Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2008:BC8767

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
03-04-2008
Datum publicatie
09-04-2008
Zaaknummer
04/994775-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Parketnummer : 04/994775-06

uitspraak d.d. : 3 april 2008

TEGENSPRAAK

VONNIS

van de politierechter te Roermond,

in de zaak tegen:

naam : [naam verdachte]

adres : [adres verdachte]

plaats : [woonplaats verdachte]

1. Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 20 maart 2008.

2. De tenlastelegging

De verdachte staat terecht ter zake dat:

1.

Zij op of omstreeks 19 juli 2005 in de gemeente Nederweert, in elk geval in Nederland, opzettelijk bij dieren, te weten een aantal varkens, een of meer lichamelijke ingrepen heeft verricht, waarbij een deel of delen van het lichaam werd/werden beschadigd, immers werd met een slaghamer een slaghamermerk op het lichaam van die dieren aangebracht.

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de politierechter verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3. De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4. De bevoegdheid van de politierechter

Krachtens de wettelijke bepalingen is de politierechter bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5. De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen.

6. Schorsing der vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

7. Bewezenverklaring

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 20 maart 2008 gevorderd dat het ten laste gelegde zal worden bewezen verklaard.

De politierechter acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien

verstande dat:

1.

Zij op of omstreeks 19 juli 2005 in de gemeente Nederweert, in elk geval in Nederland, opzettelijk bij dieren, te weten een aantal varkens, een of meer lichamelijke ingrepen heeft verricht, waarbij een deel of delen van het lichaam werd/werden beschadigd, immers werd met een slaghamer een slaghamermerk op het lichaam van die dieren aangebracht.

8. Het bewijs

De overtuiging van de politierechter dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de volgende bewijsmiddelen.

De genoemde geschriften zijn slechts gebruikt in verband met de inhoud van de overige bewijsmiddelen.

8.1 De bewijsmiddelen

Voor zover het vonnis is uitgewerkt, staan de door de politierechter gebruikte bewijsmiddelen vermeld in de alsdan aan het vonnis gehechte aanvulling als bedoeld in de artikelen 365a en 365b van het Wetboek van Strafvordering.

9.1. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

De vertegenwoordiger van [verdachte] heeft aangegeven dat verdachte enkel de vervoerder van de dieren is, verdachte rijdt in opdracht van de eigenaar van de varkens. In Duitsland accepteren de slachthuizen alleen varkens die zijn geslaghamerd maar in Nederland mag niet geslaghamerd worden. Als de varkens niet voorzien zijn van een slaghamermerk geeft dit in Duitsland problemen met afrekenen. Als de varkens van de veewagen afkomen en een medewerker van het slachthuis in Duitsland geeft de dieren een slaghamermerk en hij vergeet of mist een varken dan krijg je een varken minder afgerekend. Verdachte wordt betaald per vracht, het aantal geladen varkens is voor de prijs niet van belang. De vertegenwoordiger van [verdachte] heeft ter terechtzitting aangegeven dat sedert de constatering van onderhavig feit de slachtvarkens in Duitsland worden geslaghamerd door een medewerker van de slachterij.

De chauffeur van verdachte, [naam chauffeur], heeft verklaard dat het pas in Duitsland slaghameren problemen oplevert in het kader van dierwelzijn. De varkens moeten opzij gedreven worden en geslagen met de slaghamer. De varkens worden onrustig en springen over de hekken heen, met als gevolg gebroken poten. Voor het welzijn is het beter om in Nederland te slaghameren.

De Officier van Justitie onderkent het probleem van verdachte maar is van mening dat, kort samengevat, verdachte gehouden is de wetgeving na te leven. Verdachte had ontheffing kunnen aanvragen bij de Minster van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (hierna: LNV) en heeft dat niet gedaan. Bovendien is ook reeds gebleken dat een dergelijke ontheffing niet wordt verleend. Het is vooral een praktisch probleem waarbij de (economische) motieven van verdachte niet doorslaggevend kunnen zijn.

De politierechter vat het betoog van verdachte op als een beroep op overmacht dan wel als een beroep op verminderde verwijtbaarheid.

De politierechter verwerpt het beroep op overmacht en verminderde verwijtbaarheid van verdachte.

Op grond van artikel 40 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren is het verboden een of meer lichamelijke ingrepen bij een dier te verrichten, waarbij een deel of delen van het lichaam wordt of worden verwijderd of beschadigd. De politierechter is van oordeel dat het aanbrengen van een slaghamermerk een ingreep is, waarbij een deel van het lichaam van het varken (de opperhuid) wordt beschadigd. Op grond van artikel 40, tweede lid, aanhef en onder c van genoemde wet geldt dit verbod onder meer niet voor bij algemene maatregel van bestuur aangewezen ingrepen.

In het Ingrepenbesluit zijn in artikel 2, tweede lid, de toegestane ingrepen ter identificatie aangegeven, waarbij is bepaald dat bij dieren ten hoogste twee van die ingrepen mogen worden verricht. Ten aanzien van varkens is in artikel 2, tweede lid, aanhef en onder a van het Ingrepenbesluit, het aanbrengen van een oormerk in één oor, als een toegestane ingreep genoemd. Het aanbrengen van een slaghamermerk is niet genoemd als een toegestane ingreep ter identificatie.

Artikel 107 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren kent de mogelijkheid tot het verlenen van ontheffing van het bij of krachtens het in de wet bepaalde, indien de gezondheid of het welzijn van het dier zich daar niet tegen verzet.

De politierechter stelt vast dat verdachte een dergelijke ontheffing niet bij de minister heeft aangevraagd.

De "Vrijstellingsregeling ingrepen" staat toe dat een aantal ongewenste ingrepen bij dieren voor identificatiedoeleinden, nog langere tijd worden gebezigd. Uit de toelichting bij de vrijstellingsregeling blijkt dat dit is ingegeven vanwege de praktische uitvoerbaarheid en omwille van economische motieven. Slaghamermerken voor de identificatie van slachtvarkens vallen niet onder deze vrijstellingsregeling.

Ten aanzien van Nederlandse varkens die naar Duitse slachthuizen worden afgevoerd, is in Duitsland de "Verordnung zum Schutz gegen die Verschleppung von Tierseuchen im Viehverkehr" van toepassing. Vast staat dat Duitse slachtvarkens worden geslaghamerd en dat dit in Duitsland een toegestane ingreep is. Ten aanzien van varkens uit andere lidstaten dan Duitsland, waaronder Nederland volgt uit artikel 19b, vijfde lid van de "Verordnung zum Schutz gegen die Verschleppung von Tierseuchen im Viehverkehr" dat de Duitse wetgever ten aanzien van slachtvarkens uit Nederland, die overeenkomstig de Nederlandse wetgeving zijn gemerkt, geen aanvullende eisen stelt, dus ook geen slaghamermerk voorschrijft. De vertegenwoordiger van verdachte heeft aangegeven dat desondanks door Duitse slachthuizen slaghamermerken worden geëist alvorens slachtvarkens worden geaccepteerd, hetgeen door de Officier van Justitie niet wordt betwist.

De politierechter is van oordeel dat gelet op het bovenstaande, verdachte kan worden tegengeworpen dat geen ontheffing op grond van artikel 107 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren is aangevraagd bij de minister. Inmiddels is echter gebleken uit de stukken die door de officier van justitie ter terechtzitting zijn overgelegd dat een dergelijke ontheffing door de Minister niet zal worden verleend nu er geen sprake is van een exportbelemmering daar Duitse slachterijen slachtvarkens afkomstig uit Nederland accepteren door ze bij het slachthuis alsnog te slaghameren.

Uit het vorengaande volgt dat verdachte bewust gekozen heeft voor een vorm van eigenrichting door om haar moverende redenen handelingen te verrichten die in strijd zijn met de wet. De politierechter is van oordeel dat een dergelijke vorm van eigenrichting in beginsel niet past binnen het stelsel van de rechtsstaat. Indien verdachte van mening is dat de regelgeving niet tegemoet komt aan de eisen van de praktijk, dan dient zij deze (politieke) problematiek via haar belangenorganisaties en via haar vertegenwoordiger in de Staten-Generaal aan de minister voor te leggen. Zolang de regelgeving niet de werkwijze zoals verdachte die voor ogen heeft toelaat, zal zij zich in beginsel dienen te conformeren aan de bestaande regelgeving, tenzij sprake is van zodanige bijzondere omstandigheden dat naleving in alle redelijkheid niet van verdachte kan worden gevergd en de strafbepaling wordt overtreden ten dienste van een hoger rechtsbelang.

De politierechter is van oordeel dat een dergelijke situatie zich in dit geval reeds hierom niet voordoet nu gebleken is dat naleving van de bestaande regelgeving niet op onoverkomelijke problemen stuit. Immers heeft de vertegenwoordiger van verdachte ter terechtzitting aangegeven dat sedert de constatering van het onderhavige feit de varkens in Duitsland worden geslaghamerd door medewerkers van de slachterijen, terwijl voorts niet is gebleken dat het in Duitsland slaghameren van de varkens in verregaande mate in strijd is met het belang van dierwelzijn. De verklaring van de chauffeur van verdachte acht de politierechter hiertoe onvoldoende nu deze op geen enkele wijze ondersteund wordt door andere (objectieve) gegevens.

Gezien het bovenstaande dient het beroep op overmacht danwel verminderde verwijtbaarheid dan ook te worden verworpen.

Bij de oplegging van de straf zal de politierechter rekening houden met het feit dat verdachte niet eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld en niet is gebleken dat verdachte zich na de constatering van onderhavig feit nog aan soortgelijke feiten heeft schuldig gemaakt. Bovendien houdt de politierechter er rekening mee dat het hier een zeer oud feit betreft.

9.2. Kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het ten laste van verdachte bewezenverklaarde levert op het navolgende misdrijf:

een gedraging in strijd met het voorschrift vastgesteld bij artikel 40 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, begaan door een rechtspersoon.

Het misdrijf is strafbaar gesteld bij artikel 122 (oud) van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren.

10. De strafbaarheid van verdachte

De verdachte is strafbaar voor het bewezenverklaarde nu niet is gebleken van enige omstandigheid die verdachtes strafbaarheid opheft.

11. De straffen en/of maatregelen

De officier van justitie heeft bij gelegenheid van de terechtzitting op 20 maart 2008 met betrekking tot de op te leggen straf gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van € 1000,00 met een proeftijd van twee jaar.

De vertegenwoordiger van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat geen straf dient te worden opgelegd.

Op grond van hetgeen hiervoor onder 9.1 is overwogen is de politierechter van oordeel dat een schuldigverklaring zonder straf in casu niet passend is.

Met oplegging van een voorwaardelijke geldboete wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht, en anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

12. Toepasselijke wetsartikelen

Na te melden beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 14a, 14b, 14c, 23, 24, 51, 91

Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (oud) art. 40, 122

BESLISSING

De politierechter:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verstaat dat het aldus bewezenverklaarde het hiervoor vermelde strafbare feit oplevert en verklaart verdachte terzake strafbaar;

veroordeelt verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een geldboete van EUR 1000,00;

bepaalt dat deze straf niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de politierechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

Vonnis gewezen door de politierechter mr. Y.J.C.A. Roeffen , in tegenwoordigheid van J.M.M. Versteegh-Janssen als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechter voornoemd op 3 april 2008.

typ: jv

RECHTBANK ROERMOND

Aanvulling van de bewijsmiddelen inzake het vonnis

in de zaak tegen

naam : [naam verdachte]

adres : [adres verdachte]

plaats : [woonplaats verdachte]

Aangevuld en ondertekend door de politierechter.

Datum: mr. Y.J.C.A. Roeffen