Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2008:BC8616

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
02-04-2008
Datum publicatie
04-04-2008
Zaaknummer
77178 / HA ZA 06 - 912
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bestuurdersaansprakelijkheid: selectieve betaling aan crediteuren.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2008/338
RN 2008, 56
PJ 2008, 70
JRV 2008, 511

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROERMOND

Sector civielrecht

zaaknummer / rolnummer: 77178 / HA ZA 06-912

Vonnis van 2 april 2008

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

procureur mr. E.M.A. Tromp,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

procureur mr. M.N. van Geenen.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 8 augustus 2007 en de daarin genoemde stukken;

- de conclusie van antwoord in reconventie

- het proces-verbaal van comparitie van 16 oktober 2007

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiser] en [gedaagde] zijn tot 10 augustus 1988 beide aandeelhouders geweest in Transportbedrijf [bedrijfsnaam 1] B.V. (hierna: het Transportbedrijf). [eiser] heeft op 10 augustus 1988 zijn aandelen verkocht aan [gedaagde]. [gedaagde] is vanaf dat moment directeur en enig aandeelhouder. Bij overeenkomst van 23 maart 2000 heeft het Transportbedrijf haar activiteiten verkocht aan [bedrijfsnaam 2] Transport B.V. voor een koopsom van in totaal EUR 642.325,00 waarvan een deel groot EUR 460.813,00 daadwerkelijk is voldaan en een ander deel in de vorm van een lening aan [bedrijfsnaam 2] Transport B.V. is verstrekt. [bedrijfsnaam 2] heeft deze lening geheel niet terugbetaald.

2.2. Tussen [eiser] en het Transportbedrijf bestaat een stamrechtovereenkomst. Op grond van deze stamrechtovereenkomst heeft [eiser] met ingang van 16 oktober 2000 recht op uitkering van lijfrente welke in driemaandelijkse termijnen uitgekeerd zou worden. De eerste betaling diende plaats te vinden op 16 januari 2001. Het Transportbedrijf is in gebreke gebleven met betalen. Op basis van artikel 7a van de stamrechtovereenkomst is daardoor de volledige contante waarde (zijnde EUR 22.689,01) onmiddellijk opeisbaar verschuldigd aan [eiser].

2.3. Tussen [eiser] en het Transportbedrijf bestaat de afspraak dat door het Transportbedrijf ten behoeve van [eiser] extern en intern pensioen opgebouwd zou worden. Het intern opgebouwde pensioen bedroeg op pensioendatum EUR 53.911,45 en is niet aan [eiser] uitgekeerd. Met betrekking tot het extern pensioen is door het Transportbedrijf premie ingehouden ten behoeve van de afdracht aan de pensioenmaatschappij. Extern pensioen wordt evenmin uitgekeerd.

2.4. [eiser] heeft het Transportbedrijf aangesproken en het Transportbedrijf is bij vonnis van 30 mei 2002 veroordeeld tot:

- betaling van een bedrag groot EUR 105.063,88 vermeerderd met 8% rente vanaf 16 oktober 2000, te voldoen door betaling op een door [eiser] aan te wijzen levensverzekering;

- maandelijks uitkeren van pensioen aan [eiser] op basis van het pensioenbedrag groot EUR 53.911,45, op straffe van een dwangsom van EUR 453,78 per dag dat het Transportbedrijf in gebreke blijft en gemaximeerd tot het pensioenbedrag;

- betaling van buitengerechtelijke kosten groot EUR 340,34, vermeerderd met wettelijke rente, en betaling aan proceskosten groot EUR 4.327,60.

Het Transportbedrijf heeft het aan haar betekende vonnis niet uitgevoerd.

3. Het geschil

in conventie

3.1. [eiser] vordert samengevat - veroordeling van [gedaagde]

1. tot betaling van EUR 105.063,88, vermeerderd met 8% rente vanaf 16 oktober 2000, danwel vanaf 30 mei 2002;

2. tot betaling van de reeds verschuldigde maandelijks uit te keren bedragen op basis van het pensioenbedrag EUR 53.911,45 en te veroordelen tot maandelijkse pensioenuitkering aan [eiser] onder overlegging van verificatoire bescheiden;

3. tot betaling van van de in het vonnis van 30 mei 2002 aan het Transportbedrijf opgelegde proceskosten, buitengerechtelijke kosten en inmiddels verbeurde dwangsommen;

4. onder veroordeling van [gedaagde] tot het verbeuren van een dwangsom van EUR 500,-- per dag dat hij nalatig blijft hieraan te voldoen;

5. vermeerderd met de kosten van deze procedure, de beslagkosten daaronder begrepen, welke kosten vermeerderd dienen te worden met de wettelijke rente daarover vanaf twee dagen na betekening van het te wijzen vonnis.

3.2. [gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.3. [gedaagde] vordert samengevat - veroordeling van [eiser] tot vergoeding van de door [gedaagde] geleden schade ten gevolge van vervuilde grond, waaronder dienen te worden begrepen de saneringskosten en eventuele vervolgschade, voorzover het betreft grond welke door [eiser] in privé aan [gedaagde] in privé is verkocht, welke schade nog dient te worden opgemaakt bij staat en vereffend volgens de wet, vermeerderd met de kosten.

3.4. [eiser] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

in conventie

4.1. [eiser] spreekt [gedaagde] aan op grond van onrechtmatig handelen in zijn hoedanigheid van bestuurder. [eiser] stelt daarbij dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld bij de verkoop van de activiteiten, omdat hij wist danwel moest weten dat door de verkoop van de activiteiten het Transportbedrijf haar verplichtingen jegens [eiser] niet zou kunnen nakomen. Voorts stelt [eiser] dat er sprake is van onrechtmatig handelen nu [gedaagde] de verkoopopbrengst wel heeft aangewend om ten behoeve van zichzelf pensioen af te storten maar dit niet heeft gedaan voor [eiser]. Beide grondslagen voor het onrechtmatig handelen van de bestuurder zal de rechtbank hierna beoordelen.

Aangaan van verplichtingen terwijl de bestuurder wist danwel redelijkerwijs behoorde te weten dat de rechtspersoon deze niet zou kunnen nakomen danwel verhaal zou bieden

Met betrekking tot de vraag wanneer het (financieel) beleid van de bestuurder pro se een onrechtmatige daad oplevert, ontwikkelde de Hoge Raad het criterium dat dit het geval is indien de betrokken bestuurder bij het aangaan van de overeenkomst wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de rechtspersoon zijn contractuele verplichtingen niet of niet binnen een redelijke termijn zal kunnen nakomen en geen verhaal zal bieden voor de uit de wanprestatie voortvloeiende schade (de zogenoemde Beklamel-norm). De peildatum voor de wetenschap bij de bestuurder is derhalve gelegen op het moment van het aangaan van de overeenkomst. Door [eiser] is niet gesteld dat [gedaagde] bij het aangaan van de stamrechtovereenkomst danwel de pensioenverplichtingen jegens [eiser] wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de rechtspersoon zijn contractuele verplichtingen niet of niet binnen een redelijke termijn zou kunnen nakomen en geen verhaal zou bieden. Dit volgt ook niet uit de overige omstandigheden van de zaak. De rechtbank zal derhalve voorbijgaan aan het in dit verband gestelde.

Voorkeursbehandeling van crediteuren

Een vennootschap heeft, wanneer deze heeft besloten haar activiteiten te beëindigen en niet over voldoende middelen beschikt om al haar schuldeisers te voldoen, niet de volledige vrijheid om –bijvoorbeeld- crediteuren die tevens belangrijkste beleidsbepaler zijn - anders dan op grond van door de wet erkende redenen van voorrang - te voldoen met voorrang boven andere crediteuren. In het hier omschreven geval handelt die vennootschap slechts dan niet in strijd met hetgeen haar naar ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, indien de voorkeursbehandeling van tot de specifieke crediteur op grond van bijzondere, door de vennootschap te stellen en bij betwisting te bewijzen omstandigheden kan worden gerechtvaardigd.

Wanneer in een dergelijk geval ondanks een dreigend tekort de (beleidsbepalende) crediteur bij voorrang wordt voldaan, is in beginsel ook een vordering uit onrechtmatige daad tegen die crediteur mogelijk. Als criterium voor de aansprakelijkheid van de beleidsbepalende crediteur noemt de rechtspraak dat deze ten tijde van de betaling aan hem "ernstig rekening" moest houden met een tekort.

Voorts volgt uit rechtspraak en literatuur dat onder omstandigheden ook de bestuurder van de betrokken vennootschap op grond van de selectieve betaling persoonlijk aansprakelijk kan zijn. Hiervan is eerst sprake, indien de desbetreffende bestuurder persoonlijk een verwijt kan worden gemaakt van de onrechtmatige selectieve betaling door de schuldenaar. Met andere woorden, indien hij persoonlijk een hem toerekenbare onrechtmatige daad jegens de schuldeisers heeft gepleegd. Nodig is dan met name dat gezegd kan worden dat hij nauw bij de desbetreffende onrechtmatige selectieve betaling betrokken is geweest.

In de onderhavige zaak stelt [eiser] dat [gedaagde] in strijd met de hiervoor geformuleerde normen heeft gehandeld door, na verkoop van de activiteiten van het Transportbedrijf, het ontvangen deel van de koopsom zodanig te besteden dat daardoor wel het pensioen van [gedaagde] doch niet het pensioen van [eiser] is afgestort. Deze specifieke selectieve betaling is volgens [eiser] onrechtmatig en hij acht [gedaagde] daarvoor ook persoonlijk aansprakelijk.

De rechtbank stelt voorop dat in de onderhavige zaak de hoedanigheid van de bestuurder en de voorgetrokken beleidsbepalende crediteur samenvallen. Door [gedaagde] is niet betwist dat hij als bestuurder nauw betrokken is geweest bij de litigieuze betaling. Door [gedaagde] wordt betwist dat hij ten tijde van deze betaling “ernstig rekening” moest houden met het niet kunnen voldoen van de pensioenverplichting aan [eiser].

De rechtbank acht in dit belang de navolgende omstandigheden van belang:

• ten tijde van de storting van het pensioen van [gedaagde] ondernam het Transportbedrijf geen activiteiten meer waaruit geld gegenereerd kon worden;

• de enige resterende bron van inkomsten van het Transportbedrijf waren de betalingsverplichtingen die [bedrijfsnaam 2] Transport B.V. was aangegaan, gelegen in de aflossingen van het geleende deel van de koopsom;

• [gedaagde] heeft verklaard dat deze aflossingen ook de enige bron waren waaruit het Transportbedrijf haar verplichting jegens [eiser] nog kon nakomen;

• Bij [gedaagde] was bekend dat [bedrijfsnaam 2] Transport B.V. ter financiering van de overname van de activiteiten zijn financiele limieten had bereikt en dat [compagnon bedrijfsnaam 2] zelf een hypotheek op zijn huis daartoe had dienen te nemen;

• De datum waarop de eerste betaling door [bedrijfsnaam 2] Transport B.V. had dienen plaats te vinden, doch niet had plaatsgevonden, is gelegen vóór de datum van afstorting van het pensioen van [gedaagde].

Uit deze omstandigheden volgt dat ten tijde van het afstorten van het pensioen van [gedaagde] en het voldoen van andere schuldeisers behoudens [eiser] er aanzienlijke financiële verplichtingen jegens [eiser] op grond van de stamrechtovereenkomst en de pensioenen resteerden in het overigens lege Transportbedrijf, ter voldoening waarvan het Transportbedrijf, mede ten gevolge van de afstorting, volledig afhankelijk geworden was van een derde-bedrijf dat feitelijk net opgestart was, met een beginnend ondernemer en waarvan de financiële situatie op dat moment weinig ruimte bood. Onder die omstandigheden wist danwel behoorde [gedaagde] te weten dat door de afstorting [eiser] als schuldeiser benadeeld zou worden en had [gedaagde] er voorts ernstig rekening mee dienen te houden dat de vorderingen van [eiser] onbetaald zouden blijven. De rechtbank is van oordeel dat de afstorting onder die omstandigheden onrechtmatig was en tevens een onrechtmatig handelen oplevert van [gedaagde], in zijn hoedanigheid van bestuurder tevens bevoordeelde crediteur.

4.2. [eiser] stelt schade te hebben geleden door deze onrechtmatige daad, welke schade bestaat uit het door het Transportbedrijf niet voldoen aan het veroordelend vonnis. De hoogte van deze schade is door [gedaagde], anders dan het betwisten van de onrechtmatige daad zelf, niet weersproken zodat deze in beginsel kan worden toegewezen. De rechtbank stelt echter vast dat de schade ten gevolge van de hiervoor vastgestelde onrechtmatige daad maximaal het bedrag kan belopen dat gemoeid was met de afstorting van het pensioen van [gedaagde], bij comparitie onweersproken gesteld op EUR 183.000,--. Uit de vordering is niet zonder meer af te leiden –nu er mede sprake is van een veroordeling tot toekomstige periodieke betalingen- wanneer de betalingen deze grens overschrijden. [eiser] vordert voorts rente over een deel van het gevorderde bedrag. De rechtbank overweegt daaromtrent dat in beginsel eerst rente verschuldigd kan zijn vanaf de datum van het onrechtmatig handelen, welk is vastgesteld op de datum van afstorting van het pensioen van [gedaagde], te weten 9 april 2001. Weliswaar was op dat ogenblik met betrekking tot de stamrechtovereenkomst wel al een hoger bedrag verschuldigd aan [eiser] dan de hoofdsom (immers was er ook een deel rente op dat moment verschuldigd) maar dit is niet gespecificeerd zodat de rechtbank daar geen rekening mee kan houden. Nu er voorts sprake is van een veroordeling op grond van onrechtmatig handelen bestaat de schade wegens niet-betaling niet uit contractuele –immers niet tussen [eiser] en [gedaagde] overeengekomen- doch wettelijke rente.

De rechtbank is voorts van oordeel dat door [eiser] niet is gesteld of anderszins is gebleken dat de nevenveroordeling in het vonnis van 30 mei 2002 directe schade zijn van de door [gedaagde] op 9 april 2001 gepleegde onrechtmatige handeling.

De rechtbank zal bij de formulering van haar dictum met het vorenstaande rekening mee houden.

4.3. [eiser] vordert voorts veroordeling van [gedaagde] tot het verbeuren van dwangsommen indien hij nalatig blijft bij uitvoering van het vonnis. Gezien de standpunten van partijen en voorts gezien de houding van [gedaagde] in zijn hoedanigheid van bestuurder met betrekking tot deze vorderingen, zoals hiervoor geschetst, ziet de rechtbank daarin aanleiding deze –onweersproken- vordering toe te wijzen, waarbij zij de dwangsommen zal matigen en maximeren als hierna opgenomen.

4.4. [eiser] vordert [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in art. 706 Rv toewijsbaar. De beslagkosten worden begroot op EUR 282,04 voor verschotten en EUR 1.421,00 voor salaris procureur (1 rekest x EUR 1.421,00).

4.5. [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding EUR 84,87

- vast recht 3.495,00

- salaris procureur 2.842,00 (2,0 punten × tarief EUR 1.421,00)

Totaal EUR 6.421,87

in reconventie

4.6. [gedaagde] vordert in privé vergoeding van uit bodemvervuiling voortvloeiende schade van [eiser]. Door [eiser] is in dit verband onweersproken gesteld dat enig vorderingsrecht, daargelaten of dit daadwerkelijk bestaat, aan het Transportbedrijf zou behoren en niet aan [gedaagde] in privé. De rechtbank zal het gevorderde in reconventie reeds derhalve afwijzen.

4.7. [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- salaris procureur 2.842,00 (2,0 punten × factor 1,0 × tarief EUR 1.421,00)

Totaal EUR 2.842,00

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1. veroordeelt [gedaagde]

1. tot betaling van EUR 105.063,88, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 april 2001;

2. tot betaling van de reeds verschuldigde maandelijks uit te keren bedragen op basis van het pensioenbedrag EUR 53.911,45 en te veroordelen tot maandelijkse pensioenuitkering aan [eiser] onder overlegging van verificatoire bescheiden;

met dien verstande dat de betalingsverplichting van [gedaagde] op grond van de veroordelingen onder 1 en 2 niet meer kunnen bedragen dan EUR 183.000,--;

5.2. bepaalt dat [gedaagde] voor iedere dag dat hij in strijd handelt met het onder 5.1 bepaalde, aan [eiser] een dwangsom verbeurt van EUR 250,--, tot een maximum van EUR 150.000,--,

5.3. veroordeelt [gedaagde] in de beslagkosten, tot op heden begroot op EUR 1.703,04,

5.4. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op EUR 6.421,87, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de tweede dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.5. verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.6. wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

5.7. wijst de vorderingen af,

5.8. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op EUR 2.842,--, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.9. verklaart dit vonnis in reconventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M.J.F. Piëtte en in het openbaar uitgesproken op 2 april 2008.?