat elk van hen de eigen kosten draagt;

3.4. wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.J.M. Wassenberg, kinderrechter en ter openbare terechtzitting van 07 mei 2008 uitgesproken, in tegenwoordigheid van de griffier.

DT

Tegen deze uitspraak kan beroep worden ingesteld door indiening van een beroepschrift bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van deze uitspraak is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van deze uitspraak; door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening van de uitspraak of nadat de uitspraak hun op andere wijze bekend is geworden.