Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2008:BC7846

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
20-03-2008
Datum publicatie
27-03-2008
Zaaknummer
43554
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

BOPZ - voorlopige machtiging - latente gevaarzetting - geen vrijwilige opname

Wetsverwijzingen
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen 2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BJ 2008/38

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector civielrecht

Zaaknummer: 43554

Beschikking van 20 maart 2008 betreffende wet Bopz

in de zaak van:

[betrokkene],

geboren op [geboortedatum],

wonende te [woonplaats], [adres],

verblijvende in het [A] Ziekenhuis te [woonplaats].

1. De procedure

1.1. Op 6 maart 2008 is door de officier van justitie bij de rechtbank een verzoek gedaan tot het verlenen van een voorlopige machtiging tot het doen voortduren van het verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis.

1.2. Bij dit verzoekschrift zijn stukken overgelegd, waaronder een geneeskundige verklaring als bedoeld in artikel 5 Wet BOPZ, met daarbij gevoegd een afschrift van het behandelingsplan en van het bericht over de stand van uitvoering daarvan.

1.3. Op 7 maart 2008 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De griffier heeft daarvan aantekening gehouden.

Tijdens deze behandeling zijn gehoord:

- betrokkene, bijgestaan door de advocaat mr. F.A. Dronkers;

- de psychiater [B].

De rechtbank heeft de beslissing op het verzoek van de officier van justitie aangehouden tot 20 maart 2008, teneinde de moeder van betrokkene, de RIAGG-psychiater Van Molkot en de huisarts van betrokkene te kunnen horen over het verzoek.

Op 20 maart 2008 is de mondelinge behandeling voortgezet. De griffier heeft van de inhoud daarvan aantekening gehouden.

Tijdens deze behandeling zijn gehoord:

- betrokkene, bijgestaan door de advocaat mr. F.A. Dronkers;

- de psychiater [B];

- de psychiater van de RIAGG [C];

- de huisarts [D];

- de moeder van betrokkene.

2. De vaststellingen en overwegingen

2.1. Betrokkene is sinds kort op vrijwillige basis na een crisisinterventie opgenomen op de PAAZ-afdeling van het [A] Ziekenhuis te [woonplaats].

Op 4 maart 2008 heeft de psychiater [E], die de betrokkene kort tevoren heeft onderzocht, maar niet bij diens behandeling betrokken was, een schriftelijke geneeskundige verklaring over betrokkene afgegeven. Zijn diagnose luidt: recidiverend ernstig geagiteerd depressief toestandsbeeld naast langer bestaande waanstoornis met achtervolgingskarakter bij een 38-jarige thuiswonende man, bekend met een gemengde persoonlijkheidsstoornis met afhankelijke, paranoïde en narcistische kenmerken. Er is sprake van een symbiotische relatie (met zijn moeder) met langer bestaand huiselijk geweld, dat nu escaleert met moord-/zelfmoordrisico.

Volgens de rapporterend psychiater [E] bestaat het gevaar erin, dat betrokkene in stressvolle situaties zijn door narcistische krenkingen en door achterdocht gevoede woede op zijn moeder richt (dreiging en mishandeling) of op zichzelf (euthanasiewens), dan wel dat hij thuis vernielingen aanricht. Daarbij is onder meer sprake van gevaar voor verdere maatschappelijke teloorgang, escalatie van huiselijk geweld en zelfmoord. Ook bestaat er gevaar voor de psychische gezondheid van anderen, met name voor die van moeder van betrokkene. Betrokkene heeft op 4 maart 2008 in het bijzijn van een verpleegkundige zijn moeder mishandeld en haar met de dood bedreigd, haar kleding gescheurd en haar buitengesloten, huisraad vernield en deuren in huis kapotgeschopt. De moeder van betrokkene vertoont tevens de sporen van oudere mishandelingen.

Eind januari 2008 is er eveneens bij betrokkene een dergelijke crisisinterventie geweest naar aanleiding van een soortgelijke crisismelding.

Na de crisisinterventie was betrokken bereid zich vrijwillig op te laten nemen, waarmee het acute gevaar werd afgewend. De psychiater is van oordeel dat niet-acuut gevaar blijft bestaan, wanneer betrokkene binnen afzienbare tijd weer naar huis terug zou keren, omdat voorspelbaar is dat na korte tijd alle motivatie, om aan een behandeling en stucturerende hulpverlening mee te werken, zal verdwijnen. Om dit gevaar af te wenden acht de psychiater een voorlopige machtiging noodzakelijk.

2.2. De psychiater [B] heeft ter terechtzitting gesteld, dat hij betrokkene al geruime tijd als patiënt ambulant heeft behandeld. Vanwege de symbiotische relatie heeft de psychiater patiënts moeder nauw bij de behandeling betrokken.

Betrokkene is niet in staat geweest behandelafspraken en afspraken met betrekking tot medicatie op vrijwillige basis gedurende enige tijd na te komen. Betrokkene ondervond daarbij bij voortduring hinder van zijn beleving van maatschappelijke en financiële mislukking, zijn vermeende miskenning door zijn naaste omgeving, de uiteenlopende rechtszaken waarin hij verwikkeld raakt(e), de vele (niet betaalde) verkeersboetes, zijn voortdurende herbelevingen van hem in het verleden aangedane krenkingen en geweldadigheden. De behandeling op vrijwillige basis heeft tot nog toe geen enkel resultaat afgeworpen, hetgeen de psychiater wijt aan de door hem geschetste omstandigheden. De behandelaar ziet onder invloed daarvan geen mogelijkheden meer tot een succesvolle voortzetting van de feitelijke behandeling van betrokkene op ambulante basis. Daarnaast heeft de psychiater [B] zijn zorgen geuit over de escalatie van geweldsuitingen bij betrokkene, die hij tijdens de behandelgesprekken heeft waargenomen.

Een vrijwillige opname en behandeling van betrokkene acht de psychiater niet mogelijk, nu betrokkene weliswaar heeft aangeboden zich vrijwillig te laten opnemen, doch daarbij onmiddellijk een aantal voorwaarden heeft gesteld, die grenzen stellen aan die vrijwilligheid. Zijns inziens biedt een gedwongen opname de enige nog resterende optie voor een kans op een behandeling die aanslaat.

2.3. De psychiater van de RIAGG [C] heeft gesteld dat in crisisomstandigheden tot nog toe het acute gevaar, afkomstig van betrokkene, steeds is kunnen worden afgewend, doch dat zich latent gevaar voordoet in de vorm van ernstig acting-out gedrag en impulsdoorbraken, zoals hiervoor omschreven in de geneeskundige verklaring en geuit door de psychiater [B]. Dit latente gevaar kan plotseling omslaan in acuut gevaar, waarbij een futiele aanleiding luxerend kan werken. De RIAGG-psychiater ziet alleen nog een opname in gedwongen kader als een mogelijkheid om dit gevaar thans af te wenden.

2.4. De huisarts van betrokkene en van diens moeder, [D], heeft aangevoerd dat hij betrokkene en diens moeder reeds vele jaren als patiënt in zijn praktijk kent. Hij is toenemend bezorgd om de steeds sneller terugkerende crises van betrokkene. Ook hij heeft geweldsuitbarstingen van betrokkene meegemaakt en maakt zich grote zorgen over het in ernst toenemend gewelddadig aspect daarvan. Hij is van mening dat de moeder van betrokkene het gevaar dat betrokken voor haarzelf vormt en het tegen haar aangewende geweld dissimuleert. In dat kader stemt hem bijzonder tot zorg dat betrokkene tegenover hem uitingen heeft gedaan over het vermoorden van zijn moeder en het daarna plegen van suïcide. De huisarts is van mening dat betrokkene op momenten van hevig gevoelde stress niet meer in staat is explosief gedrag te vermijden. Vrijwillig daarover gemaakte afspraken kan betrokkene dan niet langer gestand doen.

2.5. De moeder van betrokkene heeft gezegd dat betrokkene veel pech heeft ondervonden in zijn leven. Het zou haar vurige wens zijn, dat haar zoon zijn studie zou kunnen afmaken en een eigen leven zou kunnen leiden. Zij is bereid veel van haar zoon door de vingers te zien, omdat hij het zijn hele leven al zo moeilijk heeft gehad. Zij heeft gezegd zelf sterk genoeg te zijn om veel van haar zoon te verdragen. Zij heeft gezegd niet werkelijk bang te zijn voor haar zoon. Zij heeft erkend dat zij een keer door haar zoon is mishandeld. Ermee geconfronteerd, dat zij wel vaker door haar zoon is mishandeld, heeft zij zulks niet tegengesproken.

Zij voorziet dat een machtiging tot gedwongen opname van haar zoon als weer een nieuwe krenking van zijn gevoel van eigenwaarde door hem zal worden ervaren.

2.6. Betrokken heeft gezegd dat hij een punt wil zetten achter al hetgeen in het verleden is voorgevallen. Hij wil vooruit zien, zijn studie weer opnemen of een andere studie gaan beginnen en een normaal leven gaan leiden. Hij heeft gezegd bereid te zijn om enkele weken opgenomen te blijven, maar 15 april as. zegt hij voldoende hersteld te zullen zijn om zijn leven weer te kunnen oppakken. Hij zal daarbij zeker luisteren naar de psychiater [B], in wie hij al jaren het grootste vertrouwen heeft. Hij geeft toe dat hem tot nog toe niet is gelukt zijn problemen te boven te komen. Dat gaat vanaf nu echter veranderen. Een machtiging tot gedwongen opname vindt betrokken voor hem niet nodig.

2.7 De rechtbank constateert dat vaststaat dat betrokkene lijdend is aan een stoornis van zijn geestvermogens, zoals onder andere gediagnostiseerd in de hiervoor aangehaalde medische verklaring van de psychiater [E].

De laatste maanden is er bij betrokkene onder invloed van impulsdoorbraken gepaard gaande met contoleverlies steeds vaker sprake van ernstige geweldsdreiging gericht op de moeder van betrokkene. Enkele keren is er sprake geweest van feitelijke mishandelingen van de moeder. Gelet op de suïcidale uitingen van betrokkene tijdens crisissituaties, vergezeld van uitspraken dat betrokkene ook zijn moeder zal ombrengen, is de rechtbank van oordeel dat betrokkene momenteel een, weliswaar latent, gevaar vormt voor zichzelf en het leven van zijn moeder, dat echter plotseling, onverwacht en niet te voorspellen kan omslaan in een acute gevaarzetting. De rechtbank is er tevens van overtuigd, dat er door het reeds jaren bij betrokkene bestaand toestandsbeeld, mede gelet op de escalatie van recente geweldsuitbarstingen en de toename van de crisissituaties, die elkaar met steeds kortere tijdsruimten opvolgen, het gevaar bestaat dat de moeder van betrokkene daarvan nadeel zal ondervinden voor haar psychische spankracht en gezondheid.

De rechtbank gaat voorbij aan het aanbod van betrokkene om zich vrijwillig te laten opnemen ter behandeling. In het verleden is betrokkene niet in staat geweest om tot constructieve afspraken te komen in het kader van een ambulante psychiatrische behandeling. Bovendien heeft betrokkene zijn aanbod tot vrijwillige opname zodanig geclausuleerd, door zelf het einde van de door hem gewenste opnameduur aan te geven, dat de rechtbank daaruit niet kan opmaken dat betrokken bereid is de noodzakelijke opname te ondergaan voor een periode die naar de inzichten van zijn behandelaars aangewezen is.

Op grond van de voormelde stukken en verhoren is de rechtbank tot de overtuiging gekomen dat

- betrokkene gestoord is in zijn geestvermogens;

- de stoornis van de geestvermogens de betrokkene gevaar doet veroorzaken;

- het gevaar niet door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis kan worden afgewend;

- betrokkene geen blijk geeft van de nodige bereidheid tot vrijwillig verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis.

2.8 De rechtbank neemt de betreffende artikelen van de Wet bijzondere opnemingen psychiatrische ziekenhuizen in aanmerking.

3. De beslissing

De rechtbank:

3.1 verleent voorlopige machtiging om het verblijf van betrokkene in het

[A] Ziekenhuis te [woonplaats], dan wel in een ander psychiatrisch ziekenhuis te doen voortduren voor de duur van maximaal zes maanden, ingaande op 20 maart 2008 en eindigende op 20 september 2008.

Deze beschikking is gegeven op 20 maart 2008 door mr. R.H.A.M. Beaumont, lid van de enkelvoudige kamer voor de behandeling van burgerlijke zaken van de rechtbank Roermond, in tegenwoordigheid van de griffier.

Ondertekening

Plaats Roermond Datum 20 maart 2008

Handtekening