Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2008:BC6936

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
12-03-2008
Datum publicatie
18-03-2008
Zaaknummer
07 / 1207 BELEI K1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Voor de rechtbank is niet duidelijk geworden wat de rechtsgrondslag voor de intrekking van de subsidie is geweest. Zo ontbreekt een verwijzing naar de relevante bepalingen uit (de subsidietitel van) de Awb, waarin de bevoegdheid tot intrekking van de subsidieverlening (artikel 4:48 Awb) is geregeld. Nu de gemachtigden van verweerder ook ter zitting desgevraagd geen uitsluitsel daaromtrent hebben kunnen geven, is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke motivering. Dit klemt temeer nu de intrekking van eerder verleende subsidie naar zijn aard een ingrijpende bevoegdheid is, mede gelet op het beginsel van rechtszekerheid en de (financiële) belangen van de aanvrager.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK Roermond

meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

UITSPRAAK

Procedurenr. : 07 / 1207 BELEI K1

Inzake : [eiseres] B.V., gevestigd te Venlo, eiseres,

tegen : de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking, namens deze,

het hoofd van de afdeling Bestuursrecht van de directie

Juridische Zaken, gevestigd te 's-Gravenhage, verweerder.

Datum en aanduiding van het bestreden besluit:

de brief d.d. 11 juli 2007,

kenmerk: DJZ/BR-0883/2007.

Datum van behandeling ter zitting: 7 februari 2008.

I. PROCESVERLOOP

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit heeft verweerder het bezwaar, gericht tegen het besluit tot intrekking van een subsidiebeschikking, ongegrond verklaard. Tegen dat besluit is door eiseres beroep ingesteld.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan (de gemachtigde van) eiseres gezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 7 februari 2008, waar de heer [eiser] is verschenen, bijgestaan door mr. B. van der Horst als gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.H. Simonis en mr. E. de Wit.

II. OVERWEGINGEN

Op 3 februari 2005 heeft eiseres een aanvraag tot subsidieverlening ingediend voor de uitvoering van het project ‘[project]’ (hierna te noemen: het project). Deze aanvraag is gericht aan FMO/NIO en is gedaan in het kader van de zogeheten ORET-regeling. Samengevat behelst het project/de transactie de productie, levering, installatie en start-up van een vernietigingsinstallatie ten behoeve van het veilig en milieuverantwoord vernietigen van uit de roulatie genomen bankbiljetten.

Bij beschikking van 4 juli 2005 is aan eiseres door de Nederlandse Investeringsbank voor Ontwikkelingslanden (NIO) namens de minister voor Ontwikkelingssamen-werking een subsidie verleend voor de hierboven genoemde transactie. De subsidie vestigt een aanspraak op de beschikbaarstelling van een schenking ter hoogte van

€ 525.000,- op basis van een schenkingsovereenkomst, overeen te komen tussen de overheid van Egypte en de NIO Bank. In het besluit is in artikel 1 een aantal subsidievoorwaarden opgesomd en in artikel 2 is een aantal verplichtingen opgesomd die rusten op de subsidieontvanger.

Vervolgens is bij besluit van 17 april 2007 door de Stichting ORET namens de minister van Ontwikkelingssamenwerking aan eiseres medegedeeld dat de Egyptische Centrale Bank geen aanspraak wenst te maken op de ORET-schenking. Ook heeft het ministerie van Buitenlandse Zaken het verzoek tot ondertekening van de schenkingsovereenkomst expliciet voorgelegd aan de centrale overheid van Egypte, met daaraan verbonden een deadline tot 4 april 2007, waarop de getekende schenkingsovereenkomst uiterlijk ontvangen diende te zijn. Door het uitblijven van enige reactie heeft de Stichting ORET de conclusie getrokken dat de centrale overheid van Egypte geen aanspraak wil maken op ORET-subsidie.

Dit heeft tot gevolg dat de met de schenkingsovereenkomst samenhangende rechten en verplichtingen zijn vervallen en daarmee is tevens de aanspraak op beschikbaarstelling van de schenking vervallen. De eerdere beschikking tot subsidieverlening is bij het besluit van 17 april 2007 door het bestuur van de stichting ORET (door de projectdirecteur) ingetrokken.

Een dag later is door eiseres bezwaar gemaakt tegen het besluit tot intrekking van de subsidieverleningsbeschikking. Eiseres is van mening dat ten onrechte uit het uitblijven van een reactie is geconcludeerd dat de centrale overheid van Egypte geen aanspraak wil maken op de subsidie. Volgens eiseres is wel degelijk sprake van een schriftelijke reactie (gedagtekend 19 maart 2007) waarin weliswaar wordt gemeld dat de Central Bank of Egypt (CBE) een contract heeft ondertekend “without any financial contribution from the ORET Programme”, maar deze opmerking betekent volgens eiseres niet dat de CBE een ORET-bijdrage afwijst. Eiseres vermoedt dat de CBE door het Ministry of Central Cooperation (MIC) is gedwongen om de te ontvangen ORET-bijdrage af te dragen aan het MIC, waardoor al het financiële voordeel voor de CBE teniet werd gedaan en het CBE-budget voor dit project verre dreigde te worden overschreden. Die eis van het MIC aan de CBE levert volgens eiseres een schending op van de ORET-voorwaarden en door de terugvordering van de schenkingsbijdrage door de overheid van het ontvangende land, hetgeen uiteindelijk heeft geleid tot het niet ondertekenen van de overeenkomst, lijdt eiseres grote financiële schade.

Bij besluit van 11 juli 2007 is het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard, waarna op 17 augustus 2007 (pro forma) beroep is ingesteld, aangevuld met nadere gronden op 5 september 2007.

Samengevat luiden de gronden van het beroep tegen dit besluit als volgt:

• De Stichting ORET was niet bevoegd om het betreffende besluit te nemen. De minister van Ontwikkelingssamenwerking (hierna: de minister) heeft uitsluitend mandaat verleend aan de Projectdirecteur ORET en niet aan de stichting.

Dat de minister (zelf) het bestreden besluit achteraf voor zijn rekening neemt, is in strijd het bepaalde in artikel 10:3 van de Awb.

• Het bestreden besluit is in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel (artikel 3:2 Awb), nu eiseres eerst tijdens de zittting van de bezwaarschriftencommissie is geconfronteerd met een verweerschrift, waarop stante pede gereageerd moest worden.

• Er is sprake van een onjuiste belangenafweging en een ondeugdelijke motivering (artikelen 3:4 en 3:46 Awb). Volgens eiseres wordt in het besluit ten onrechte gesteld dat een getekende leningsovereenkomst een vereiste is voor toekenning van de subsidie. Dit is volgens eiseres niet, onvolledig of onjuist geformuleerd en wordt niet gedekt door de onderliggende regels. De stichting had moeten beoordelen of de schenkingsovereenkomst op grond van het Nederlands recht tot stand was gekomen. Dit heeft zij verzuimd. Het ontbreken van een handtekening is onvoldoende om te kunnen concluderen dat geen schenkingsovereenkomst tot stand is gekomen, aldus eiseres. Ten slotte wordt gesteld dat eiseres erop mocht vertrouwen dat de bij beschikking van 4 juli 2005 verleende subsidie zou worden uitbetaald.

De rechtbank dient op basis van de aangevoerde beroepsgronden te beoordelen of het bestreden besluit in strijd is met het geschreven of ongeschreven recht dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel.

Voor wat betreft de grief met betrekking tot de (on)bevoegdheid, overweegt de rechtbank als volgt.

Verweerder erkent dat het bestreden besluit van 11 juli 2007 onbevoegdelijk is genomen door de Projectdirecteur ORET. Hierop is bij besluit van 27 augustus 2007 alsnog door de minister van Ontwikkelingssamenwerking zelf een besluit genomen onder intrekking van het onbevoegd genomen besluit. Ter motivering verwijst de minister naar artikel 10:7 van de Awb waaruit volgt dat de mandaatgever bevoegd is en blijft om de gemandateerde bevoegdheden zelf uit te oefenen. De inhoud van het ingetrokken besluit is door de minister als herhaald en ingelast beschouwd in het nieuwe besluit, waardoor het beroep wordt geacht zich (aldus het verweerschrift, gelet op artikel 6:19 van de Awb) mede te richten tot het nieuw genomen besluit.

De rechtbank is van oordeel dat het bevoegdheidsgebrek hiermee is hersteld. Daarbij overweegt de rechtbank dat het primaire besluit krachtens mandaat is genomen door de projectdirecteur ORET. Nu het besluit op bezwaar ook door dezelfde persoon in mandaat is genomen, verdraagt dit zich niet met het bepaalde in artikel 10:3, lid 3, van de Awb. Doordat het besluit op bezwaar alsnog is ondertekend door de minister zelf, is het bevoegdheidsgebrek ‘gedekt verklaard’. Daaraan voegt de rechtbank toe dat, indachtig de volledige heroverweging tijdens de bezwaarschriftprocedure, het besluit op bezwaar thans het voorwerp van rechterlijke toetsing is. Nu dit besluit in (de) heroverweging bevoegdelijk is genomen, valt de aangehaalde (on)bevoegdheid van het in primo genomen besluit, wat daar ook van zij, buiten het bestek van de rechterlijke toetsing. Tevens zij vermeld dat het besluit van 4 juli 2005 reeds onherroepelijk is en derhalve in rechte vaststaat. De rechtbank overweegt voorts nog dat het nieuwe, door de minister ondertekende besluit uit hoofde van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb onderdeel uitmaakt van het onderhavige geding (waarbij verwezen wordt naar ABRS 5 juli 1999, AB 1999, 381, i.h.b. rechtsoverweging 2.3).

Voor wat betreft de aangevoerde strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel, eruit bestaande dat eiseres zich tijdens de zitting van de bezwaarschriftencommissie overvallen voelde door het bij die gelegenheid in het geding gebrachte verweerschrift, overweegt de rechtbank dat het verweerschrift daarmee niet veel anders heeft dan het karakter van een pleitnota, die voor het eerst ter zitting had kunnen worden voorgedragen en waarop eiseres redelijkerwijs adequaat had kunnen reageren. Daarbij merkt de rechtbank voorts nog op dat uit het verslag van de hoorzitting niet blijkt dat eiseres hierover een (kritische) opmerking heeft gemaakt. De grief kan derhalve niet slagen.

Eiseres meent voorts dat bij een geschil over het bestaan van de schenkings-overeenkomst, conform artikel 8 van voornoemde overeenkomst, niet de Stichting ORET maar het Permanent Hof van Arbitrage te ’s-Gravenhage bevoegd is om daarover te oordelen. De rechtbank is in dit kader, naast het feit dat -zoals verweerder stelt- er helemaal geen subsidieovereenkomst tot stand gekomen is, van oordeel dat in de onderhavige procedure niet de (privaatrechtelijke) overeenkomst, maar het (publiekrechtelijke) besluit tot intrekking van de subsidieverlening centraal staat. Deze grief treft derhalve evenmin doel.

Eiseres is voorts van mening dat het besluit een deugdelijke motivering ontbeert. In dit kader benadrukt de rechtbank dat in het thans bestreden besluit de handhaving van de bij besluit in primo ingetrokken beschikking tot subsidieverlening aan de orde is, omdat volgens verweerder niet aan de voorwaarden voor toekenning van subsidie is voldaan. Daarbij is weliswaar verwezen naar de diverse regelingen, te weten de Kaderwet en de Subsidieregeling (van het) ministerie van Buitenlandse zaken, alsmede naar het Besluit van de minister voor Ontwikkelingssamenwerking (kortweg aangeduid als de ORET-regeling), doch uit de onderliggende stukken is voor de rechtbank niet duidelijk geworden wat de rechtsgrondslag voor de intrekking van de subsidie is geweest. Zo ontbreekt een verwijzing naar de relevante bepalingen uit (de subsidietitel van) de Awb, waarin de bevoegdheid tot intrekking van de subsidieverlening (artikel 4:48 Awb) is geregeld. Nu de gemachtigden van verweerder ook ter zitting desgevraagd geen uitsluitsel daaromtrent hebben kunnen geven, is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke motivering. Dit klemt temeer nu de intrekking van eerder verleende subsidie naar zijn aard een ingrijpende bevoegdheid is, mede gelet op het beginsel van rechtszekerheid en de (financiële) belangen van de aanvrager. De rechtbank verklaart het beroep dan ook gegrond en het besluit komt vanwege strijd met het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb voor vernietiging in aanmerking. Dit impliceert dat aan een bespreking van de overige nog door eiseres opgeworpen gronden niet meer wordt toegekomen.

Gelet op het vorenstaande, acht de rechtbank termen aanwezig om verweerder op grond van het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten die eiseres redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van dit beroep, een en ander overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden twee punten toegekend (één voor het beroepschrift en één voor het verschijnen ter zitting). Het gewicht van de zaak wordt bepaald op gemiddeld, hetgeen correspondeert met de wegingsfactor 1.

Mitsdien wordt beslist zoals in rubriek III is aangegeven.

III. BESLISSING

De rechtbank te Roermond;

gelet op het bepaalde in de artikelen 8:70, 8:72, 8:74 en 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht;

verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

bepaalt dat verweerder een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eiseres begroot op € 644, , te vergoeden door de Staat der Nederlanden aan eiseres;

bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan eiseres het door haar gestorte griffierecht ten bedrage van € 285, volledig vergoedt.

Aldus gedaan door mr. P.J. Voncken (voorzitter), mr. E.B.A. Ferwerda en mr. J.M.H. Rijken-Lie in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Utteren-Hoving als griffier en in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2008.

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

Verzonden op: 13 maart 2008.

MV

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Ingevolge artikel 6:5 van de Awb bevat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak en moet een afschrift van de uitspraak bij het beroepschrift worden overgelegd.