Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2008:BC7276

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
19-03-2008
Datum publicatie
20-03-2008
Zaaknummer
79119 / FA RK 07-402 en 82940 / FA RK 07-1496
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek ex art. 1:204 lid 3 BW; vervangende toestemming erkenning; afwijzing. Verzoek ex art. 1:5 lid 2 BW; verkrijging geslachtsnaam; afwijzing. Verzoek ex art. 1:377a jo. 1:377f BW; vaststelling omgangsregeling; ontzegging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector civielrecht

Zaaknummers: 79119 / FA RK 07-402 en 82940 / FA RK 07-1496

Beschikking van 19 maart 2008

in de zaak van:

[verzoeker],

wonende te [woonplaats], [adres],

hierna te noemen de man,

procureur: mr. S.J.C. Vaessen;

tegen:

[verweerster],

wonende te [woonplaats], [adres],

hierna te noemen de vrouw,

procureur: mr. J.L.M. Wissing.

Als belanghebbenden merkt de rechtbank voorts aan de minderjarige

[kind 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum]

[kind 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum].

1. Het (verdere) verloop van de procedure

1.1. Dit blijkt uit het volgende in de zaak met nummer 79119 / FA RK 07-402:

- de uitspraak van de rechtbank van 12 december 2007, waarbij een bijzondere curator is benoemd;

- het op 17 januari 2008 binnengekomen verslag van de bijzondere curator;

- een brief met bijlagen zijdens de vrouw van 4 februari 2008;

- telefaxberichten zijdens de vrouw van 8 en 11 februari 2008;

en in de zaak met nummer 82940 / FA RK 07-1496:

- het verzoekschrift, binnengekomen bij de rechtbank op 19 oktober 2007;

- het verweerschrift, binnengekomen bij de rechtbank op 17 december 2008;

en vervolgens in beide zaken:

- een brief met bijlagen zijdens de vrouw van 4 februari 2008;

- telefaxberichten zijdens de vrouw van 8 en 11 februari 2008;

- de mondelinge behandeling, welke heeft plaatsgevonden op 13 februari 2008 en bij welke

behandeling zijn verschenen:

- partijen, bijgestaan door hun advocaten;

- de brief met bijlage zijdens de man van 25 februari 2008.

2. De vaststellingen en overwegingen

2.1. In de zaak met nummer 79119 / FA RK 07-402 verzoekt de man vervangende toestemming voor erkenning van [kind 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum].

2.2. Partijen hebben elkaar ontmoet in april 2006. Er ontstond een stormachtige relatie. De vrouw had al een dochter [kind 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum], uit een eerdere relatie. Op 24 juli 2006 heeft de man [kind 1] erkend.

De vrouw raakte in augustus/september 2006 zwanger. Op [geboortedatum] werd [kind 2] geboren. De man is de verwekker van [kind 2]. In oktober 2006 kreeg de man het vermoeden dat de vrouw een verhouding had met een andere man. Daarop volgden bedreigingen van de man. Ze deed daarvan op 11 en 23 oktober 2006 en ook nog in 2007 aangifte.

De man werd vervolgens aangehouden. Hij werd ervan verdacht huiselijk geweld tegen de vrouw te hebben gepleegd, de vermeende partner van de vrouw en diens ouders te hebben bedreigd en afgeperst.

De man zit sindsdien gedetineerd en verblijft thans in de forensische verslavingskliniek [X].

De vrouw schreef de man tijdens zijn detentie een aantal hartstochtelijke liefdesbrieven. In de periode november 2006 tot en met 11 januari 2007 en van 6 juni 2007 tot en met augustus 2007 bezocht de vrouw hem zestien keer.

Daarna is de relatie tussen partijen geheel uit de rails gelopen. De man erkent een kort lontje te hebben en de vrouw te hebben bedreigd.

De man is bij vonnis van 19 februari 2008 veroordeeld tot 731 dagen gevangenisstraf waarvan 450 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en onder de bijzondere voorwaarde dat hij zich gedraagt naar de aanwijzingen van de GGZ Groep en zijn behandeling bij de verslavingskliniek binnen 12 maanden na de uitspraak zal afronden.

2.3. Uit het strafvonnis blijkt dat de man meerdere geweldsdelicten heeft gepleegd ten opzichte van de vrouw, haar vermeende partner en diens ouders. Voorts blijkt dat de man door een psycholoog is onderzocht en dat deze tot de conclusie is gekomen dat:

“er bij verdachte sprake is van langdurige verslaving van heroïne en methadon met daarnaast een langdurige cocaïneafhankelijkheid. Verder is er een ernstige persoonlijkheidsproblematiek in de vorm van een antisociale en een borderline persoonlijkheidsstoornis met narcistische trekken”.

2.4. De man wil [kind 2] leren kennen al beseft hij dat hij een andere rol zal gaan spelen nu het kind zal opgroeien bij de vrouw. Hij wil [kind 2] graag erkennen.

2.5. De vrouw concludeert tot afwijzing van het verzoek. Ze is doodsbang voor de man. Zij stelt dat de man zeer veel onrust in haar gezin veroorzaakt.

2.6. De bijzondere curator adviseert het verzoek van de man toe te wijzen.

2.7. Voor vervangende toestemming van erkenning door de rechtbank is op grond van artikel 1:204 lid 3 BW nodig:

1. dat verzoeker de verwekker van het kind is;

2. dat de erkenning de belangen van het kind niet zou schaden;

3. dat de erkenning de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind niet zou schaden.

2.8. Indien aan deze voorwaarden is voldaan, dient naar het oordeel van de rechtbank de verzochte vervangende toestemming te worden verleend. Verzoeker is verwekker van het kind zodat alleen nog aan de tweede en derde voorwaarde hoeft te worden voldaan.

2.9. Gelet op de aan artikel 1:204 lid 3 BW ten grondslag liggende parlementaire geschiedenis heeft de wetgever bij deze wettelijke regeling het belang van de verwekker bij het tot stand komen van familierechtelijke betrekkingen met het kind als uitgangspunt genomen, zij het dat dit belang moet wijken indien door erkenning de belangen van het kind of de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind zouden worden geschaad. Aan deze beide criteria moet getoetst worden bij de beoordeling of vervangende toestemming moet worden gegeven.

2.10. Gelet op de inhoud van de gedingstukken en het verhandelde ter terechtzitting blijkt voor de rechtbank voldoende van het agressieve gedrag van de man ten opzichte van de vrouw en ook tegenover derden. De angst van de vrouw voor de man acht de rechtbank reëel. De stelling van de vrouw dat haar bezoekjes en brieven aan de man in de gevangenis geen ander doel hadden dan “goedmakertjes” acht de rechtbank niet onaannemelijk. Weliswaar stelt de man dat zijn gedrag aanzienlijk is verbeterd en uit het strafvonnis blijkt dat de man goed reageert op zijn behandeling in de verslavingskliniek en dat de behandelaars tevreden zijn over de vorderingen van de man, maar dat staat in schril contrast tot zijn zeer intimiderende houding ten opzichte van de vrouw voorafgaande aan de zitting, evenals zijn opmerkingen ter zitting dat de vrouw het aan zichzelf te wijten had dat de man zo tekeer is gegaan tegen haar. “Ze is immers vreemd gegaan”. Bovendien wist zij volgens hem met wie ze in zee ging.

2.11. In de gegeven omstandigheden acht de rechtbank, in weerwil van het advies van de bijzondere curator, de kans groot dat erkenning van de minderjarige door de man er toe zal leiden dat de belangen van het kind en dat van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind, zullen worden geschaad De rechtbank acht het aannemelijk dat er reële risico's zijn dat het kind wordt belemmerd in een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling. Immers het gedrag van de man zal een aanzienlijke spanning en stress en gevoelens van angst, onrust en onzekerheid voor de vrouw met zich meebrengen en dit zal voor haar contact met [kind 2] en voor [kind 2] zelf schadelijk zijn. Dit gelet ook op de geestelijke gezondheidstoestand van de vrouw, waarvan is gebleken uit de overgelegde verklaring van de psychiater van de vrouw van 6 februari 2008. Beide kinderen zijn inmiddels onder toezicht gesteld.

2.12. In de afweging van de belangen neemt de rechtbank tevens mee dat de vrouw het kind tot heden alleen heeft verzorgd en opgevoed en de man daarin, zij het ongewild vanwege zijn detentie, maar wel door hem veroorzaakt, tot op heden geen enkele bemoeienis heeft gehad.

2.13. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel, dat de verzochte toestemming niet dient te worden verleend. De rechtbank zal betreffend verzoek dan ook afwijzen.

2.14. In de zaak met zaaknummer 82940 / FA RK 07-1496 heeft de man verzocht een omgangsregeling tussen hem en beide kinderen vast te stellen.

2.15. De vrouw stelt dat de man niet in zijn verzoek ten aanzien van [kind 2] kan worden ontvangen omdat partijen geen family life hebben gehad. Zij acht een omgangregeling voorts in strijd met de belangen van de kinderen.

2.16. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval sprake is van family life in de zin van artikel 8 van het EVRM. Partijen hebben immers vanaf april 2007 samengewoond en de vrouw is in augustus/september 2007 zwanger geraakt van [kind 2]. [kind 2] is het kind van de man en partijen hadden aanvankelijk de bedoeling [kind 2] samen op te voeden.

De man kan dan ook in het verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling met [kind 2] worden ontvangen.

2.17. De rechtbank zal de verzoeken ten aanzien van beide kinderen toetsen aan artikel 1:377a BW. De rechtbank acht het discriminatoir in de zin van artikel 8 van het EVRM om het verzoek betreffende [kind 2] niet aan dat artikel maar aan artikel 1:377f BW te toetsen. De rechtbank ziet daarvoor geen rechtvaardiging. Komende Nederlandse wetgeving

(wetsvoorstel 30145 tot bevordering van het voortgezet ouderschap en zorgvuldige echtscheiding) maakt ook geen onderscheid meer tussen ouders en anderen met family life voor wat betreft de aanspraken op omgang.

2.18. De rechtbank is van oordeel dat aan de man de omgang met beide kinderen dient te worden ontzegd. In de gegeven omstandigheden, de verstoorde verhouding tussen partijen, hun beider geestelijke problematiek en de dreigende houding van de man ten opzichte van de vrouw, acht de rechtbank een omgangsregeling in strijd met de zwaarwegende belangen van de kinderen als bedoeld in artikel 1:377a lid 3 sub d BW.

2.19. De rechtbank beslist dan ook als volgt.

3. De beslissing

De rechtbank:

3.1. wijst af het verzoek tot vervangende toestemming voor de erkenning van [kind 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] en het verzoek te bepalen dat [kind 2] voortaan de geslachtsnaam [X] zal dragen;

3.2. ontzegt aan de man het recht op omgang met de kinderen [kind 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum], en [kind 2] voornoemd.

Deze beschikking is gegeven door mr. P.C.G. Brants, mr. F.R. Soutendijk en mr. G.P.C. Dijkshoorn-Sleebe, kinderrechters, en ter openbare civiele terechtzitting van 19 maart 2008 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.

tn

Tegen deze uitspraak kan beroep worden ingesteld door indiening van een beroepschrift bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van deze uitspraak is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van deze uitspraak; door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening van de uitspraak of nadat de uitspraak hun op andere wijze bekend is geworden.