Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2008:BC6923

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
06-03-2008
Datum publicatie
18-03-2008
Zaaknummer
07 / 1441 t/m 07 / 1446 WET RV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Planschadevergoeding. Gelijke gevallen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

UITSPRAAK

Procedurenr. : 07 / 1441 t/m 07 / 1446 WET RV

Inzake : [6 eisers] te [woonplaats]

tegen : de Raad van de gemeente Echt-Susteren, gevestigd te Echt, verweerder.

Datum en aanduiding van het bestreden besluit:

de brief d.d. 17 augustus 2007,

kenmerk: 2005/11299.

Datum van behandeling ter zitting: 25 januari 2008.

I. PROCESVERLOOP

Bij de in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluiten heeft verweerder de bezwaren van eisers tegen besluiten omtrent planschadevergoeding ongegrond verklaard. Tegen die besluiten is bij deze rechtbank beroep ingesteld.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan de gemachtigde van eisers gezonden.

De beroepen zijn gevoegd behandeld ter zitting van de rechtbank op 25 januari 2008, waar van eisers [3 eisers] in persoon zijn verschenen, bijgestaan door mr. S.A.R. Lely als hun raadsman die ook het woord heeft gevoerd als gemachtigde van [overige eisers]. Verweerder heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door mr. M. Gulikers.

II. OVERWEGINGEN

Eisers hebben met aanvraagformulieren gedateerd 10, 13, 25 en 26 maart en 2 en 5 april 2004 verweerder verzocht om toekenning van schadevergoeding op grond van artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) vanwege het in werking treden van het bestemmingsplan “In de Mehre” als gevolg waarvan woningen aan de achterzijde van de woningen van eisers kunnen worden en zijn gerealiseerd op gronden waarop voorheen de bestemming “Recreatieve doeleinden” rustte.

Na door Oranjewoud op 18 januari 2005 uitgebracht advies, zijn namens eisers op 12 mei 2005 zienswijzen daarop en heeft op 26 september 2005 Oranjewoud zijn reactie op die zienswijzen kenbaar gemaakt. Bij primaire besluiten van 3 november 2005, verzonden op 16 november 2005, heeft verweerder aan eisers onderscheiden bedragen aan planschadevergoeding (vermeerderd met wettelijke rente) toegekend als resultante van de saldering van planologisch nadeel en planologisch voordeel.

Oranjewoud heeft bij brief van 24 november 2005 nog een toelichting op het planschadebeoordelingsadvies gegeven.

Eisers hebben bezwaarschriften ingediend op 15 december 2005, aangevuld bij brieven van 16 februari 2006. Op 10 april 2006 hebben partijen gebruik gemaakt van de gelegenheid hun standpunten mondeling toe te lichten op een hoorzitting. Op verzoek van verweerder heeft Oranjewoud op 27 september 2006 een geactualiseerd planschadebeoordelingsadvies uitgebracht. Op 15 maart 2007 is ten behoeve van eisers een tweede hoorzitting gehouden en heeft de commissie bezwaarschriften verweerder geadviseerd de bezwaren van eisers ongegrond te verklaren.

Bij de thans bestreden besluiten heeft verweerder in overeenstemming met het advies van de commissie bezwaarschriften de bezwaren van eisers ongegrond verklaard. Daarbij heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat Oranjewoud bij de beoordeling van haar planschadeadvies alle op de zaak betrekking hebbende feiten en omstandigheden heeft betrokken en afgewogen en dat er geen termen zijn om aan de zorgvuldigheid of de motivering van het uitgebrachte planschadeadvies van Oranjewoud te twijfelen. Voorts is verweerder van mening dat het beroep van eisers op het gelijkheidsbeginsel niet kan slagen, omdat verweerder niet gehouden is om het door een andere deskundige in een andere zaak uitgebrachte advies te volgen, ook al gaat het daarbij om dezelfde planologische mutatie.

In beroep hebben eisers eerst en vooral doen aanvoeren dat het de vraag is of er wel sprake is van een planologisch voordeel zoals door Oranjewoud omschreven. Daartoe is gesteld dat eisers stroken grond hebben aangekocht, destijds met de bestemming “recreatieve doeleinden”, voor fl. 100,00 per m², terwijl die grond een aan de bestemming gerelateerde waarde had van fl. 15,00 per m², zodat eisers voor die gronden te veel hebben betaald. Verweerder heeft die grondprijs, in het zicht van de vaststelling van het bestemmingsplan “In de Mehre”, eenzijdig bepaald als eindwaarde. Het is naar de mening van eisers in strijd met de rechtszekerheid thans in het kader van de planschadevergoeding geconfronteerd te worden met een nog hogere grondprijs dan de door verweerder als eindwaarde bestempelde prijs ten tijde van de aankoop. Door nu alsnog een planologisch voordeel aan eisers toe te rekenen, wordt achteraf de aankoopprijs van de grond verhoogd.

Bovendien heeft verweerder ten tijde van de aankoop niet bedongen dat een eventueel hogere waarde zou worden verrekend met planologisch nadeel. Eisers hebben voorts doen aanvoeren dat Oranjewoud met het vorenstaande in het geheel geen rekening heeft gehouden bij de planschadeberekening en dat het advies van Oranjewoud ook overigens niet voldoende zorgvuldig en overtuigend is. Eisers hebben verder gesteld dat Oranjewoud ten tijde van het uitbrengen van het advies niet als objectief en onafhankelijk was aan te merken, nu de opsteller van het in geding zijnde advies voor Oranjewoud ook al een contra-expertise had uitgebracht met betrekking tot een soortgelijk verzoek om planschadevergoeding van de familie [familie]. Tot slot hebben eisers aangevoerd dat sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel nu voor de planschadevergoeding aan de familie [familie] een andere, gewijzigde systematiek wordt gehanteerd terwijl het gaat om gelijke gevallen en verweerder dat laatste niet heeft ontkend.

De rechtbank dient op basis van de aangevoerde beroepsgronden te beoordelen of het bestreden besluit de rechterlijke toets kan doorstaan.

Ingevolge artikel 49 van de WRO, zoals dat artikel luidde ten tijde van het verzoek om planschadevergoeding, kent de gemeenteraad, voor zover blijkt dat een belanghebbende ten gevolge van de bepalingen van een bestemmingsplan schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd, hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe. Voor de beoordeling van een zodanig verzoek om schadevergoeding dient te worden bezien of sprake is van een wijziging van het planologische regime waardoor een belanghebbende in een nadeliger positie is komen te verkeren, ten gevolge waarvan hij schade lijdt of zal lijden.

Bij het beoordelen van een verzoek om schadevergoeding op grond van artikel 49 van de WRO dient te worden bezien of sprake is van een wijziging van het planologische regime waardoor een belanghebbende in een nadeliger positie is komen te verkeren, ten gevolge waarvan hij schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dienen de beweerdelijk schadeveroorzakende planologische maatregelen te worden vergeleken met het voordien geldende planologische regime. Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, doch hetgeen op grond van de betreffende planologische regimes maximaal kon of kan worden gerealiseerd, ongeacht de vraag of verwezenlijking daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Slechts wanneer realisering van de maximale mogelijkheden van het planologische regime met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten, kan daarin aanleiding worden gevonden om te oordelen dat van voormeld uitgangspunt moet worden afgeweken.

Eisers zijn eigenaren van percelen gelegen aan de [adressen eisers], gemeente Echt Susteren. Eisers hebben elk op hun perceel een woning. In april 1999 hebben eisers ieder een aan hun eigen tuin grenzende perceel van verweerders gemeente in eigendom verkregen.

Op een verzoek van de familie [familie], [adres], heeft verweerder bij besluit van 11 november 2004 voor dezelfde planologische mutatie als aan de orde in de zaken van eisers, planschadevergoeding toegekend.

Tussen partijen staat vast dat er sprake is van een wijziging van planologische regimes met nadelige gevolgen voor eiser. Partijen verschillen van mening over de hoogte van de schade en de wijze waarop die dient te worden bepaald.

De planologische wijziging betreft voor zover hier van belang de gedeeltelijk bij eisers in eigendom zijnde grond maar vooral de achter de percelen van eisers gelegen gronden. Deze gronden hadden op grond van het bestemmingsplan “Kern Susteren” de bestemming “Recreatieve doeleinden” en waren als zodanig bedoeld voor sportbeoefening in de open lucht met daarbij behorende voorzieningen. Binnen die bestemming waren ten dienste van, en in verband met, de genoemde doeleinden gebouwen (geen woning zijnde), bouwwerken (geen gebouwen zijnde), verhardingen, groenvoorzieningen en bijbehorende voorzieningen toegestaan. Ingevolge het bestemmingsplan “In de Mehre”, onherroepelijk geworden medio 2001, zijn de betreffende gronden voor zover het gaat om de gronden gelegen achter de percelen die bij eiser in eigendom zijn, aangewezen voor “Woondoeleinden”, “vrijstaande woningen”. In zoverre staat tussen partijen vast dat er sprake is van planologisch nadeel. De bij eisers in eigendom zijnde percelen die zij in 1999 hebben gekocht van verweerders gemeente zijn ingevolge het bestemmingsplan “In de Mehre” aangewezen als “Tuin”. Verweerder heeft zich wat deze mutatie betreft op het standpunt gesteld dat er sprake is van planologisch voordeel.

Voordeelverrekening is ingevolge de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, zoals blijkt de uitspraak van 22 juli 1999 (LJN: AH67709), mogelijk indien het voordeel en nadeel voor een bepaald perceel worden veroorzaakt door hetzelfde planologisch regime. Aan die voorwaarde is in de onderhavige zaken voldaan. Hoewel de koopovereenkomsten in de onderhavige zaken niet expliciet vermelden dat de gehanteerde grondprijs (mede) is bepaald met het oog op de aanstaande planologische verbetering, is uit de gedingstukken in onderling verband wel af te leiden dat het verweerders bedoeling is geweest het planologisch voordeel van de aankoop en de aanstaande bestemmingswijziging een rol te laten spelen. De verkoopprijs ten opzichte van de waarde van de grond met de bestemming “Recreatieve doeleinden” en het stadium waarin de bestemmingsplanwijziging zich bevond ten tijde van de koopovereenkomst, leiden de rechtbank tot die conclusie.

Uit de stukken die met betrekking tot het planschadeverzoek van de familie [familie] door de gemachtigde van eisers zijn overgelegd is de rechtbank gebleken dat in dat geval op 11 november 2004 door verweerder planschadevergoeding is toegekend op basis van een door SAOZ uitgebracht advies. Verweerder heeft bij die besluitvorming uitdrukkelijk en weloverwogen afgezien van verrekening van planologisch voordeel uit de grondtransactie. Daarbij gaat het om soortgelijke aankoop van grond aansluitend aan het oorspronkelijke perceel, als in de zaken van eisers het geval is. SAOZ heeft in haar rapport een vergelijking gemaakt tussen de waarde van de aangekochte gronden ten tijde van de aankoop, de betaalde prijs en de waarde van de gronden na planologische mutatie en, mede gelet op de gesloten koopovereenkomst tussen partijen, gesteld dat er vanuit gegaan mag worden dat bij die transactie reeds met de nieuwe bestemming rekening is gehouden en dat indien de gemeente van mening was dat het perceel met de nieuwe bestemming meer waard zou zijn dan de koopprijs, zij met belanghebbenden overeen had moeten komen dat die meerwaarde in mindering zou strekken op eventuele planschade.

Dat laatste is niet opgenomen in de koopovereenkomst op grond waarvan de SAOZ van mening was, en desgevraagd bleef, dat er geen grondslag was voor verrekening.

Verweerder is ten tijde van die beslissing in de zaak [familie] volledig op de hoogte geweest van het feit dat inmiddels onder meer eisers identieke verzoeken om planschadevergoeding hadden ingediend en er ook al taxaties daarvoor waren uitgevoerd.

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank het niet getuigen van een consistente besluitvorming om in identieke gevallen, waarvan uitdrukkelijk sprake is, bij dezelfde rechtsvraag tot een andere uitkomst te komen, tenzij er sprake is van relevante veranderde feiten of omstandigheden dan wel voortschrijdend inzicht naar aanleiding van een eerdere inschattings- of beoordelingsfout. Derhalve heeft de rechtbank onderzocht of er zich in de zaken van eisers relevante veranderde feiten of omstandigheden hebben voorgedaan ten opzichte van de zaak [familie] dan wel of er in de zaak [familie] sprake is van een fout, als gevolg waarvan gezegd kan worden dat niet langer sprake is van gelijke gevallen die gelijk moeten worden behandeld in de zin van wel of niet verrekenen van planologisch voordeel.

Verweerder heeft zich in de onderhavige zaken op het standpunt gesteld dat het gaat om een ander voordeel dan het voordeel uit de grondtransactie dat in de zaak [familie] in de overwegingen bij de besluitvorming een rol heeft gespeeld. Het voordeel dat thans in de visie van verweerder aan eisers wordt tegengeworpen is het voordeel dat is ontstaan in de zin van waardestijging van het gehele perceel door de uitbreiding met de aangekochte percelen. Oranjewoud heeft ook in zijn rapportages de vergroting van de tuin benoemd als planologisch voordeel.

Niet ontkend kan worden dat vergroting van de tuin tot een hogere waarde van het gehele perceel zal leiden, maar noch uit de advisering door Oranjewoud noch anderszins is de rechtbank gebleken waarom die constatering in de onderhavige gevallen moet leiden tot een aparte (positieve) post waarmee de uitkomst van de taxatie (van het geheel) gecorrigeerd zou moeten worden. De rechtbank stelt vast dat bij die taxatie telkens begin- en eindwaarden van de gehele percelen in aanmerking zijn genomen en niet van alleen de oorspronkelijk in eigendom zijnde percelen. Hieruit concludeert de rechtbank dat in de zaken van eisers niet is gebleken van relevant veranderde feiten of omstandigheden die zouden moeten leiden tot een andere uitkomst dan de besluitvorming in de zaak [familie].

Voor zover verweerder heeft gesteld dat in de zaak [familie] een fout is gemaakt door af te zien van voordeelverrekening, is de rechtbank daarvan niet overtuigd. Bovendien komt betekenis toe aan het feit dat de planschadetoekenning aan [familie] formele rechtskracht heeft gekregen en verweerder zich aan de aard en inhoud van die besluitvorming gebonden heeft te achten, te meer nu die beslissing is genomen met de wetenschap van de lopende verzoeken om planschadevergoeding die tot de onderhavige zaken hebben geleid. Indien en voor zover verweerder van mening is dat in de zaak [familie] ten onrechte is afgezien van voordeelverrekening, had dat reeds in die kwestie kunnen en moeten leiden tot een ander standpunt. Concluderend is de rechtbank van oordeel dat, wat er ook zij van de houdbaarheid van het standpunt in de zaak [familie], niet gesproken kan worden van een dusdanige inschattings- of beoordelingsfout dat die dient te leiden tot een ander resultaat in de onderhavige zaken.

Op grond van het vorenstaande concludeert de rechtbank dat de beroepen van eisers gegrond dienen te worden verklaard en dat de bestreden besluiten vernietigd dienen te worden wegens strijd met het bepaalde in de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb. Verweerder zal worden opgedragen opnieuw te beslissen op de bezwaren van eisers met inachtneming van het bepaalde in deze uitspraak.

De rechtbank acht verder termen aanwezig om verweerder op grond van het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten die eisers redelijkerwijs hebben moeten maken in verband met de behandeling van deze beroepen, een en ander overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen (beroepschrift en verschijnen ter zitting) worden twee punten toegekend. Aangezien er sprake is van (zes) samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3 van het Besluit worden de twee toegekende punten vermenigvuldigd met de factor 1,5. Het gewicht van de zaak wordt bepaald op gemiddeld, hetgeen correspondeert met de wegingsfactor 1.

Daaruit volgt dat de hoogte van de proceskostenveroordeling wordt vastgesteld op (2 x 1,5 x 1 x € 322,00 =) € 966,00.

Mitsdien wordt beslist als volgt.

III. BESLISSING

De rechtbank Roermond;

gelet op het bepaalde in de artikelen 8:70, 8:72, 8:74 en 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht;

verklaart de beroepen gegrond en vernietigt de bestreden besluiten;

bepaalt dat verweerder opnieuw beslist op de bezwaren van eisers met inachtneming van het bepaalde in deze uitspraak;

veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedures bij de rechtbank, aan de zijde van eisers begroot op € 966,00 (zijnde de kosten van rechtsbijstand) te vergoeden door verweerders gemeente;

bepaalt dat verweerders gemeente aan eisers het door hen elk afzonderlijk gestorte griffierecht ten bedrage van (in totaal 6 maal € 143,00 =) € 858,00 volledig vergoedt.

Aldus gedaan door mr. P.J. Voncken in tegenwoordigheid van J.N. Buddeke als griffier en in het openbaar uitgesproken op 6 maart 2008.

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

Verzonden op: 7 maart 2008.

MV

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Ingevolge artikel 6:5 van de Awb bevat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak en moet een afschrift van de uitspraak bij het beroepschrift worden overgelegd.