Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2008:BC7772

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
26-03-2008
Datum publicatie
27-03-2008
Zaaknummer
04/610123-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

T.b.v. de leesbaarheid van het vonnis hierbij de "rol" van de diverse verdachten in het feitencomplex:

verdachte 1: initiatiefnemer

verdachte 2: schutter

verdachte 3: chauffeur

verdachte 4: leverancier van wapen

verdachte 5: tipgever

verdachte 6: bemiddelaar

Officier van Justitie acht bewezen medeplegen van gekwalificeerde doodslag en eist 18 jaar gevangenisstraf.

Rechtbank acht bewezen poging tot diefstal met geweldpleging, gepleegd door twee of meer verenigde personen en de dood tot gevolg hebbend, en veroordeelt verdachte tot 9 jaar gevangenisstraf.--

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Parketnummer : 04/610123-06

Uitspraak d.d. : 26 maart 2008

TEGENSPRAAK

VONNIS

van de rechtbank Roermond,

meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

naam : [verdachte 1]

voornamen : [voornaam verdachte 1]

geboren op : [geboortedatum en plaats]

adres : [adres]

plaats : [woonplaats]

thans gedetineerd in P.I. Zuid Oost, HvB Roermond, Keulsebaan 530, Roermond.

1. Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 22 november 2007, 31 januari 2008 en 12 maart 2008.

2. De tenlastelegging

De [verdachte 1] staat na een nadere omschrijving van de tenlastelegging terecht ter zake dat:

hij in of omstreeks de nacht van 6 op 7 juli 2002, in elk geval in de maand

juli 2002, te Milsbeek, in elk geval in de gemeente Gennep, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, bestaande uit het met dat opzet, tezamen en in vereniging met zijn mededader(s), althans alleen, met een pistool, in elk geval met een vuurwapen, schieten van een of meer kogel(s) in het lichaam van die [slachtoffer], althans met een pistool, in elk geval met een vuurwapen, afvuren van een of meer kogel(s) in de richting van die [slachtoffer] waardoor deze in het lichaam werd getroffen, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden, welke vorenomschreven doodslag toen en aldaar werd gevolgd en/of vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten het medeplegen of plegen van een poging tot diefstal door middel van braak en/of inklimming, van een hoeveelheid geld van die [slachtoffer], en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of aan de andere deelnemer(s) straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren; (artikel 288 van het Wetboek van Strafrecht)

Althans indien terzake het vorenstaande onder geen veroordeling zou volgen:

hij in of omstreeks de nacht van 6 op 7 juli 2002, in elk geval in de maand juli 2002, te Milsbeek, in elk geval in de gemeente Gennep, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, bestaande uit het met dat opzet, tezamen en in vereniging met zijn mededader(s), althans alleen, met een pistool, in elk geval met een vuurwapen, schieten van een of meer kogel(s) in het lichaam van die [slachtoffer], althans met een pistool, in elk geval met een vuurwapen, afvuren van een of meer kogel(s) in de richting van die [slachtoffer] waardoor deze in het lichaam werd getroffen, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden; (artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht)

althans indien terzake al het vorenstaande geen veroordeling zou volgen:

hij in of omstreeks de nacht van 6 op 7 juli 2002, in elk geval in de maand juli 2002, te Milsbeek, in elk geval in de gemeente Gennep, ter uitvoering van het door [verdachte 1] voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een woning gelegen aan de [adres slachtoffer] weg te nemen een hoeveelheid geld, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan [verdachte 1] en zich daarbij de toegang tot die woning te verschaffen door middel van braak en/of inklimming, met dat oogmerk tezamen en in vereniging met zijn mededader(s), alt hans alleen, een ruit van een raam van die woning heeft stukgegooid, in elk geval heeft stukgemaakt, en via dat raam naar binnen is geklommen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, welke poging tot diefstal werd vergezeld en/of gevolgd van geweld tegen die [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld bestond uit het tezamen en in vereniging met zijn mededader(s), althans alleen, met een pistool, in elk geval met een vuurwapen, schieten van

een of meer kogel(s) in het lichaam van die [slachtoffer], althans met een pistool, in elk geval met een vuurwapen, afvuren van een of meer kogel(s) in de richting van die [slachtoffer] waardoor deze in het lichaam werd getroffen, terwijl het feit de dood van voornoemde [slachtoffer] ten gevolge had;(artikel 312 jo 45 van het Wetboek van Strafrecht)

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De [verdachte 1] is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3. De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4. De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5. De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen.

6. Schorsing der vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

7. Bewijsoverwegingen

7.1 Standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 12 maart 2008 gevorderd dat het primair ten laste gelegde feit, het medeplegen van gekwalificeerde doodslag, zal worden bewezen verklaard.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de [verdachte 1] dient te worden vrijgesproken van het primair en het subsidiair ten laste gelegde feit. Het meer subsidiair ten laste gelegde feit kan worden bewezen verklaard, doch slechts als een poging tot gekwalificeerde diefstal zonder geweld.

7.2 Bewijsmiddelen en overwegingen van de rechtbank

Met betrekking tot de bewezenverklaring zal de rechtbank eerst de feitelijke gang van zaken alsmede de door haar te gebruiken bewijsmiddelen vermelden en daarna vermelden tot welke bewezenverklaring dit naar oordeel van de rechtbank dient te leiden.

Tijdens de terechtzitting verklaart [verdachte 1] dat hij al langere tijd financiële zorgen had en dat hij in het voorjaar 2002 informatie kreeg dat bij het latere slachtoffer [slachtoffer], wonende [adres slachtoffer] te Milsbeek mogelijk een grote hoeveelheid geld aanwezig was. Nadat hij besloten had om daar dat geld weg te nemen, probeert hij enkele malen, alleen dan wel samen met een ander, daar in te breken. Verdachte benadert zijn vriend en medeverdachte [verdachte 3] met het voorstel om samen met hem daar in te breken.

Daarna komen hij en [verdachte 3] via een derde in contact met [verdachte 2]. In de voorbespreking tussen [verdachte 2], [verdachte 3] en [verdachte 1] wordt afgesproken dat er zal worden ingebroken als de bewoner niet thuis is en dat er een wapen wordt meegenomen om, in het geval de bewoner onverhoopt toch thuis zou zijn, deze daarmee zo nodig in bedwang te houden en om de eventueel in de woning aanwezige honden van zich af te houden.

Op de avond van 6 juli 2002 komt [verdachte 2] [verdachte 1] en [verdachte 3] ophalen en rijden zij gezamenlijk met de auto van [verdachte 2], die door [verdachte 3] wordt bestuurd, naar het pand [adres slachtoffer] te Milsbeek. Daar aangekomen blijft [verdachte 3] bij de auto en gaan [verdachte 2], die een pistool bij zich heeft, en [verdachte 1] naar de woning toe. Verdachte weet dat [verdachte 2] het geladen pistool bij zich draagt. De ruit van een kamerraam van de woning wordt met een steen ingegooid. Nadat de glasresten uit de sponning van het raam zijn verwijderd, gaan beiden via de ontstane opening in het raam de woning binnen, waarbij [verdachte 1] als eerste de woning betreedt. Kort nadat beiden in de woning zijn, ziet [verdachte 1] in een ooghoek een persoon en direct hierna hoort hij een knal. Op dat moment staat [verdachte 2] achter hem, [verdachte 1]. Hij ziet eerder bedoelde persoon in elkaar zakken en hij verlaat direct weer de woning via de eerder vermelde opening in het raam, zonder dat hij iets uit die woning meeneemt. Volgens [verdachte 1] zou ieder zijn deel van de buit krijgen.

Medeverdachte [verdachte 3] verklaart tegenover de politie onder meer dat hij in mei 2002 door zijn vriend [verdachte 1] is benaderd om samen met hem een inbraak te plegen bij boer [slachtoffer] in Milsbeek; daar zou snel veel geld worden weggenomen.

Omdat [verdachte 3], die weet dat [verdachte 1] geldproblemen heeft, niet durft in te breken en [verdachte 1] er iemand bij wil hebben, benadert [verdachte 3] een vriend van hem en vraagt deze om mee te gaan inbreken. Deze vriend weigert waarna [verdachte 3] en [verdachte 1] via deze vriend in contact komen met [verdachte 2]. In het daaropvolgende gesprek tussen [verdachte 3], [verdachte 2] en [verdachte 1] bespreken zij de inbraak, onder meer de te dragen kleding en bepaalt [verdachte 1] dat [verdachte 3] als chauffeur zal optreden.

Hierna wordt de locatie gezamenlijk geobserveerd.

Omdat volgens [verdachte 1] boer [slachtoffer] in de nacht van 6 op 7 juli 2002 niet thuis zou zijn, wordt besloten die nacht in te breken. Zij rijden gezamenlijk naar de woning van [slachtoffer], waarbij [verdachte 3] optreedt als chauffeur. Bij de woning aangekomen, verlaten [verdachte 2] en [verdachte 1] de auto. [verdachte 1] heeft een schroevendraaier en een koevoet bij zich en [verdachte 2] een pistool met een geluiddemper. [verdachte 3] ziet dat de schutter een wapen met demper meeneemt naar de boerderij. Hierna gaan [verdachte 1] en [verdachte 2] naar de woning en blijft [verdachte 3] in de auto wachten en rijdt in de buurt wat rond in afwachting van een telefoontje van [verdachte 1]. Na enige tijd belt [verdachte 1] met het verzoek hen op te halen. Nadat beiden in de auto zijn gestapt, zegt [verdachte 1] dat het helemaal uit de hand is gelopen. Verder verklaart [verdachte 3] nog dat in de voorbespreking is gesproken over het regelen van een wapen. Ook heeft hij tegenover de politie verklaard dat hij wist dat [verdachte 2] een geladen pistool bij zich had op het moment dat hij stopte om [verdachte 1] en [verdachte 2] te laten uitstappen om naar de boerderij te gaan.

[verdachte 3] verklaart ook dat ieder een deel van de buit zou krijgen .

Bij de inbraak is ook betrokken geweest [verdachte 2]. Deze verklaart tegenover de politie onder meer het volgende.

Ongeveer een week vóór 6 juli 2002 spreekt hij met [verdachte 1] en [verdachte 3] over het meenemen van een wapen bij de inbraak bij boer [slachtoffer] te Milsbeek alwaar veel geld zou liggen. [verdachte 1] kent het adres en weet waar het geld ligt. Afgesproken wordt wat wordt meegenomen waaronder het geladen pistool, dat [verdachte 3] rijdt en dat hij, [verdachte 2], en [verdachte 1] naar binnen zullen gaan. In de nacht van 6 op 7 juli 2002 gaat hij samen met hen naar de woning van boer [slachtoffer]. Meegenomen worden een koevoet, een schroevendraaier en een pistool. [verdachte 1] vertelt dat er niemand thuis zou zijn. Daar aangekomen proberen [verdachte 1] en hij de deur te openen. Omdat dat niet lukt, gaan zij naar de zijkant van de woning en slaan een ruit in. [verdachte 1] gaat als eerste door het ontstane gat naar binnen, gevolgd door hem, [verdachte 2]. Als hij binnen is, ziet hij plotseling een man met iets op zich afkomen, waarna hij, [verdachte 2], op korte afstand van die man een schot lost. Hij ziet die man wegduiken / wegzakken. [verdachte 1] verlaat hierop meteen de woning via het eerder genoemde gat waarna hij, [verdachte 2], [verdachte 1] volgt zonder iets mee te nemen. Later die nacht brengt hij het wapen weer naar medeverdachte [verdachte 4] terug, van wie hij dit tevoren had geleend.

Verder is in het dossier aanwezig het proces-verbaal van bevindingen opgemaakt door de verbalisanten Bettinger en Gommans . Verbalisanten relateren dat zij op 7 juli 2002 te 09.17 uur bij het perceel [adres slachtoffer] te Milsbeek aankomen en dat zij daar in het perceel het levenloze lichaam van [slachtoffer] aantreffen, waarna zij de status quo hebben gehandhaafd.

In het dossier is ook aanwezig het proces-verbaal van bevindingen opgemaakt door de verbalisant N.H. Reurink . Verbalisant Reurink relateert dat hij op 7 juli 2002 te 10. 25 uur in het pand [adres slachtoffer] te Milsbeek het stoffelijk overschot van de man die aldaar dood was aangetroffen in beslag heeft genomen. Omstreeks 20.45 uur is toestemming gegeven het stoffelijk overschot over te brengen naar een plaats van onderzoek, waarna het stoffelijk overschot voor nader onderzoek is overgedragen aan H. ter Borg en K. Kijk in de Vegte van de afdeling technische ondersteuning. Hierna is het stoffelijk overschot vervoerd naar het mortuarium te Venlo.

Op 8 juli 2002 is door G. van Ingen, arts en patholoog, als beëdigd deskundige, in het Nederlands Forensisch Instituut te Rijswijk de uit- en inwendige schouwing verricht van het lijk van [slachtoffer], geboren [geboortedatum en plaats slachtoffer], gewoond hebbende te Milsbeek, [adres slachtoffer] en aldaar dood aangetroffen op 7 juli 2002 omstreeks 08.30 uur. In dat rapport relateert de arts dat hij van verbalisant Gommans van de regiopolitie Limburg het lijk van [slachtoffer] voornoemd heeft ontvangen en dat hij na de schouw het lijk weer aan die verbalisant heeft teruggegeven.

In zijn samenvatting relateert arts Van Ingen dat hem bij de sectie op het lijk van [slachtoffer] voornoemd onder meer is gebleken dat er twee inschotkanalen zijn waarvan één met inschotopening aan de linkerhand en één met inschotopening aan de borst. In het schotkanaal met inschotopening aan de borst, is een beschadiging van een grote ader in het middenschot. Verder is gebleken van circa 2800 cc bloed in de rechterborstholte, bloeding in weefsels rond het schotkanaal en tekenen van inademing van bloed.

Het schotkanaal door de linkerhand kon in één lijn gebracht worden met het schotkanaal door de romp. Derhalve past het beeld bij geraakt worden door tenminste één kogel en ten hoogste twee kogels. Blijkens de bloedingen in de rechterborstholte zijn de verwondingen bij leven opgelopen. Het oplopen van de schotverwonding met inschotopening aan de borst (en uitschotopening aan de rug) heeft de dood tot gevolg gehad, op basis van orgaan- en weefselbeschadiging van onder meer een grote ader in het middenschot, met daardoor ernstig bloedverlies.

Conclusie

[slachtoffer] heeft schotverwondingen aan hand en borst opgelopen met beschadiging van een groot bloedvat. Het oplopen van deze schotverwondingen heeft de dood tot gevolgd gehad.

Volgens het proces-verbaal onderzoek slachtoffer en lijkschouw is het tijdstip van overlijden vermoedelijk gelegen tussen 6 juli 2002 omstreeks 18.06 uur en 6 juli 2002 omstreeks 23.54 uur.

Op 9 juli 2002 wordt het stoffelijk overschot van [slachtoffer], geboren op [geboortedatum en plaats slachtoffer] en gewoond hebbende te Milsbeek, [adres slachtoffer] getoond aan respectievelijk [slachtoffer] en [nabestaande 2] verklaart daarna dat het stoffelijk lichaam dat hij zojuist heeft gezien het stoffelijk lichaam is van zijn broer [slachtoffer] die aan de [adres slachtoffer] te Milsbeek heeft gewoond. [nabestaande 2] verklaart dat het stoffelijk overschot dat zij zojuist heeft gezien het stoffelijk overschot is van haar zwager [slachtoffer], die op de [adres slachtoffer] te Milsbeek heeft gewoond.

Op grond van deze bewijsmiddelen komt de rechtbank tot de conclusie dat [slachtoffer] is overleden ten gevolge van de schotverwondingen die hij had opgelopen ten gevolge van het schieten door [verdachte 2].

De officier van justitie heeft gevorderd dat het primair ten laste gelegde, te weten het medeplegen van de gekwalificeerde doodslag, bewezen zal worden verklaard. Echter uit de aan de rechtbank ter beschikking staande bewijsmiddelen komt de rechtbank niet tot de conclusie dat het doodschieten van [slachtoffer] is geschied met het oogmerk om de geplande diefstal -kort gezegd- te faciliteren zoals bedoeld in artikel 288 van het Wetboek van Strafrecht.

Weliswaar is er de verklaring van [verdachte 1] dat hij en zijn medeverdachten nu ook daadwerkelijk de diefstal wilden doorzetten of [slachtoffer] thuis was of niet. Die verklaringen gaan echter niet verder dan het voornemen [slachtoffer] zo nodig onder schot te houden, om hem bang te maken, teneinde alsdan naar het veronderstelde geld te kunnen zoeken. Niet blijkt dat er afspraken waren gemaakt om daadwerkelijk geweld tegen [slachtoffer] toe te passen.

Bovendien heeft [verdachte 1] een dergelijk voornemen ter terechtzitting uitdrukkelijk ontkend en daarbij ter onderbouwing uitdrukkelijk verwezen naar de feitelijke gang van zaken voorafgaand aan het geweld, namelijk het maken van veel lawaai door het ingooien van een ruit en het feit dat hij de ongewapende [verdachte 1] als eerste door het raam naar binnengeklommen is. Medeverdachte [verdachte 2] heeft tegenover de politie soortgelijk verklaard.

Ook de rechtbank komt het op grond van die gang van zaken en de verklaring ter zitting van [verdachte 1] aannemelijk voor dat [verdachte 1] tot de conclusie is gekomen dat de bewoner [slachtoffer] niet thuis was en [verdachte 1] en zijn medeverdachte [verdachte 2] daarop een ruit met een stoeptegel hebben ingegooid, waarna de ongewapende [verdachte 1] eerst naar binnen is geklommen en vervolgens pas de gewapende [verdachte 2]. Vervolgens zijn ze verrast door het verschijnen van [slachtoffer].

De rechtbank is dan ook van oordeel dat [verdachte 1] van het medeplegen van het primair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt in dit kader nog dat zij met name geen bewijs voorhanden acht voor het door de officier van justitie geschetste scenario dat de kogel die in het kastje van de bijkeuken is aangetroffen eigenlijk [slachtoffer] had moeten raken teneinde er zeker van te zijn dat deze het niet zou overleven. Het lichaam van [slachtoffer] lag weliswaar onder het schootsveld van deze kogel, maar geenszins blijkt uit de in het dossier aanwezige informatie dat die kogel is afgevuurd toen [slachtoffer] daar al zat dan wel lag. In het dossier bevinden zich daarentegen wel aanwijzingen dat [slachtoffer] nadat hij was geraakt nog door de woning heeft gelopen waarna hij uiteindelijk in de bijkeuken in elkaar is gezakt en aldaar is overleden.

De rechtbank acht evenmin wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan [verdachte 1] subsidiair is ten laste gelegd, kort gezegd het medeplegen van doodslag. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende. Medeplegers kunnen alleen worden gestraft voor elkaars gedragingen voor zover deze binnen hun gezamenlijk (voorwaardelijk) opzet kunnen worden gebracht. Dit (voorwaardelijk) opzet van de medepleger moet zowel zijn gericht op de gedraging als de dood van het slachtoffer. Een dergelijk (voorwaardelijk) opzet kan ook worden afgeleid uit het zich niet distantiëren van [verdachte 1] van de handeling van zijn mededader. Verdachte en zijn medeverdachten zijn naar de woning van het slachtoffer gegaan met de bedoeling daar geld weg te nemen. Verdachte is wel samen met medeverdachte [verdachte 2] de woning van het latere slachtoffer binnengegaan, terwijl hij wist dat zijn medeverdachte een pistool bij zich had, maar tussen [verdachte 1] en zijn medeverdachten was afgesproken dat het pistool alleen zou worden gebruikt voor het eventueel bedreigen van [slachtoffer] en mogelijk ten opzichte van de in de woning aanwezige honden. [verdachte 2] heeft bij het plotseling waarnemen van [slachtoffer] dermate snel geschoten dat [verdachte 1] geen enkele gelegenheid heeft gehad zich van dat schieten te distantiëren. Gelet op de genoemde voorwaarden voor het bewijs van medeplegen en gelet op deze gang van zaken is de rechtbank van oordeel dat [verdachte 1] ook van het subsidiair tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken.

Wel is de rechtbank van oordeel dat uit de bewijsmiddelen volgt dat het meer subsidiair ten laste gelegde, te weten poging tot diefstal met geweldpleging gepleegd door meer verenigde personen en welk feit de dood ten gevolge heeft, bewezen verklaard kan worden.

Daartoe overweegt de rechtbank in het bijzonder het volgende.

Uit de verklaring van [verdachte 1] afgelegd tijdens onder meer de terechtzitting blijkt dat tijdens de voorbespreking van de inbraak tussen [verdachte 1], [verdachte 2] en [verdachte 3] ter sprake is gekomen dat een wapen door [verdachte 2] zou worden meegenomen om de bewoner eventueel te bedreigen met dat wapen. [verdachte 2] heeft ook daadwerkelijk een geladen pistool meegenomen. Zoals al eerder vermeld waren [verdachte 1] en [verdachte 3] ervan op de hoogte dat [verdachte 2] een pistool zou meenemen. Verdachte is samen met [verdachte 2] na een ruit te hebben verbroken door het raam de woning ingegaan. Zij waren uit op het in het huis veronderstelde geld van [slachtoffer]. Als [slachtoffer] dan toch thuis blijkt te zijn, schiet [verdachte 2] op [slachtoffer] tengevolge waarvan deze komt te overlijden.

Gelet op de feiten en omstandigheden zoals die uit de bewijsmiddelen blijken is de rechtbank van oordeel dat [verdachte 1] en zijn medeverdachten samen hebben gepoogd diefstal te plegen uit de woning van [slachtoffer] en dat medeverdachte [verdachte 2] op [slachtoffer] heeft geschoten met het oogmerk om de diefstal gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken.

De vraag waarvoor de rechtbank zich dan gesteld ziet is of ook het schieten van [verdachte 2] en daarmee de dood van [slachtoffer] aan deze verdachte is toe te rekenen. Voor de beantwoording van die vraag overweegt de rechtbank op de eerste plaats dat het geweld in artikel 312 van het Wetboek van Strafrecht niet op zichzelf wordt bestraft, maar de aard van de diefstal ernstiger maakt. Het betreft dan ook niet een persoonlijk verzwarende omstandigheid als bedoeld in artikel 50 van het Wetboek van Strafrecht. Daarmee verhoogt geweld of bedreiging met geweld dus de strafbaarheid ook van die deelnemers aan de diefstal die niet aan het geweld hebben deelgenomen. Wel is vereist dat de deelnemer (voorwaardelijk) opzet heeft op de verzwarende omstandigheid. De rechtbank is van oordeel dat gelet op de feiten en omstandigheden [verdachte 1] willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat boer [slachtoffer] doodgeschoten zou worden bij deze poging tot inbraak. Daartoe overweegt de rechtbank dat [verdachte 1] erop uit was om de diefstal uiteindelijk te doen slagen en daartoe een derde bewapende man, [verdachte 2], heeft ingeschakeld. Hij wist ook dat deze derde man een geladen pistool bij zich had. Verder bestond ook de afspraak om indien [slachtoffer] thuis zou zijn en het nodig zou zijn in ieder geval bedreiging met geweld door middel van het pistool toe te passen. Dit geldt te meer nu [verdachte 1] [verdachte 2] nauwelijks kende en zodoende ook niet wist of [verdachte 2] zich in stressvolle situaties kon beheersen. Naar het oordeel van de rechtbank wordt onder die omstandigheid de aanmerkelijk kans aanvaard dat degene die het wapen bij zich heeft, met dat wapen een of meer kogel(s) afvuurt op de bewoner, en dat als gevolg daarvan die bewonder zodanig wordt verwond dat daardoor de dood intreedt. De rechtbank acht onder de hierboven vermelde omstandigheden [verdachte 1] aansprakelijk voor het schieten van zijn medeverdachte [verdachte 2], ook al was dat schieten tevoren niet gepland.

De raadsman heeft aangevoerd dat de in de tenlastelegging opgenomen strafverzwarende omstandigheid "terwijl het feit de dood van voornoemde [slachtoffer] ten gevolge had", niet ten laste van [verdachte 1] kan komen nu opzet van [verdachte 1] daarop niet was gericht. Verdachte mag dan wel weten dat medeverdachte lsijk een wapen bij zich heeft, maar moet [verdachte 1] er dan mee rekening houden, de kans aanvaarden, dat deze [verdachte 2] met dat wapen gaat schieten, terwijl afgesproken is dat alleen wordt ingebroken als er niemand thuis is en er geen geweld wordt gebruikt, behoudens tegenover de eventueel aanwezig honden.

Het verweer van de raadsman dat verdachtes (voorwaardelijk) opzet niet gericht was op de strafverzwarende omstandigheid dat het feit de dood van voornoemde [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad is gebaseerd op een andere, niet met de bewezenverklaring door de rechtbank te verenigen lezing van de feiten en omstandigheden in het bijzonder over wat er zou zijn afgesproken tussen [verdachte 1] en zijn medeverdachten en vindt derhalve zijn weerlegging in het hierboven door de rechtbank overwogene.

Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen is de rechtbank tevens van oordeel dat ook de medeverdachten [verdachte 2] en [verdachte 3] als medeplegers dienen te worden aangemerkt. [verdachte 2] is immers, zo blijkt uit de bewijsmiddelen, gewapend met [verdachte 1] het huis van [slachtoffer] ingeklommen met het voornemen daar geld te stelen en heeft geschoten. [verdachte 3], zo blijkt uit de bewijsmiddelen, is weliswaar niet mee naar binnen gegaan, maar is verder wel volledig betrokken geweest bij de voorbereiding en de afspraken dienaangaande. Hij was derhalve volledig op de hoogte ook van het feit dat [verdachte 2] met een geladen pistool naar binnen zou gaan. Hij heeft op voorstel van [verdachte 1] de initiatieven genomen om de derde man [verdachte 2] bij de overval te betrekken. Verder zou ook [verdachte 3] een deel van de buit krijgen. Gegeven die feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat ook bij [verdachte 3] sprake is van voorwaardelijk opzet op de verzwarende omstandigheden. Het enkele feit dat [verdachte 3] volgens afspraak niet mee naar binnen is gegaan, maar de bewuste avond volgens afspraak voor het transport heeft gezorgd, doet daaraan niet af.

7.4 Bewezenverklaring

Op grond van voormelde bewijsmiddelen en overwegingen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de [verdachte 1] het meer subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in de nacht van 6 op 7 juli 2002 te Milsbeek, ter uitvoering van het door [verdachte 1] voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een woning gelegen aan de [adres slachtoffer]

weg te nemen een hoeveelheid geld toebehorende aan [slachtoffer] en zich daarbij de toegang tot die woning te verschaffen door middel van braak en inklimming, met dat oogmerk tezamen en in vereniging met zijn mededaders een ruit van een raam van die woning heeft stukgegooid en via dat raam naar binnen zijn geklommen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, welke poging tot diefstal werd vergezeld van geweld tegen die [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken, welk geweld bestond uit het tezamen en in vereniging met zijn mededaders, met een pistool schieten van een of meer kogel(s) in het lichaam van die [slachtoffer], terwijl het feit de dood van voornoemde [slachtoffer] ten gevolge had.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen.

Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

8. Kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het ten laste van [verdachte 1] bewezenverklaarde levert op het navolgende misdrijf: poging tot diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om de diefstal gemakkelijk te maken en of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf of aan andere deelnemers aan het misdrijf de vlucht mogelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en terwijl het feit de dood ten gevolge heeft.

Het misdrijf is strafbaar gesteld bij de artikelen 312 juncto 310 juncto 45 van het Wetboek van Strafrecht.

9. De strafbaarheid van [verdachte 1]

De [verdachte 1] is strafbaar voor het bewezenverklaarde nu niet is gebleken van enige omstandigheid die verdachtes strafbaarheid opheft.

10. De straffen en maatregel

10.1 De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij gelegenheid van de terechtzitting op 12 maart 2008 met betrekking tot de op te leggen straf gevorderd dat [verdachte 1] ter zake van het primair ten laste gelegde feit, het medeplegen van gekwalificeerde doodslag, zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de tijd van achttien jaren met aftrek ex artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

10.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde straf niet past bij de door de verdediging bepleite bewezenverklaring.

10.3 De overwegingen van de rechtbank

Verdachte zit al een tijd in de financiële problemen en meent te weten dat bij het latere slachtoffer [slachtoffer] geld te halen is. Na een aantal vergeefse pogingen wil [verdachte 1] nu echt zijn slag slaan. Door tussenkomst van [verdachte 3] wordt een gewapende derde, [verdachte 2], aangezocht en samen met deze [verdachte 2] dringt [verdachte 1] dan 's nachts de woning van [slachtoffer] binnen, er van uitgaande dat [slachtoffer] niet thuis is. Als [slachtoffer] dan toch verschijnt, wordt hij door [verdachte 2] in zijn woning doodgeschoten.

De daders gaan er dan zonder buit vandoor. Bij de bepaling van de hoogte van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde feit, te weten een poging tot diefstal met geweldpleging, de dood ten gevolge hebbend. Daarbij merkt de rechtbank op dat de eis van de officier van justitie tot 18 jaar gevangenisstraf is gebaseerd op de bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit, te weten de gekwalificeerde doodslag. Een feit dat met een veel hogere maximum straf wordt bedreigd dan het bewezen verklaarde feit. Daar doet niet aan af dat het bewezen verklaarde feit een zeer ernstig strafbaar feit is. De rechtbank rekent [verdachte 1] het bewezen verklaarde feit zwaar aan, waarbij in het bijzonder mede bepalend is dat [verdachte 1] ook de initiatiefnemer is geweest. Als zwaarwegende factor bij de strafmaat beoordeelt de rechtbank het feit dat het slachtoffer in zijn eigen woning, de plaats waar men zich het meest veilig en geborgen moet voelen, om het leven is gebracht. En dat enkel om het veronderstelde geldelijke gewin.

De dood van [slachtoffer] heeft veel leed veroorzaakt en, zo heeft de rechtbank kunnen vaststellen, veroorzaakt na zoveel jaren nog steeds veel leed voor diens nabestaanden. Zijn dood heeft een schok veroorzaakt in Milsbeek en ver daarbuiten, met name door de wijze waarop hij om het leven kwam. Maar ook omdat [slachtoffer], 51 jaar oud, nog in de bloei van zijn leven stond. Het gegeven dat de nabestaanden van het slachtoffer ongeveer vijf jaar lang in het ongewisse zijn geweest wie verantwoordelijk was voor de dood van [slachtoffer], maakt het verdriet voor de nabestaanden nog zwaarder.

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de omstandigheid dat uit het dossier naar voren komt dat [verdachte 1] sedert het gebeuren in de nacht van 6 op 7 juli 2002 gewetenswroeging heeft en met het gegeven dat [verdachte 1] tijdens de terechtzitting spijt richting de nabestaanden van het slachtoffer heeft betuigd. Tevens heeft de rechtbank rekening gehouden met de overige persoonlijke omstandigheden van [verdachte 1], zoals die zijn gebleken tijdens het onderzoek ter terechtzitting. De rechtbank is, gelet op het vorenstaande en met name gelet op verdachtes rol van initiator, van oordeel dat met het oog op een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een lagere straf dan de hierna vermelde onvoorwaardelijke vrijheidsstraf voor de duur van negen jaren.

10.4 De vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

[gemachtigde nabestaanden], wonende [adres gemachtigde nabestaanden] heeft als gemachtigde van de nabestaanden van [slachtoffer] een vordering benadeelde partij ingediend met betrekking tot de als gevolg van het ten laste gelegde feit geleden materiële schade.

Voornoemde benadeelde partij heeft de materiële schade op een bedrag van € 8.923,66, exclusief de gevorderde wettelijke rente, gesteld en wil die schade vergoed krijgen.

Ten laste van [verdachte 1] is het hiervoor als meer subsidiair ten laste gelegde feit bewezen. Het is een strafbaar feit en [verdachte 1] zal ter zake van dat feit worden veroordeeld.

Met betrekking tot de toewijsbaarheid van de hoogte van het schadebedrag overweegt de rechtbank dat de vordering is opgebouwd uit de navolgende posten:

a. 8 jaardienstmissen : € 108,00

b. uitvaartkosten : € 3.976,86

c. koffietafel : € 1.823,80

d. werkzaamheden grafzerk : € 170,00

e. grafsteen : € 2.200,00

f. grafrechten : € 645,00

€ 8.923,66

Naar het oordeel van de rechtbank is de vordering, die door [verdachte 1] niet is weersproken, voor toewijzing vatbaar, zodat de rechtbank het schadebedrag zal vaststellen op een totaalbedrag van € 8.923,66, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de onderscheidenlijke schades zijn ontstaan tot aan de dag van de gehele voldoening, te weten

€ 108,00 vanaf 11 augustus 2002, € 3.976,86 vanaf 9 augustus 2002, € 1.823,80 vanaf 9 augustus 2002,

€ 170,00 vanaf 13 november 2002, € 2.200,00 vanaf 14 januari 2003 en € 645,00 vanaf 6 augustus 2002.

Verdachte is naar burgerlijk recht, samen met zijn mededaders [verdachte 3], [verdachte 2] en [verdachte 4], aansprakelijk voor deze schade.

De rechtbank zal over de vordering van de benadeelde partij, overeenkomstig het hiervoren overwogene, beslissen zoals hierna is vermeld, alsmede over de kosten die door de benadeelde partij zijn gemaakt, thans begroot op nihil.

De rechtbank zal tevens aan [verdachte 1] de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van € 8.923,66 bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 74 dagen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de onderscheidenlijke schades zijn ontstaan tot aan de dag van de gehele voldoening, te weten € 108,00 vanaf 11 augustus 2002, € 3.976,86 vanaf 9 augustus 2002, € 1.823,80 vanaf 9 augustus 2002, € 170,00 vanaf 13 november 2002, € 2.200,00 vanaf 14 januari 2003 en € 645,00 vanaf 6 augustus 2002, ten behoeve van de nabestaanden van het slachtoffer [slachtoffer], gemachtigde [gemachtigde nabestaanden], wonende [adres gemachtigde nabestaanden] zoals hierna in het dictum genoemd.

11. Toepasselijke wetsartikelen

Na te melden beslissing is gegrond op de artikelen:

Art. 10, 24c, 27, 36f, 45, 63, 310, 312

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de [verdachte 1] het primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt [verdachte 1] daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte 1] het meer subsidiair ten laste gelegde zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan [verdachte 1] meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt [verdachte 1] daarvan vrij;

verstaat dat het aldus bewezenverklaarde het hiervoor vermelde strafbare feit oplevert en verklaart [verdachte 1] ter zake strafbaar;

veroordeelt [verdachte 1] voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de tijd van negen jaren;

beveelt dat de tijd door de [verdachte 1] voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan [verdachte 1] opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij

Wijst de vordering van de benadeelde partij groot € 8.923,66 toe;

veroordeelt [verdachte 1] om tegen bewijs van betaling aan de benadeelde partij, nabestaanden [slachtoffer], gemachtigde [gemachtigde nabestaanden], wonende [adres gemachtigde nabestaanden], een totaalbedrag van € 8.923,66, te vermeerderen met dewettelijke rente vanaf de datum waarop de onderscheidenlijke schades zijn ontstaan tot aan de dag van de gehele voldoening, te weten € 108,00 vanaf 11 augustus 2002, € 3.976,86 vanaf 9 augustus 2002, € 170,00 vanaf 13 november 2002, € 2.200,00 vanaf 14 januari 2003, € 645,00 vanaf 6 augustus 2002 en € 1.823,80 vanaf 9 augustus 2002

bepaalt dat de [verdachte 1] zal zijn bevrijd voor zover voornoemde benadeelde partij - al dan niet via de betaling aan de Staat - door verdachtes mededaders [verdachte 2], [verdachte 3] en [verdachte 4] is voldaan;

legt aan [verdachte 1] de verplichting op aan de Staat te betalen een som geld ten bedrage van € 8.923,66 subsidiair 74 dagen hechtenis ten behoeve van de nabestaanden van het slachtoffer [slachtoffer], gemachtigde [gemachtigde nabestaanden], wonende [adres gemachtigde nabestaanden], met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de opgelegde verplichting tot schadevergoeding ten behoeve van de nabestaanden van het slachtoffer niet opheft;

bepaalt dat indien [verdachte 1] en/of (een van) zijn mededaders heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 8.923,66 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de onderscheidenlijke

schades zijn ontstaan tot aan de dag van de gehele voldoening, te weten € 108,00 vanaf 11 augustus 2002, € 3.976,86 vanaf 9 augustus 2002, € 170,00 vanaf 13 november 2002, € 2.200,00 vanaf 14 januari 2003, € 645,00 vanaf 6 augustus 2002 en € 1.823,80 vanaf 9 augustus 2002 ten behoeve van de nabestaanden van voornoemd slachtoffer daarmede de verplichting van [verdachte 1] om dit bedrag aan voornoemde benadeelde partij te betalen komt te vervallen en dat indien dit bedrag door [verdachte 1] en/of (een van) zijn mededaders aan voornoemde benadeelde partij is betaald, daarmee de verplichting tot betaling van dit bedrag aan de Staat ten behoeve van voornoemd slachtoffer komt te vervallen;

veroordeelt [verdachte 1] tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedrag alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Vonnis gewezen door mrs. M.J.A.G. van Baal, N.J.M. Ruyters en J.H.M. Delnooz-Engels, rechters, van wie mr. M.J.A.G. van Baal voornoemd voorzitter, in tegenwoordigheid van J.A.H. Bicker als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank voornoemd op 26 maart 2008.