Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2008:BC8541

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
01-04-2008
Datum publicatie
03-04-2008
Zaaknummer
85677 JE RK 08-373
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Instemmingsvereiste artikel VII lid 3 wijzigingswet Wjz gesloten jeugdzorg.

De minderjarige verblijft op dit moment in een justitiële jeugdinrichting. Zij heeft niet ingestemd met de tenuitvoerlegging van de machtiging gesloten jeugdzorg in deze instelling. De kinderrechter begrijpt uit de reactie van de ouders dat zij alleen met deze plaatsing hebben ingestemd, nu er op korte termijn geen andere mogelijkheid is. Zij hebben wel bepleit dat deze plaatsing zo snel mogelijk wordt omgezet in een plaatsing in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg.

Gelet op de recente jurisprudentie hierover en in het bijzonder de uitspraak van het gerechtshof ’s Hertogenbosch d.d. 27 maart 2008, (LJN BC7808) de aanstaande reparatiewetgeving en de hiervoor weergegeven alarmerende zorgsignalen over [de minderjarige], die een gesloten plaatsing voor haar noodzakelijk maken, acht de kinderrechter, bij afweging van de persoonlijke belangen van de minderjarige, van groter belang dat de te verlenen machtiging thans ten uitvoer wordt gelegd in de justitiële jeugdinrichting De Hunnerberg, dan dat [de minderjarige] als gevolg van een strikte uitleg en handhaving van de momenteel op dit punt geldende, doch op korte termijn te wijzigen wetgeving verstoken zal blijven van de voor haar meest aangewezen verblijfsplek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROERMOND

Sector civielrecht

Zaak /rolnummer: 85677 / JE RK 08 373

Beschikking van 1 april 2008 betreffende een jeugdbeschermingsmaatregel

in de zaak van

[minderjarige], geboren te [geboorteplaats en -datum], hierna te noemen de minderjarige.

De kinderrechter merkt naast de minderjarige en verzoeker als belanghebbenden aan:

[moeder],

wonende te [woonplaats],

[adres],

[vader],

wonende te [woonplaats],

[adres],

Raad voor de Kinderbescherming,

wonende te 6040 AG Roermond,

Postbus 279.

Het ouderlijk gezag wordt uitgeoefend door de ouders [moeder] en [vader].

1. Het verloop van de procedure

1.1. De minderjarige is bij beschikking van 7 maart 2008 voorlopig onder toezicht gesteld van de Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg, mede kantoorhoudende te Venray, voor de termijn van drie maanden. Bij beschikking van 18 maart 2008 is de definitieve ondertoezichtstelling uitgesproken voor de termijn van een jaar, tot 18 maart 2009.

1.2. Bij beschikking van 7 maart 2008 verleende de kinderrechter tevens een voorlopige machtiging tot plaatsing van de minderjarige in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg voor de duur van twee weken. Ter terechtzitting van 18 maart 2008 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. De minderjarige is niet verschenen en gelet op voorhanden zijnde gedingstukken en de ernst van de situatie heeft de kinderrechter bij beschikking van 19 maart 2008 opnieuw een machtiging tot plaatsing in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg verleend voor de duur van twee weken.

1.2. De voornoemde stichting heeft op 27 maart 2008 een verzoekschrift met bijlage(n) ingediend, strekkende tot verlening van een machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg van voornoemde minderjarige.

1.3. Het plan van aanpak, het indicatiebesluit, en de verklaring van de stichting, zijn bij het verzoekschrift overgelegd.

1.4. De instemmingverklaring van de gedragswetenschapper gedateerd 31 maart 2008 is per fax d.d. 31 maart 2008 ter griffie van de rechtbank ingekomen.

1.5. De machtiging tot uithuisplaatsing wordt verzocht in het belang van de verzorging en de opvoeding van de minderjarige.

1.6. Aangezien de stichting machtiging heeft verzocht tot plaatsing van de minderjarige in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg, is aan de minderjarige als raadsman toegevoegd mr. J.L.M. Wissing, advocaat te Venlo.

1.7. Op 1 april 2008 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. De griffier heeft van de inhoud daarvan aantekening gehouden.

Bij de behandeling zijn verschenen:

de minderjarige, bijgestaan door haar advocaat mr. Wissing

[moeder],

[vader],

[raadsvertegenwoordiger], vertegenwoordigster van de Raad voor de Kinderbescherming,

[vertegenwoordiger stichting 1] en [vertegenwoordiger stichting 2], vertegenwoordigers van de stichting.

2. De vaststellingen en overwegingen

2.1. De heer [vertegenwoordiger stichting 2] heeft naar voren gebracht dat er zeer veel ernstige zorgen zijn rond [de minderjarige]. Laatstelijk kwam er een melding van de politie in Nijmegen over betrokkenheid van [de minderjarige] bij drugshandel en het feit dat zij herhaaldelijk gesignaleerd is in de Nijmeegse tippelzone. Ook ligt er een melding dat zij samen met een Marokkaanse jongen medewerkers van de stadsdienst heeft bedreigd. Gelet op het risico dat [de minderjarige] loopt moet zij in eerste instantie beschermd worden. Het is belangrijk dat er een persoonlijkheidsonderzoek wordt verricht om vast te kunnen stellen of en welke hulp [de minderjarige] nodig heeft.

2.2. Mevrouw [raadsvertegenwoordiger] heeft medegedeeld dat de raad het verzoek ondersteunt, gelet op de ernstige zorgen over [de minderjarige].

2.3. Mr. Wissing heeft naar voren gebracht dat [de minderjarige] bezwaar heeft tegen een plaatsing binnen een justitiële jeugdinrichting.

Voorts heeft de raadsman naar voren gebracht dat [de minderjarige] stelt dat de onderbouwing van het verzoekschrift niet klopt. Er zou geen sprake zijn van drugshandel, noch van prostitutie of loverboys. [de minderjarige] erkent dat zij hulp nodig heeft, maar dit kan volgens haar ook ambulant of binnen een open setting.

2.4 De ouders hebben aangevoerd dat zij zich ernstig zorgen maken over [de minderjarige] en ten einde raad zijn. Zij staan dan ook in beginsel achter de plaatsing. Hoewel de ouders moeite hebben met de plaatsing in een justitiële jeugdinrichting, zien zij in dat [de minderjarige] in eerste instantie beschermd dient te worden. Er moet echter zo spoedig mogelijk gestart worden met een behandeling in een gesloten behandelinrichting.

2.5. [de minderjarige] heeft buiten aanwezigheid van de overige belanghebbenden met de kinderrechter gesproken.

2.6. De kinderrechter stelt vast dat in de beschikking d.d. 18 maart 2008 de ondertoezichtstelling is verleend voor de duur van een jaar. De minderjarige wordt op 12 maart 2009 meerderjarig, zodat de ondertoezichtstelling slechts tot aan dat tijdstip ten uitvoer gelegd kan worden.

2.7. Op grond van de verkregen inlichtingen is de kinderrechter van oordeel dat gelet op het bepaalde in artikel 29b, derde lid, van de Wet op de jeugdzorg plaatsing in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg van de minderjarige vereist is wegens ernstige opgroei of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren. Bovendien is deze plaatsing noodzakelijk om te voorkomen dat de minderjarige zich aan de zorg die de minderjarige nodig heeft zal onttrekken of daaraan door anderen zal worden onttrokken.

De kinderrechter overweegt het volgende.

De voorlopige ondertoezichtstelling en de voorlopige machtiging voor een gesloten plaatsing zijn verleend op grond van signalen dat het zeer slecht ging met [de minderjarige] en dat zij zich bevond in een situatie waarin minderjarigen niet mogen komen te verkeren. Daarnaast is de kinderrechter van oordeel dat de ontwikkeling van [de minderjarige] ernstig bedreigd wordt hetgeen uit de volgende feiten en omstandigheden en zorgsignalen blijkt die de kinderrechter onder meer ook ambsthalve vanuit zijn functie als kinderstrafrechter bekend zijn:

- het feit dat [de minderjarige] recent diverse ernstige strafbare feiten heeft gepleegd, waarvoor zij recent ook is veroordeeld;

- de berichtgeving van Bureau Jeugdzorg in de recente strafzaak tegen [de minderjarige];

- het feit dat [de minderjarige] op de dag van de strafzitting geen dak meer boven haar hoofd had en dat zij eerder zowel bij moeder, bij vader als bij haar broer buiten de deur was gezet;

- dat [de minderjarige] al langere tijd niet meer naar school gaat, geen enkel diploma heeft en geen uitzicht heeft op werk;

- dat uit de nood geboren de vader [de minderjarige] weer toegang tot zijn huis heeft verleend, maar dat [de minderjarige] slechts sporadisch overdag in zijn woning verblijft om daar te slapen, terwijl zij niet heeft willen zeggen waar en hoe zij de nachten doorbrengt;

- het feit dat [de minderjarige] dus een verstoord dag en nachtritme heeft;

- het feit dat [de minderjarige] eerder toezeggingen gedaan heeft om mee te weken aan de hulpverlening, maar dat zij die toezeggingen uiteindelijk telkens niet na blijkt te komen;

- het feit dat de ouders feitelijk geen enkel gezag meer over [de minderjarige] hebben nu [de minderjarige] zich daar consequent aan onttrekt, met haar geen enkele afspraak te maken valt, daar zij afspraken gewoon niet nakomt en zij wegloopgedrag vertoont.

Al deze zorgsignalen tesamen leiden volgens de kinderrechter tot de conclusie dat het met [de minderjarige] steeds verder bergafwaarts gaat en dat het noch haar ouders noch Bureau Jeugdzorg de afgelopen periode is gelukt de bedreiging van haar ontwikkeling een halt toe te roepen. [de minderjarige] zegt weliswaar dat zij hulp nodig heeft en bereid is die te aanvaarden doch stelt daaraan nadrukkelijk haar eigen voorwaarden. Door haar gedrag geeft zij echter te kennen niet werkelijk open te staan voor hulpverlening.

De kinderrechter acht het noodzakelijk dat er zo spoedig mogelijk een persoonlijkheidsonderzoek wordt verricht, zodat duidelijk wordt of en zo ja welke behandeling [de minderjarige] nodig heeft; [de minderjarige] dient daarna zo snel mogelijk in een daartoe geëigende accommodatie voor gesloten jeugdzorg te worden geplaatst en zonodig behandeld.

Instemmingsvereiste

[de minderjarige] verblijft op dit moment in een justitiële jeugdinrichting. Zij heeft niet ingestemd met de tenuitvoerlegging van de machtiging gesloten jeugdzorg in deze instelling. De kinderrechter begrijpt uit de reactie van de ouders dat zij alleen met deze plaatsing hebben ingestemd, nu er op korte termijn geen andere mogelijkheid is. Zij hebben wel bepleit dat deze plaatsing zo snel mogelijk wordt omgezet in een plaatsing in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg.

Gelet op de recente jurisprudentie hierover en in het bijzonder de uitspraak van het gerechtshof ’s Hertogenbosch d.d. 27 maart 2008, de aanstaande reparatiewetgeving en de hiervoor weergegeven alarmerende zorgsignalen over [de minderjarige], die een gesloten plaatsing voor haar noodzakelijk maken, acht de kinderrechter, bij afweging van de persoonlijke belangen van [de minderjarige], van groter belang dat de te verlenen machtiging thans ten uitvoer wordt gelegd in de justitiële jeugdinrichting De Hunnerberg, dan dat [de minderjarige] als gevolg van een strikte uitleg en handhaving van de momenteel op dit punt geldende, doch op korte termijn te wijzigen wetgeving verstoken zal blijven van de voor haar meest aangewezen verblijfsplek.

2.8. Aan deze plaatsing zijn kosten verbonden, in welke kosten de ouders dienen bij te dragen, conform de daarvoor geldende regeling.

3. De beslissing

De kinderrechter

3.1. verleent machtiging tot plaatsing van de minderjarige in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg als bedoeld in artikel 29b van de Wet op de jeugdzorg, voor de duur van een jaar, tot uiterlijk 2 april 2009;

3.2. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven door mr. R.H.A.M. Beaumont, kinderrechter, en ter openbare terechtzitting van 1 april 2008 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.