Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2008:BC6883

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
26-02-2008
Datum publicatie
17-03-2008
Zaaknummer
07 / 1123 GEMWT
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiser heeft verweerder verzocht om een vergunning voor het innemen van een ligplaats met een woonboot in verweerders gemeente. Desgevraagd heeft eiser op een kaartje vier gebieden (A, B, C en D) gelegen in de voorhaven en het Leukermeer aangegeven waarop de vergunningaanvraag geacht moet worden betrekking te hebben.

Verweerder heeft een ligplaatsvergunning geweigerd omdat de aangegeven locaties niet geschikt zijn bevonden om er ligplaatsen te creëren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

UITSPRAAK van de rechtbank inzake toepassing van artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht

Procedurenr. : 07 / 1123 GEMWT

Inzake : [eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

tegen : Het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Bergen (L.), verweerder

Datum en aanduiding van het bestreden besluit:

De brief d.d.: 26 juni 2007

Kenmerk: RO/SK/4238

Datum van behandeling ter zitting: 17 januari 2008.

I. PROCESVERLOOP

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van eiser tegen weigering van een ligplaatsvergunning op nader geduide locaties in de voorhaven en in het Leukermeer in verweerders gemeente. Tegen dat besluit is namens eiser door [gemachtigde] bij deze rechtbank beroep ingesteld.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aande gemachtigde van eiser gezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 17 januari 2008, waar eiser is verschenen bij zijn gemachtigde de heer [gemachtigde], en waar verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. S.N.J. Kerkhoff.

II. OVERWEGINGEN

Bij brief van 29 augustus 2005 heeft eiser verweerder verzocht om een vergunning voor het innemen van een ligplaats met een woonboot in verweerders gemeente. Desgevraagd heeft eiser bij brief van 17 september 2005 op een kaartje vier gebieden (A, B, C en D) gelegen in de voorhaven en het Leukermeer aangegeven waarop de vergunningaanvraag geacht moet worden betrekking te hebben.

Bij besluit van 22 augustus 2006 heeft verweerder ligplaatsvergunning geweigerd omdat de aangegeven locaties niet geschikt zijn bevonden om er ligplaatsen te creëren. Over het daartegen gerichte bezwaar heeft de commissie bezwaarschriften gemeente Bergen, na partijen op 23 april 2007 te hebben gehoord, op 7 juni 2007 een advies uitgebracht.

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder bedoeld het bezwaar van eiser ongegrond te verklaren. Dat in het bestreden besluit feitelijk is opgeschreven dat het bezwaar “gegrond” is verklaard berust gelet op de redactie, de samenhang met en de verwijzing naar het advies van de bezwaarschriftencommissie op een kennelijk misslag. Kennelijk heeft ook eiser het besluit opgevat als een ongegrondverklaring van zijn bezwaren. Verweerder heeft zich in navolging van de bezwaarschriftencommissie op het standpunt gesteld dat de gemeentelijke regelgeving niet onverbindend is en dat verweerder niet is gehouden een ligplaats aan te wijzen dan wel een alternatieve locatie aan te wijzen. Voorts is verweerder van mening dat voor de door eiser opgegeven locaties vergunningverlening niet aan de orde is. Daarvoor heeft verweerder met betrekking tot het gebied aangeduid met A (in de voorhaven) gesteld dat dit in gebruik is voor recreatie, niet is ingericht voor woonschepen, ingevolge het bestemmingsplan “Leuken-Seurenheide” de bestemming “watersportgebied” heeft en dat ingevolge provinciaal beleid het gebied is aangemerkt als zogeheten “P3-gebied”, waarbij bescherming van de natuurlijke en landschappelijke waarden met aandacht voor de ecologische structuur en een verantwoord waterbeheer wordt nagestreefd. Voorts acht verweerder het innemen van een ligplaats met een woonboot op deze locatie strijdig met de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot de verlegging van de oever van de voorhaven en niet in overeenstemming met de versterking van de toeristisch-recreatieve uitstraling van het gebied.

Met betrekking tot het gebied dat door eiser is aangeduid met B, vlakbij de monding van de vaargeul tussen voorhaven en Leukermeer, heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de daar aanwezige aanlegsteiger in gebruik is voor plezierjachten en dat een woonschip daar niet past.

Met betrekking tot gebied C, aan de noordzijde van het Leukermeer, heeft verweerder gewezen op de aanwezigheid van een surfstrand in relatie tot het bepaalde in artikel 5, aanhef en onder d, van de geldende verordening, op grond waarvan het niet is toegestaan binnen 20 meter van een als zodanig in gebruik zijnde zweminrichting of surfoever te ankeren. Overigens wijst verweerder er op dat (een deel van) die locatie is begroeid met rietvelden en de bestemming “landschapsoever” heeft, gericht op behoud en versterking van de landschappelijke en natuurlijke waarden, welke bestemming ook in de weg staat aan het aanleggen van terreinverhardingen voor ontsluiting van een ligplaats. Voorts heeft verweerder opgemerkt dat infrastructurele voorzieningen voor woonschepen om te kunnen afmeren ontbreken.

Met betrekking tot gebied D, langs de oever tussen de monding van de jachthaven en de aansluiting op het Reindersmeer, heeft verweerder gesteld dat de hierop rustende bestemming “natuuroevers” en “landschapsoevers”, de kwetsbaarheid van het gebied beoogt te beschermen en ook het provinciaal en gemeentelijk beleid erop gericht zijn dit gebied te ontzien en de landschappelijke en natuurlijke waarden te versterken. Gelet hierop is het niet mogelijk om ten koste van de natuurlijke uitstraling van dit gebied een ligplaats voor een woonschip en de bijbehorende infrastructurele voorzieningen te creëren.

In beroep is aangevoerd dat verweerders uitvoeringsbeleid dat nimmer tot toewijzing van een ligplaats leidt, strijdig is met de verordening. Het door verweerder in het leven geroepen vergunningensysteem leidt volgens eiser ten onrechte niet tot aanwijzing van een ligplaats en verweerder had de aanvraag van eiser derhalve (ook) moeten beschouwen als een verzoek aan de gemeenteraad om een ligplaats aan te wijzen. Eiser heeft voorts doen aanvoeren dat de blokkerende werking van het bestemmingsplan onverbindend moet worden geacht omdat daardoor niet kan worden voldaan aan artikel 88 van de Huisvestingswet. Eiser heeft verder gesteld het ondoenlijk te vinden om de argumenten, die ontleend zijn aan het bestemmingsplan, te bestrijden.

Eiser heeft nog gesteld dat in het verleden wel (één) ligplaats is ingenomen en dat het schip dat van die ligplaats gebruik maakte op oneigenlijke wijze is verwijderd. Voor zover verweerder de weigering heeft gebaseerd op de afwezigheid van voorzieningen heeft eiser overleg aangeboden. Tot slot heeft eiser aangevoerd dat niet valt in te zien dat voorzieningen voor woonboten onmogelijk zijn, terwijl die er voor pleziervaart/recreatie wel zijn.

Ter zitting is van de zijde van eiser nog gewezen op de onmogelijkheid ligplaats in te nemen met een woonboot als gevolg van het bepaalde in artikel 4 van de geldende verordening nu daarmee het innemen van een ligplaats (kort gezegd) langer dan drie dagen verboden is.

De rechtbank dient op basis van de aangevoerde beroepsgronden te beoordelen of het bestreden besluit in strijd is met het geschreven of ongeschreven recht dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel.

Wettelijk kader

In artikel 88 van de Huisvestingswet is bepaald dat de gemeenteraad geen regels stelt die leiden tot een algeheel verbod van het in gebruik nemen of geven van een woonschip op een ligplaats. Op 27 mei 2003 heeft de gemeenteraad van Bergen de Verordening Leukermeer e.o. gemeente Bergen (L.) (verder: de Verordening) vastgesteld. Deze Verordening is van toepassing op alle openbare wateren en plassen ten aanzien waarvan krachtens het Binnenvaartpolitiereglement de publiekrechtelijke bevoegdheid bij de gemeente berust, inclusief de daaraan grenzende oevers binnen een afstand van 150 meter uit de oeverlijn voor zover gelegen binnen de gemeente. Op grond van het bepaalde in artikel 3 van de Verordening is het –voor zover relevant voor deze zaak- verboden zonder vergunning van het college van burgemeester en wethouders binnen het toepassingsbereik van de verordening met een woonschip ligplaats in te nemen. Op grond van het bepaalde in artikel 2, eerste en vierde lid, van de Verordening kunnen aan een vergunning voorschriften worden verbonden uitsluitend voor zover die strekken ter bescherming van de belangen van natuur, milieu, landschap, visserij, watersportrecreatie alsmede ter aanvulling van de belangen welke in het kader van het Binnenvaartpolitiereglement worden behartigd. Op grond van artikel 4 is het verboden om binnen het toepassingsgebied van de Verordening buiten de havens als in artikel 1 bedoeld met een vaartuig langer dan drie achtereenvolgende dagen gedurende de gehele dag of een gedeelte daarvan op dezelfde plaats ligplaats te houden (…).

Beoordeling

In de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 7 november 2001 (LJN: AD6653) is uitgesproken dat in verband met een in beginsel bestaand recht om met een woonschip binnen een gemeente te verblijven, een algeheel verbod van zodanig verblijf strijdig is met artikel 88 van de Huisvestingswet. Dit neemt evenwel niet weg dat zich in een bepaalde gemeente de situatie kan voordoen dat er geen plaatsen in openbaar water geschikt zijn om te worden bestemd of aangewezen om door een woonschip bij verblijf te worden ingenomen. Met artikel 88 van de Huisvestingswet is dan ook niet beoogd om iedere gemeente in Nederland de verplichting op te leggen nieuwe ligplaatsen te creëren, teneinde aan tenminste één woonschip plaats te kunnen bieden op haar grondgebied. Niet gesteld of gebleken is dat voor verweerders gemeente het bepaalde in artikel 88 van de Huisvestingswet niet geldt.

De toepasselijkheid van artikel 88 van de Huisvestingswet staat niet in de weg aan het in het leven roepen van een vergunningenstelsel zoals verweerder heeft gedaan in de Verordening. Op grond van het bepaalde in de Verordening is het verkrijgen van een ligplaatsvergunning niet uitgesloten en ook verweerder gaat ervan uit dat in beginsel verlening van een ligplaatsvergunning mogelijk is. Ter zitting is dat standpunt door verweerders vertegenwoordiger ook uitdrukkelijk naar voren gebracht. Artikel 3 van de Verordening is derhalve naar het oordeel van de rechtbank niet onverbindend wegens strijd met het bepaalde in artikel 88 van de Huisvestingswet.

Eiser heeft doen betogen dat de wijze waarop verweerder gebruik maakt van de bevoegdheid om een ligplaatsvergunning te verlenen, strijdig is met het bepaalde in artikel 88 van de Huisvestingswet dan wel met de uit de Verordening voortvloeiende bevoegdheid om vergunning te verlenen, omdat beweerdelijk feitelijk nimmer een ligplaatsvergunning wordt verleend.

Hoewel niet kan worden ontkend dat verweerder aanvankelijk de aanvraag om een ligplaatsvergunning lijkt te hebben ontmoedigd, is de rechtbank van oordeel dat uiteindelijk niet kan worden gesproken van een uitvoeringspraktijk waarbij zonder uitzonderingen aanvragen voor permanente ligplaatsen worden afgewezen. Het feit dat er tot nu toe geen geschikte locatie is gevonden, maakt het vorenstaande niet anders. Van een strijdige uitvoeringspraktijk als hiervoor bedoeld kan dan ook niet worden gesproken.

Voor zover eiser heeft aangevoerd dat het geldende bestemmingsplan in de weg staat aan het voldoen aan artikel 88 van de Huisvestingswet, is de rechtbank van oordeel dat indien en voor zover bestemmingsplanbepalingen ligplaatsen voor woonschepen (direct of indirect) niet toestaan, het in beginsel mogelijk is om vrijstelling te verzoeken van zodanige bepalingen. Van een blokkade voor het voldoen aan artikel 88 van de Huisvestingswet is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake. In die zin heeft verweerder overigens ook niet beslist; de uit het geldende bestemmingsplan voortvloeiende belangen zijn niet gebruikt als absolute en enige onderbouwing van de weigering, maar zijn meegewogen in de beslissing omtrent de geschiktheid van de concrete locaties.

Voor zover eisers gemachtigde ter zitting heeft gesteld dat het bepaalde in artikel 4 van de Verordening het -absoluut- onmogelijk maakt ligplaats in te nemen buiten de haven, en dat hierin een aanwijzing kan worden gevonden voor strijd met het bepaalde in artikel 88 van de Huisvestingswet, overweegt de rechtbank als volgt. Ter zitting heeft verweerders vertegenwoordiger verklaard dat dit artikel beoogt te voorkomen dat pleziervaartuigen overal afmeren en dat voor de voorliggende besluitvorming artikel 4 van de Verordening niet is gebruikt. Hoewel artikel 4 naar redactie en systematiek niet geheel gelukkig is geformuleerd en geplaatst, is naar het oordeel van de rechtbank het bepaalde in artikel 4 van de Verordening niet bedoeld om een verbod in het leven te roepen om met een woonschip ligplaats in te nemen voor een langere duur dan drie dagen. Dat artikel is voorts niet in die zin toegepast en eiser is hierdoor niet benadeeld. Eisers grief slaagt dan ook niet.

Eiser heeft gesteld dat het verzoek om concrete benoeming van locaties voor een ligplaats onredelijk is en dat het aan verweerder (dan wel aan de gemeenteraad van de gemeente Bergen) is om in samenspraak met de aanvrager locaties aan te wijzen. Verweerder heeft bij ontvangst van de aanvraag verzocht om aanvulling daarvan in het kader van artikel 4:2, tweede lid, in samenhang met het bepaalde in artikel 4:5 van de Awb. Welke gegevens en bescheiden nodig zijn voor een verantwoorde beslissing op de aanvraag hangt af van het concrete geval en de bepaling daarvan is aan het bevoegde bestuursorgaan overgelaten. Aangezien de aanvraag om een ligplaatsvergunning gericht was op het verkrijgen van een beschikking, dat wil zeggen een besluit voor een individueel en concreet geval, is het alleszins gerechtvaardigd om te vragen om een concretisering van de algemeen gestelde aanvraag. Voor zover eiser (ook) zou hebben bedoeld om de gemeenteraad te vragen om aanwijzing van een locatie, is de rechtbank van oordeel dat een dergelijk verzoek niet is te lezen in zijn brieven van 29 augustus 2005,

9 augustus (lees 8 september) 2005 en 17 september 2005. De afsluitende zin in eisers brief van 8 september 2005 (“Ik wens dan ook, in samenspraak met uw gemeente, samen tot een geschikte locatie te komen.”) is naar het oordeel van de rechtbank niet op te vatten als een verzoek om de aan verweerder gerichte aanvraag om een ligplaatsvergunning door te zenden als een verzoek om aanwijzing van een locatie aan de gemeenteraad van de gemeente Bergen. Derhalve is er op een dergelijk verzoek niet beslist en kan een dergelijke beslissing ook geen onderdeel uitmaken van de voorliggende besluitvorming.

Vervolgens dient te worden beoordeeld of aannemelijk is geworden dat de door eiser in het kader van zijn aanvraag aangewezen locaties niet geschikt zijn als ligplaats voor een woonschip en of verweerder op de gebezigde gronden de gevraagde vergunning heeft kunnen weigeren.

De rechtbank overweegt daarbij dat in de Verordening niet is bepaald in welke gevallen de vergunning kan of dient te worden verleend of geweigerd, maar uit het bepaalde in artikel 2, vierde lid, daarvan, blijkt dat verweerder bij de beoordeling van vergunningsaanvragen in ieder geval belangen van natuur, milieu, landschap, visserij, watersportrecreatie en die welke in het kader van het Binnenvaartpolitiereglement worden behartigd, dient te wegen. In dat kader acht de rechtbank ook het meewegen van uit het geldende bestemmingsplan voortvloeiende belangen niet onjuist.

De rechtbank gaat niet mee in eisers stelling dat hij in de feitelijke onmogelijkheid verkeert om de motivering van verweerders afwijzing per concrete locatie te bestrijden. Wat daar overigens ook van zij, niet gesteld of anderszins gebleken is dat verweerder een onhoudbare motivering aan zijn beslissingen ten grondslag heeft gelegd om de genoemde concrete locaties A, B, C en D niet geschikt te bevinden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dan ook in redelijkheid op de gebezigde gronden de gevraagde vergunning voor de aangewezen locaties kunnen weigeren.

Gelet op het vorenstaande komt het beroep van eiser voor ongegrondverklaring in aanmerking. De rechtbank acht geen termen aanwezig voor een veroordeling van verweerder in de proceskosten. Mitsdien wordt beslist als volgt.

III. BESLISSING

De rechtbank Roermond:

gelet op het bepaalde in artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht;

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mrs. P.J. Voncken (voorzitter), L.M.J.A. van Hövell tot Westerflier-Dassen en E.B.A. Ferwerda, in tegenwoordigheid van J.N. Buddeke als griffier en in het openbaar uitgesproken op 26 februari 2008.

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

Verzonden op: 26 februari 2008.

MV

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Ingevolge artikel 6:5 van de Awb bevat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak en moet een afschrift van de uitspraak bij het beroepschrift worden overgelegd.