Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2008:BC6876

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
27-02-2008
Datum publicatie
17-03-2008
Zaaknummer
07 / 1367 WRO K1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vrijstelling voor gebruik van een voormalige champignoncel als vakantieappartement op grond van artikel 19, derde lid, van de WRO in samenhang met artikel 20, eerste lid, aanhef en onder e, van het BRO 1985. De rechtbank gaat bij de uitleg van het begrip "woning" er vanuit dat daaronder ook dient te worden verstaan een recreatiewoning, anders dan uit de jurisprudentie van de Afdelling mbt artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a, 1 en 2, van het BRO 1985 over het begrip woongebouw volgt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

UITSPRAAK

Procedurenr. : 07 / 1367 WRO K1

Inzake : [eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

tegen : het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Kessel, gevestigd te Kessel, verweerder.

Datum en aanduiding van het bestreden besluit:

de brief d.d. 7 augustus 2007,

kenmerk: FM.

Datum van behandeling ter zitting: 21 februari 2008.

I. PROCESVERLOOP

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 7 augustus 2007 (bekend gemaakt 10 augustus 2007) heeft verweerder aan [belanghebbende] op grond van artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) in samenhang met artikel 20, eerste lid, aanhef en onder e, van het Besluit ruimtelijke ordening 1985 (Bro 1985) vrijstelling verleend voor het gebruik van een voormalige champignoncel als vakantieappartement.

Tegen dit besluit heeft eiser bij schrijven van 20 september 2007 beroep doen instellen bij deze rechtbank. De gronden van beroep zijn ingediend bij schrijven van eisers gemachtigde van 18 oktober 2007.

Op grond van artikel 8:26 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is [belanghebbende] (hierna: belanghebbende) in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen, van welke gelegenheid geen gebruik is gemaakt.

De door verweerder ingevolge artikel 8:42 van de Awb overgelegde stukken alsmede het verweerschrift zijn in afschrift aan de gemachtigde van eiser gezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 21 februari 2008, waar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. L.M.A. Schrieder, werkzaam bij Stichting Rechtsbijstand te Tilburg. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. I. Rezelman, werkzaam bij Tonnaer adviseurs in omgevingsrecht.

II. OVERWEGINGEN

Naar aanleiding van een door eiser (herhaald) ingediend verzoek om handhavend optreden wegens met het bestemmingsplan strijdig gebruik, heeft belanghebbende bij schrijven van 13 augustus 2006 verzocht om vrijstelling ten behoeve van het gebruik van een op zijn perceel aan de [adres] te [woonplaats] gelegen voormalige champignoncel als vakantieappartement.

De aanvraag is op 25 oktober 2006 gepubliceerd en heeft vanaf 26 oktober 2006 gedurende zes weken ter inzage gelegen. Binnen die termijn heeft eiser zienswijzen ingediend.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de gevraagde vrijstelling - onder weerlegging van de zienswijzen - verleend, zoals nader omschreven in rubriek I.

Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld.

In beroep heeft eiser – samengevat en zakelijk weergegeven – aangevoerd dat vrijstelling op grond van artikel 20, eerste lid, aanhef en sub e, van het Bro 1985 niet mogelijk is nu het aantal woningen ten gevolg van de verleende vrijstelling toeneemt. Eiser heeft zich verder op het standpunt gesteld dat hij, gelet op de diverse - naar de rechtbank begrijpt: op beëindiging van het strijdig gebruik - gerichte acties van het gemeentebestuur vanaf 1992 er op mocht vertrouwen dat verweerder bewoning niet toestaat. Volgens eiser heeft verweerder niet gemotiveerd waarom bewoning nu wel wordt toegestaan. Ook zijn volgens eiser zijn belangen niet in de besluitvorming betrokken. Tot slot heeft eiser gewezen op de schijn van partijdigheid nu belanghebbende al 9 jaar gemeenteraadslid is en deel uit maakt van de coalitie.

De rechtbank dient op basis van de aangevoerde beroepsgronden te beoordelen of het bestreden besluit in strijd is met het geschreven of ongeschreven recht dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel.

Het perceel is gelegen binnen het bestemmingsplan “Kern Kessel”. Op het perceel rust de bestemming “Woondoeleinden (W)”. De als zodanig op de plankaart aangewezen gronden zijn ingevolge artikel 2.01 van de planvoorschriften bestemd voor wonen.

In artikel 3.04, eerste lid, van de planvoorschriften is bepaald dat het is verboden bouwwerken te gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de in het plan aan de grond gegeven bestemming.

Ingevolge artikel 2.01, vierde lid, van de planvoorschriften wordt onder strijdig gebruik als bedoeld in artikel 3.04, eerste lid, ten minste verstaan het gebruik van bijgebouwen voor permanente of tijdelijke bewoning.

De rechtbank stelt vast – en tussen partijen is ook niet in geschil – dat het gebruik van de voormalige champignoncel als vakantieappartement in strijd is met de planvoorschriften.

Op grond van artikel 19, derde lid, van de WRO kan verweerder vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in bij algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen. De in deze bepaling bedoelde algemene maatregel van bestuur is het Bro 1985.

In artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a, van het Bro 1985 is bepaald dat voor toepassing van artikel 19, derde lid, van de WRO in aanmerking komt een wijziging in het gebruik van opstallen in de bebouwde kom, mits het aantal woningen gelijk blijft en het gebruik niet meer omvat van een bruto-vloeroppervlak van 1500m².

Het geschil spitst zich toe op de beantwoording van de vraag of ten gevolge van de bij het bestreden besluit verleende vrijstelling het aantal woningen toeneemt.

De rechtbank overweegt dienaangaande dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) weliswaar heeft geoordeeld dat onder ‘woongebouw’ als bedoeld in artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a, sub 1 en 2, van het Bro 1985, niet valt een recreatiewoning. Hoewel ‘woongebouw’ en ‘woning’ onder omstandigheden als uitwisselbare begrippen kunnen worden gebruikt, kan uit deze uitspraak naar het oordeel van de rechtbank echter niet de conclusie worden getrokken dat voor de vraag of het aantal woningen gelijk blijft, een recreatiewoning buiten beschouwing gelaten dient te worden.

De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat in artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a, sub 1 en 2, van het Bro 1985 evenals in het thans aan de orde zijnde artikel 20, eerste lid, aanhef en onder e van het Bro 1985 de eis wordt gesteld dat het aantal woningen gelijk dient te blijven. In artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a van het Bro 1985 wordt zowel het begrip ‘woongebouw’ als het begrip ‘woning’ gebruikt, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank tot gevolg heeft dat deze begrippen in het kader van deze bepaling niet als uitwisselbare begrippen aangemerkt kunnen worden. Zou dat wel zo zijn, dan had het immers voor de hand gelegen dat de wetgever zich binnen de tekst van één bepaling tot het gebruik van hetzelfde begrip zou beperken.

Voorts gaat de rechtbank er van uit, hoewel de Nota van Toelichting daaromtrent geen duidelijkheid verschaft, dat de ratio van de voorwaarde, dat het aantal woningen gelijk dient te blijven, is gelegen in het tegengaan van een toename van de woondichtheid. In dat kader dient een recreatiewoning naar het oordeel van de rechtbank wel degelijk als een woning te worden gezien.

De rechtbank overweegt voorts dat volgens de jurisprudentie van de Afdeling voor beantwoording van de vraag of het aantal woningen gelijk blijft dan wel toeneemt, aansluiting dient te worden gezocht bij de bebouwingsmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt (ABRS 4 juni 2003, AB 2003, 322).

In artikel 2.01, derde lid, onder A, sub 1, van de planvoorschriften is bepaald dat woningen aan elkaar mogen worden gebouwd, tenzij middels een aanduiding op de plankaart een maximaal aaneen te bouwen woningen wordt voorgeschreven. Op het perceel van belanghebbende is op de plankaart een 1 aangegeven.

In artikel 2.01, derde lid, onder A, sub 3, van de planvoorschriften is bepaald dat woningen uitsluitend binnen het op de plankaart aangegeven bouwvlak gebouwd mogen worden.

Uit deze voorschriften, in samenhang met de situering van de woning van belanghebbende binnen het bouwvlak volgt dat op het perceel van belanghebbende de bouw van een tweede woning niet mogelijk is.

Derhalve dient geoordeeld te worden dat de verleende vrijstelling in relatie tot de bebouwingsmogelijkheden van het bestemmingsplan wel degelijk leidt tot een toename van het aantal woningen.

Aan het bepaalde in artikel 20, eerste lid, aanhef en onder e, van het Bro 1985 wordt dan ook niet voldaan zodat op basis van deze bepaling geen vrijstelling als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de WRO kan worden verleend.

Het bestreden besluit dient reeds hierom vernietigd te worden.

De rechtbank overweegt voorts dat bij het verlenen van vrijstelling een afweging dient plaats te vinden van alle bij het besluit betrokken belangen. In het verweerschrift heeft verweerder gesteld dat die belangenafweging heeft plaatsgevonden. In het bestreden besluit is die belangenafweging echter niet kenbaar. Met name is daarin niet ingegaan op hetgeen eiser in zijn zienswijze met betrekking tot de schending van zijn privacy naar voren heeft gebracht.

Naar aanleiding van eisers beroep op het vertrouwensbeginsel overweegt de rechtbank dat door verweerder tegenover eiser nimmer uitdrukkelijk de toezegging is gedaan dat handhavend zou worden opgetreden tegen het met het bestemmingsplan strijdig gebruik. Weliswaar heeft verweerder een aantal keren aangekondigd dat het strijdig gebruik beëindigd diende te worden, maar verweerder heeft die aankondigingen nimmer vervolgd met een concrete aanzegging tot handhaving. Bovendien, indien verweerder dat destijds wel zou hebben gedaan, dan had verweerder in dat kader eveneens dienen te beoordelen of legalisatie mogelijk was. Aan verweerders opstelling in het verleden kan – anders dan eiser kennelijk doet – dan ook niet de conclusie worden verbonden dat het verweerder niet meer vrij staat alsnog vrijstelling te verlenen. Wel mag onder die omstandigheden van verweerder worden verlangd dat hij de wijziging in zijn opstelling motiveert. Die motivering ontbreekt echter in het bestreden besluit. Verweerder heeft volstaan met de overweging dat het het college vrijstaat op enig moment als gevolg van gewijzigde omstandigheden, een gewijzigd beleid, een gewijzigd inzicht of om welke reden dan ook, een beslissing te nemen die afwijkt van een eerder genomen beslissing.

Indien verweerder in kader van het ter uitvoering van deze uitspraak nieuw te nemen besluit van mening mocht zijn dat op basis van een andere wettelijke grondslag de bevoegdheid tot het verlenen van vrijstelling bestaat en hij van die bevoegdheid gebruik wil maken, dan zal verweerder aandacht dienen te schenken aan hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen.

Hetgeen overigens namens eiser naar voren is gebracht, behoeft gelet op het voorgaande geen nadere bespreking.

De rechtbank acht in verband met het vorenstaande termen aanwezig om verweerder overeenkomstig het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de door eiser in verband met de onderhavige procedure redelijkerwijs gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn op de voet van de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) vastgesteld op het in rubriek III vermelde bedrag, waarbij voor de in aanmerking te brengen proceshandelingen van de gemachtigde van eiser twee punten zijn toegekend (voor het indienen van het beroepschrift en het verschijnen ter zitting) en het gewicht van de zaak is bepaald op gemiddeld (wegingsfactor 1,0). Van andere ingevolge het Bpb voor vergoeding in aanmerking komende kosten is niet gebleken.

Derhalve wordt beslist als vermeld in rubriek 3.

III. BESLISSING

De rechtbank Roermond;

gelet op het bepaalde in de artikelen 8:70, 8:72, 8:74 en 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht;

1. verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

2. veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eiser begroot op € 644,00 (zijnde de kosten van rechtsbijstand) te vergoeden door de gemeente Kessel aan eiser;

3. bepaalt dat voornoemde rechtspersoon aan eiser het door deze gestorte griffierecht ten bedrage van € 143,00 volledig vergoedt.

Aldus gedaan door mr. E.B.A. Ferwerda in tegenwoordigheid van mr. A.M. Schmeets als griffier en in het openbaar uitgesproken op 27 februari 2008.

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

Verzonden op: 27 februari 2008.

MV

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Ingevolge artikel 6:5 van de Awb bevat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak en moet een afschrift van de uitspraak bij het beroepschrift worden overgelegd.