Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2008:BC6872

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
19-02-2008
Datum publicatie
17-03-2008
Zaaknummer
07 / 1530 BESLU K1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het College van Bestuur van de Hogeschool Zuyd kan voor de beslissing inzake het verlenen van een graad (bachelor of master) weliswaar worden aangemerkt als bestuursorgaan maar niet voor zover het betreft de beslissing tot een (andere) toevoeging aan die graad. Nu verweerder in zoverre niet kan worden aangemerkt als bestuursorgaan is de beslissing omtrent de toevoeging aan een graad geen besluit in de zin van de Awb en is de rechtbank niet bevoegd kennis te nemen van het beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2009, 296 met annotatie van J.A.F. Peters
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

UITSPRAAK

Procedurenr. : 07 / 1530 BESLU K1

Inzake : [eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

tegen : het College van Bestuur Hogeschool Zuyd, gevestigd te Heerlen, verweerder.

Datum van behandeling ter zitting: 9 januari 2008.

I. PROCESVERLOOP

Op 13 maart 2006 heeft eiser zich tot verweerder gewend met het verzoek om op het in verband met zijn afstuderen aan hem te verstrekken getuigschrift een andere toevoeging aan zijn titel ‘Bachelor’ te verbinden dan de toevoeging ‘of Social Work’. Dat verzoek is door verweerder afgewezen bij beslissing van 31 mei 2006, waartegen eiser op 6 juli 2006 bezwaar heeft gemaakt.

Op 19 juni 2006 is door de examencommissie van de Hogeschool Zuyd aan eiser een getuigschrift afgegeven. Hiertegen heeft eiser bij schrijven van 14 juli 2006 bezwaar gemaakt.

Bij beslissing van 27 september 2006 heeft verweerder beide bezwaren ongegrond verklaard.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan gemachtigde van eiser, mr. E.J.M.J.J. Houben, gezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 9 januari 2007. Nadat mr. Houben had laten weten dat hij noch zijn cliënt ter zitting zouden verschijnen, heeft mr. Defauwes, gemachtigde van verweerder, de pleitnota die zij oorspronkelijk ter zitting had willen voordragen schriftelijk aan de rechtbank gezonden en daarbij laten weten dat zij evenmin ter zitting zou verschijnen.

II. OVERWEGINGEN

Eiser volgde in 2006 de opleiding Culturele en Maatschappelijke Vorming (CMV) aan de Hogeschool Zuyd, met als afstudeerrichting [richting]. Deze afstudeerrichting maakte onderdeel uit van een pilot-traject en was derhalve nieuw binnen de opleiding CMV.

De achtergrond van eisers verzoek, de tegen de afwijzing daarvan en tegen de afgifte van het getuigschrift ingediende bezwaarschriften is gelegen in eisers opvatting dat de aan zijn graad ‘Bachelor’ toe te voegen aanduiding ‘of Social Work’ geen recht doet aan de aard en inhoud van de afstudeerrichting [richting]. Bij hem bestaat de vrees dat bij het betreden van de arbeidsmarkt misverstanden zullen ontstaan over het karakter van zijn opleiding; de toevoeging zou de indruk kunnen wekken dat hij sociaal werker is, terwijl hij tot integraal veiligheidskundige is opgeleid. Eiser heeft verweerder bij zijn verzoek in overweging gegeven om de -door eiser geformuleerde- aanduiding ‘in Public Safety & Security Management’ aan zijn graad toe te voegen.

Bij de beslissing van 27 september 2006 zijn de bezwaren van eiser ongegrond verklaard, waartoe verweerder in de kern overwoog geen wildgroei van graadtoevoegingen te wensen.

Eiser heeft in het namens hem ingediende beroepschrift verwezen naar zijn stellingen in bezwaar.

In het verweerschrift is betoogd dat de rechtbank niet bevoegd is om van het onderhavige beroep kennis te nemen. Eiser heeft dit in een na het verweerschrift ingediend schrijven, waarbij zijn beroepsgronden zijn aangevuld, betwist.

Het oordeel van de rechtbank hieromtrent luidt als volgt.

Artikel 1:3, eerste lid, van de Awb bepaalt:

“Onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.”

Artikel 1:1, eerste lid, van de Awb bepaalt:

“Onder bestuursorgaan wordt verstaan:

a. een orgaan van een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld, of

b. een ander persoon of college, met enig openbaar gezag bekleed.”

Hogelschool Zuyd is een bijzondere instelling in de zin van artikel 1.1, aanhef en onder i van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW), en gaat daarmee uit van een privaatrechtelijke rechtspersoon. Hogeschool Zuyd noch haar organen, waaronder verweerder, zijn derhalve aan te merken als bestuursorganen in de zin van artikel 1:1, eerste lid, aanhef en onder a van de Awb. De vraag doet zich dan ook voor of verweerder in het hier aan de orde zijnde geval is aan te merken als een bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1, eerste lid, aanhef en onder b van de Awb (hierna ook kortheidshalve aan te duiden als b-orgaan).

Zoals is overwogen in de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) van 19 juli 2006, LJN: AY4273, zijn bijzondere instellingen voor hoger onderwijs en hun organen niet als b-orgaan aan te merken, behoudens een in die uitspraak aan de orde zijnde uitzondering. Die uitzondering betreft de in artikel 7.58, eerste lid van de WHW bedoelde verklaring van het instellingsbestuur, ertoe strekkende dat aan een examinandus een getuigschrift als bedoeld in artikel 7.11 van de WHW kan worden afgegeven. In de desbetreffende uitspraak is het volgende overwogen:

“De Afdeling is thans nader van oordeel dat niet de - feitelijke - afgifte van het getuigschrift een uitoefening van openbaar gezag inhoudt, doch de verklaring van het instellingsbestuur ertoe strekkende dat het getuigschrift kan worden afgegeven als bedoeld in art. 7.58 lid 1 WHW. Zonder deze verklaring kan de examencommissie, gelet op het vierde lid van art. 7.58 WHW, niet overgaan tot de afgifte van het getuigschrift als bedoeld in art. 7.11 lid 1 van die wet. De beslissing van het instellingsbestuur voormeld verzoek in te willigen houdt in dat de graad als bedoeld in art. 7.10a WHW wordt verleend, hetgeen mede tot gevolg heeft dat een titel als bedoeld in art. 7.20 WHW mag worden gevoerd. Deze titel geniet ingevolge de art. 15.5 en 15.6 WHW en art. 435 Wetboek van Strafrecht wettelijke bescherming. Deze bepalingen strekken ertoe te waarborgen dat slechts degenen die daar recht op hebben, een verklaring van het instellingsbestuur ontvangen dat het betreffende getuigschrift kan worden afgegeven, blijkens hetwelk hun een graad is verleend en zij een titel mogen voeren. Nu aan het instellingsbestuur in art. 7.58 lid 1 WHW een daartoe strekkende publiekrechtelijke bevoegdheid is toegekend, dient het instellingsbestuur in zoverre dan ook als bestuursorgaan in de zin van art. 1:1 lid 1 aanhef en onder b Awb te worden aangemerkt.”

In de onderhavige zaak is aan de orde een beslissing van het instellingsbestuur, gegrond op artikel 7:10a, tweede lid van de WHW. In dat artikellid is bepaald:

“Het instellingsbestuur verleent de graad Bachelor en de graad Master aan degene die met goed gevolg het afsluitend examen van een bacheloropleiding in het hoger beroepsonderwijs onderscheidenlijk het afsluitend examen van een masteropleiding in het hoger beroepsonderwijs heeft afgelegd. Het instellingsbestuur kan voor een opleiding of een groep van opleidingen met betrekking tot een in dit lid bedoelde graad een andere toevoeging dan die, bedoeld in het eerste lid, tweede volzin, vaststellen.”

Blijkens voormelde uitspraak van de ABRS ligt de in de eerste volzin van dit artikellid bedoelde graadverlening besloten in de verklaring die het instellingsbestuur ingevolge artikel 7.58, eerste lid van de WHW afgeeft. De graadverlening heeft het in genoemde uitspraak beschreven rechtsgevolg en om die reden is het instellingsbestuur bij het afgeven van de verklaring aan te merken als b-orgaan. De beroepsgronden van eiser zien echter uitdrukkelijk niet op de graadverlening, maar op de graadtoevoeging zoals bedoeld in de tweede volzin van dit artikellid. Daargelaten de vraag of ook die graadtoevoeging, evenals de graadverlening, besloten ligt in de verklaring ingevolge artikel 7.58, eerste lid van de WHW, is de rechtbank van oordeel dat de beslissing tot het verbinden van een bepaalde toevoeging aan een verleende graad, niet op rechtsgevolg is gericht. De toevoeging geniet niet de aan de titel toekomende wettelijke bescherming en rechtspositioneel wijzigt de situatie van een afgestudeerde dan ook niet door het al dan niet verbinden van een bepaalde toevoeging aan de graad.

Om die reden kan niet gezegd worden dat verweerder bij die beslissing (in casu de beslissing van 31 mei 2006) met enig openbaar gezag is bekleed.

Nu vastgesteld moet worden dat verweerder geen bestuursorgaan is, was diens beslissing van 27 september 2006 geen besluit in de zin van de Awb en staat daartegen geen beroep bij de bestuursrechter open; naar het oordeel van de rechtbank is de civiele rechter bevoegd om over het onderhavige geschil te oordelen. De rechtbank zal zich daarom onbevoegd verklaren van het beroep kennis te nemen.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De rechtbank Roermond:

verklaart zich onbevoegd.

Aldus gedaan door mr. J.M.H. Rijken-Lie, in tegenwoordigheid van J.C. Kupers-Leenen als griffier en in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2008.

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

Verzonden op: 20 februari 2008.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Ingevolge artikel 6:5 van de Awb bevat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak en moet een afschrift van de uitspraak bij het beroepschrift worden overgelegd.