Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2008:BC5519

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
03-03-2008
Datum publicatie
03-03-2008
Zaaknummer
04/850015-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte is op 10 januari 2008 met een mes, dat hij uit de auto had meegenomen, het politiebureau binnengegaan. Als een politieambtenaar hem vraagt zijn sigaret uit te maken toont hij een mes. Ondanks verzoeken en waarschuwingen van de agent zijn mes weg te doen c.q. zijn mes op de grond te gooien, is verdachte zijn mes blijven vasthouden en heeft hij met zijn opgewonden, irrationeel gedrag de situatie ernstig laten escaleren. Verdachte heeft met zijn handelen een zeer bedreigende situatie doen ontstaan, waarbij door de politieagenten meermalen pepperspray gebruikt is moeten worden en één agent zelfs zijn dienstpistool heeft moeten trekken. Dit is voor deze laatstgenoemde agent zeer ingrijpend geweest. Blijkens de verklaring van die agent was de situatie zo ernstig bedreigend dat het slechts een fractie gescheeld heeft of verdachte was neergeschoten met alle gevolgen van dien. De rechtbank is van oordeel dat het gebruik van geweld van deze orde tegenover hulpverleners en zoals in deze settting tegen politiefunctionarissen zeer ernstig te nemen is. Het door verdachte gebezigde geweld tegen vier politiefunctionarissen weegt daarom zeer zwaar mee in de strafoplegging. Daar komt bij dat verdachte ter terechtzitting geen blijk gegeven heeft van enig inzicht in de onjuistheid van zijn handelwijze.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Parketnummer : 04/850015-08

Uitspraak d.d. : 3 maart 2008

TEGENSPRAAK

VONNIS

van de rechtbank Roermond,

meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

naam : [verdachte]

voornamen : [verdachte]

geboren op : [geboortedatum]

adres : [adres]

plaats : [adres]

thans gedetineerd [verblijfplaats]

1. Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 18 februari 2008.

2. De tenlastelegging

De verdachte staat terecht ter zake dat:

1.

hij op of omstreeks 10 januari 2008 in de gemeente Roermond ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet met een mes, in elk geval een scherp voorwerp,

een zwaaiende en/althans stekende beweging heeft gemaakt naar het (boven)lichaam van die [slachtoffer 1], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(artikel 287 juncto artikel 45 Wetboek van Strafrecht)

Althans indien terzake het vorenstaande onder 1 geen veroordeling zou volgen:

hij op of omstreeks 10 januari 2008 in de gemeente Roermond ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een mes, in elk geval

een scherp voorwerp, een zwaaiende en/althans stekende beweging heeft gemaakt naar het (boven)lichaam van die [slachtoffer 1], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(artikel 302 juncto artikel 45 Wetboek van Strafrecht)

Althans indien terzake al het vorenstaande onder 1 geen veroordeling zou volgen:

hij op of omstreeks 10 januari 2008 in de gemeente Roermond [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend met een mes, in elk

geval een scherp voorwerp, een zwaaiende en/althans stekende beweging gemaakt in de richting van het (boven)lichaam van die [slachtoffer 1];

(artikel 285 Wetboek van Strafrecht)

2.

hij op of omstreeks 10 januari 2008 in de gemeente Roermond [slachtoffer 2] en/of [getuige] en/of [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft

verdachte opzettelijk dreigend die [slachtoffer 2] en/of [getuige] en/of [slachtoffer 3] een mes, in elk geval een scherp voorwerp, getoond en/of voorgehouden en/of is hij, verdachte, (vervolgens) met dat mes, in elk geval dat scherp voorwerp, in

zijn hand(en) dreigend op die [slachtoffer 2] en/of [getuige] en/of [slachtoffer 3] toegelopen.

(artikel 285 Wetboek van Strafrecht)

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3. De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4. De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5. De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen.

6. Schorsing der vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

7. Bewijsoverwegingen

7.1 Standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 18 februari 2008 gevorderd dat het onder 1 primair en onder 2 ten laste gelegde zal worden bewezen verklaard.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde feit en dat het sub 2 ten laste gelegde bewezen kan worden verklaard.

7.2 Vrijspraakoverwegingen van de rechtbank

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte sub 1 primair en subsidiair is ten laste gelegd.

Ter terechtzitting is door de getuige [slachtoffer 1] verklaard dat verdachte het mes op ongeveer één meter afstand van die [slachtoffer 1] heeft gehouden. De afstand van genoemde één meter betrof volgens die [slachtoffer 1] de afstand van de punt van het mes tot zijn lichaam. Getuige [getuige] heeft verklaard dat verdachte zijn beweging richting [slachtoffer 1] op één meter van [slachtoffer 1] afbrak. De rechtbank gaat van de juistheid van deze afstandsschatting uit, omdat zij gelet op de verklaring van [getuige] over het gebruik van zijn dienstwapen er van overtuigd is dat [getuige] verdachte zou hebben neergeschoten als verdachte met het mes zijn collega [slachtoffer 1] tot op vijf centimeter zou zijn genaderd. De waarneming van getuige [slachtoffer 2] dat het mes [slachtoffer 1] tot op vijf centimeter genaderd was is mogelijk vertekend, omdat hij in een schuine opstelling stond tegenover [slachtoffer 1] en verdachte, in die volgorde. [getuige] daarentegen stond haaks op de lijn verdachte – [slachtoffer 1], had vrij zicht en heeft derhalve de meest ideale positie gehad om waar te nemen hoever het mes verwijderd was van [slachtoffer 1].

[slachtoffer 1] verklaart dat verdachte op ongeveer één meter afstand het mes op buikhoogte van die [slachtoffer 1] heeft gehouden. Ook [slachtoffer 2] heeft verklaard dat verdachte liep in de richting van eerdergenoemde [slachtoffer 1] met het mes naar voren gericht. Deze verklaringen zijn allen afgelegd door personen die op zeer korte afstand de handeling van verdachte hebben gezien.

Gelet op deze verklaringen komt de rechtbank allereerst tot het oordeel dat verdachte bij het naderen van [slachtoffer 1] geen zwaaiende beweging heeft gemaakt met het mes, zodat het maken van die tenlastegelegde zwaaiende beweging niet bewezenverklaard kan worden.

Ook valt op basis van deze verklaringen niet bewezen te verklaren dat verdachte bij het naderen van [slachtoffer 1] een stekende beweging heeft gemaakt naar die [slachtoffer 1]. Ook van de tenlastegelegde stekende beweging dient verdachte derhalve vrijgesproken te worden.

Vaststaat op basis van de aangehaalde verklaringen dat verdachte met een mes een beweging gemaakt heeft, namelijk dat hij met het mes gericht op buikhoogte op [slachtoffer 1] is toegelopen. De beweging met een mes in de zin van het met een mes naar voren gericht op iemand toelopen kan bewezen verklaard worden.

Vervolgens dient de rechtbank de vraag te beantwoorden hoe de beweging met het mes geduid dient te worden.

[getuige] heeft verklaard dat verdachte zijn aanval op [slachtoffer 1] op een afstand van ongeveer een meter afbrak . [getuige] heeft daarbij aangegeven dat hij niet weet waarom verdachte opeens inhield . Uit de verklaringen van [slachtoffer 1], [getuige] en [slachtoffer 2], in onderling verband en samenhang bezien, concludeert de rechtbank dat verdachte één meter voor [slachtoffer 1] zijn lopende beweging naar voren met het mes vooruit staakte, omdat de politieagent die hem daarvoor pepperspray in het gezicht had gespoten ([slachtoffer 1]) via een op dat moment openstaande toegangsdeur vluchtte. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit het staken van het naar voren lopen met een mes in elk geval de mogelijke conclusie getrokken worden dat het verdachte’s intentie was om te dreigen richting de politieagent die hem pepperspray in het gezicht spoot, opdat deze hem niet langer met pepperspray zou raken. Dat doel bereikte hij toen de politieagent vluchtte. Uit geen der verklaringen of beelden blijkt verder dat verdachte tijdens of na het vluchten van de politieagent nog een poging gedaan heeft deze agent met zijn mes te raken. De rechtbank kan gelet hierop niet boven alle twijfel vaststellen dat uit de gedraging van verdachte volgt dat er bij verdachte sprake is van opzet tot het van het leven beroven c.q. tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel in de vorm van willens en wetens steken met een mes.

Van voorwaardelijk opzet op het van het leven beroven c.q. tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel kan evenmin sprake zijn. Allereerst verwijst de rechtbank naar het feit dat verdachte richting [slachtoffer 1] blijkens de verklaringen geen zwaaiende bewegingen met een mes heeft verricht. De kans dat verdachte door het al vooruitlopende, naar voren houden van het mes een ander lichaamsdeel dan het borst/buikgedeelte van het lichaam zou treffen acht de rechtbank niet aanmerkelijk. Daarnaast acht de rechtbank de kans niet aanmerkelijk groot dat het met dit mes naar voren lopen en het mogelijk treffen van de politieagent in de buik/borststreek kan leiden tot het ten gevolge van dat treffen overlijden van die politieagent, dan wel tot het veroorzaken van zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank komt tot deze conclusie op grond van de waarneming van het mes, dat ter terechtzitting als stuk van overtuiging is getoond en dat door verdachte is herkend als zijnde het mes dat hij op 10 januari 2008 in zijn hand heeft gehouden . Het betreft een (hobby)mes, dat zoals ter terechtzitting is getoond een lemmet heeft van ongeveer 3 cm, aan de langste zijde. De rechtbank acht de kans niet aanmerkelijk dat het steken met dat mes in de buik/borststreek van een gekleed persoon een poging tot doodslag c.q. het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel kan opleveren, nu dat lemmet eerst door een of meerdere kledinglagen gestoken zou moeten worden alvorens het de huid raakt. Naar het oordeel van de rechtbank zal een steek met een dergelijk mes onder die omstandigheden in de meeste gevallen slechts tot een (oppervlakkige) steek/snijwond leiden, die niet het gevolg als gesteld in feit 1 primair en subsidiair zal hebben.

Gelet op het bovenstaande blijkt naar het oordeel van de rechtbank niet boven alle twijfel dat sprake is geweest van het (voorwaardelijk) opzet op poging tot doodslag dan wel poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel ten aanzien van [slachtoffer 1].

De situatie die verdachte heeft doen ontstaan is blijkens onder andere de verklaring van [slachtoffer 1] voor hem zeer bedreigend geweest. De bedreiging door middel van een beweging met een mes in de richting van het lichaam van [slachtoffer 1] acht de rechtbank zeer wel bewezen. De politieagent heeft deze dreiging met het mes heel wel kunnen ervaren als een dreiging tegen zijn leven gericht en de rechtbank duidt die beweging met het mes ook als zodanig.

De door verdachte ter terechtzitting geponeerde stelling dat hij trachtte te vluchten acht de rechtbank niet aannemelijk geworden. Immers, na het wegvluchten van [slachtoffer 1] weerhield niets of niemand verdachte om via de openstaande deur het politiebureau te verlaten, hetgeen hij niet heeft gedaan.

De verdachte moet derhalve van het sub 1 primair en subsidiair ten laste gelegde worden vrijgesproken. Het meer subsidiair tenlastegelegde, de bedreiging tegen het leven van agent [slachtoffer 1] gericht, acht de rechtbank wel bewezen.

7.3 Bewijsmiddelen en overwegingen van de rechtbank

De overtuiging van de rechtbank dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de volgende bewijsmiddelen.

De hieronder vermelde bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit, waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

7.3.1 (Samenvatting van de) bewijsmiddelen en standpunten van de rechtbank

Ten aanzien van het feit sub 1 meer subsidiair:

Uit het relaas van [getuige] blijkt dat verdachte op 10 januari 2008 in de hal van het politiebureau te Roermond met versnelde pas in de richting van [slachtoffer 1] liep en dat hij het mes naar voren in de richting van [slachtoffer 1] vast hield. [getuige] vreesde voor het leven van die [slachtoffer 1].

[slachtoffer 1] relateert dat hij, nadat hij verdachte vanaf een afstand van ongeveer 3 meter met pepperspray in het gezicht had gesprayd, zag dat verdachte op hem in kwam lopen en een beweging in zijn richting maakte met het mes, waarbij de afstand ongeveer 1 meter was. [slachtoffer 1] relateert bang te zijn geweest dat er gewonden of doden konden vallen en dat hij naar buiten kon vluchten.

Ten aanzien van het feit sub 2:

Uit het relaas van [slachtoffer 3] blijkt dat verdachte op 10 januari 2008 in het politiebureau aan de Andersonweg 50 te Roermond met een soort stanleymes in zijn hand stond. [slachtoffer 3] schrok en dacht dat verdachte met dat mes een van zijn collega’s wilde steken of snijden. Hij hoorde en zag dat collega [slachtoffer 2] pepperspray ter hand nam en de verdachte waarschuwde het mes te laten vallen. Nadat verdachte kennelijk geraakt werd door de pepperspray schermde hij zijn gelaat af. [slachtoffer 3] zag dat verdachte het mes nog steeds bleef vasthouden en voor zijn lichaam hield met het lemmet in de richting van onder meer zijn collega’s [getuige] en [slachtoffer 2]. [slachtoffer 3] relateert dat verdachte met het mes in zijn hand ineens vanuit de richting van de oostelijke hoek van de centrale hal van het bureau met versnelde pas naar zijn collega’s en hem toegelopen kwam. [slachtoffer 3] zag daarbij dat verdachte met het mes met zijn gestrekte rechterarm en met het lemmet op borsthoogte in de richting van hem en zijn collega’s kwam gelopen. [slachtoffer 3] relateert bang te zijn geweest.

Uit hetgeen [slachtoffer 2] relateert blijkt dat, nadat [slachtoffer 2] verdachte waarschuwde, deze het mes niet liet vallen en het mes vooruit in zijn rechterhand in de richting van [slachtoffer 2] hield. [slachtoffer 2] verklaarde bang te zijn geweest.

[getuige] relateert dat verdachte op 10 januari 2008 in het politiebureau te Roermond een mes in zijn rechterhand hield en dat sprake was van een zeer bedreigende situatie en dat hij zich bedreigd voelde.

Uit hetgeen ter terechtzitting aan de hand van de aldaar getoonde camerabeelden door de rechtbank is waargenomen, dit in relatie met de beelden (prints) en het daarbij behorende proces-verbaal , blijkt dat vòòr het moment dat de verbalisant [slachtoffer 1] naar buiten vluchtte omdat verdachte met een mes zijn kant op kwam, verdachte eerst naar voren is gekomen naar de plek waar de verbalisanten [slachtoffer 3], [slachtoffer 2] en [getuige] stonden.

Ten aanzien van de feiten sub 1 en 2:

Verdachte verklaart de controle over zichzelf te hebben verloren en de politie met een mes te hebben aangevallen.

7.4 Bewezenverklaring

Op grond van voormelde bewijsmiddelen en overwegingen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het sub 1 meer subsidiair en het sub 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 10 januari 2008 in de gemeente Roermond [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend met een mes een beweging gemaakt in de richting van het lichaam van die [slachtoffer 1];

2.

hij op 10 januari 2008 in de gemeente Roermond [slachtoffer 2] en [getuige] en [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend die [slachtoffer 2] en [getuige] en [slachtoffer 3]

een mes getoond en voorgehouden en is hij, verdachte, vervolgens met dat mes in

zijn hand dreigend op die [slachtoffer 2] en [getuige] en [slachtoffer 3] toegelopen.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen.

Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

8. Kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het ten laste van verdachte bewezenverklaarde levert op de navolgende misdrijven:

T.a.v. feit 1 meer subsidiair:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

T.a.v. feit 2:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd.

De misdrijven zijn telkens strafbaar gesteld bij artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht.

9. De strafbaarheid van verdachte

De verdachte is strafbaar voor het bewezenverklaarde nu niet is gebleken van enige omstandigheid die verdachtes strafbaarheid opheft.

10. De straffen en/of maatregelen

10.1 De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij gelegenheid van de terechtzitting op 18 februari 2008 met betrekking tot de op te leggen hoofdstraf en bijkomende straf gevorderd dat verdachte ter zake van het feit sub 1 primair en het feit sub 2 zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de tijd van 36 maanden, met aftrek ex artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan een gedeelte van 21 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat de vorderingen van de benadeelde partijen dienen te worden toegewezen en dat het in beslag genomen mes dient te worden verbeurd verklaard.

10.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van de gevorderde straf aangevoerd dat sprake is geweest van “media trial”, hetgeen op gespannen voet staat met de beginselen van een behoorlijke procesorde. Naar de mening van de raadsman dient dit te leiden tot compensatie op de voet van artikel 359a lid 1 van het Wetboek van Strafvordering.

Nu naar de mening van de raadsman verdachte voor het feit sub 1 dient te worden vrijgesproken acht de raadsman een straf gelijk aan het voorarrest in de rede te liggen, waarbij een voorwaardelijke gevangenisstraf niet geïndiceerd lijkt.

De raadsman heeft voorts aangegeven geen bezwaar te hebben tegen toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen.

10.3 De overwegingen van de rechtbank

Verdachte is op 10 januari 2008 met een mes, dat hij uit de auto had meegenomen, het politiebureau binnengegaan. Als een politieambtenaar hem vraagt zijn sigaret uit te maken toont hij een mes. Ondanks verzoeken en waarschuwingen van de agent zijn mes weg te doen c.q. zijn mes op de grond te gooien, is verdachte zijn mes blijven vasthouden en heeft hij met zijn opgewonden, irrationeel gedrag de situatie ernstig laten escaleren. Verdachte heeft met zijn handelen een zeer bedreigende situatie doen ontstaan, waarbij door de politieagenten meermalen pepperspray gebruikt is moeten worden en één agent zelfs zijn dienstpistool heeft moeten trekken. Dit is voor deze laatstgenoemde agent zeer ingrijpend geweest. Blijkens de verklaring van die agent was de situatie zo ernstig bedreigend dat het slechts een fractie gescheeld heeft of verdachte was neergeschoten met alle gevolgen van dien. De rechtbank is van oordeel dat het gebruik van geweld van deze orde tegenover hulpverleners en zoals in deze settting tegen politiefunctionarissen zeer ernstig te nemen is. Het door verdachte gebezigde geweld tegen vier politiefunctionarissen weegt daarom zeer zwaar mee in de strafoplegging. Daar komt bij dat verdachte ter terechtzitting geen blijk gegeven heeft van enig inzicht in de onjuistheid van zijn handelwijze.

De raadsman heeft aangevoerd dat als gevolg van alle ophef die er, bewust gezocht door een gezagsdrager, in de media over deze zaak is ontstaan, verdachte door de buitenwereld reeds is veroordeeld. De ophef heeft volgens de raadsman dan ook invloed op de strafzaak en wel zodanig dat toepassing dient te worden gegeven aan artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering en dat dit in de strafmaat tot uitdrukking dient te worden gebracht.

De rechtbank ziet in de publieke ophef die het handelen van verdachte en met name zijn aanvankelijke invrijheidstelling heeft teweeggebracht geen aanleiding tot strafvermindering over te gaan. De rechtbank is van oordeel dat verdachte door de publiciteit niet in zijn verdedigingsbelang is geschaad.

Voorts heeft de rechtbank bij de strafmaat in het voordeel van verdachte betrokken het gegeven dat verdachte blijkens het uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister niet eerder is veroordeeld en dat verdachte blijkens het rapport van de Reclassering d.d. 12 februari 2008 beschikt over een goed lopend bedrijf in Roermond, waarvoor hij hard werkt.

De rechtbank is voorts van oordeel dat met het oog op een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of lagere straf dan de hierna vermelde vrijheidsstraf met een onvoorwaardelijk deel. Gelet op de zeer bedreigende situatie en de angstgevoelens die verdachte heeft doen ontstaan en het feit dat de agressie van verdachte, de bedreiging met een mes, zich richtte tegen hulpverleners, kan niet volstaan worden met een geldboete of werkstraf. De rechtbank acht een gevangenisstraf hier op zijn plaats.

Met het daarnaast opleggen van een (deels) voorwaardelijke vrijheidsstraf wordt de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

10.4 Verbeurdverklaring

De rechtbank is van oordeel dat het inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten een mes, kleur blauw, merk Elite, dient te worden verbeurdverklaard.

Genoemd voorwerp is vatbaar voor verbeurdverklaring aangezien met betrekking tot dat voorwerp de feiten zijn begaan.

10.5 De vorderingen van de benadeelde partijen en de schadevergoedings-maatregelen

[slachtoffer 1], domicilie kiezend te 6041 JE Roermond, Andersonweg 50, heeft ter terechtzitting mondeling een vordering benadeelde partij ingediend met betrekking tot de als gevolg van de hiervoor onder 1 ten laste gelegde feit geleden immateriële schade.

[slachtoffer 1] voornoemd heeft de immateriële schade op een bedrag van € 300,-- gesteld en wil die schade vergoed krijgen.

Ten laste van verdachte is het hiervoor onder 1 meer subsidiair ten laste gelegde feit bewezen. Het is een strafbaar feit en verdachte zal ter zake van dat feit worden veroordeeld.

Naar het oordeel van de rechtbank is de vordering, die door verdachte niet is weersproken en die de rechtbank niet bovenmatig voorkomt, voor toewijzing vatbaar, zodat de rechtbank het schadebedrag zal vaststellen op een totaalbedrag van € 300,--.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade.

De rechtbank zal de verdachte veroordelen in de kosten van het geding door de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedrag gemaakt, begroot op nihil.

De rechtbank zal over de vordering van de benadeelde partij, overeenkomstig het hiervoren overwogene, beslissen zoals hierna is vermeld, alsmede over de kosten die door de benadeelde partij zijn gemaakt, thans begroot op nihil.

De rechtbank zal tevens aan verdachte de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van € 300,-- bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 6 dagen, te betalen ten behoeve van [slachtoffer 1],

p/a 6041 JE Roermond, Andersonweg 50, zoals hierna in het dictum genoemd.

[slachtoffer 2], domicilie kiezend te 6041 JE Roermond, Andersonweg 50, heeft ter terechtzitting mondeling een vordering benadeelde partij ingediend met betrekking tot de als gevolg van het hiervoor onder 2 ten laste gelegde feit geleden immateriële schade.

[slachtoffer 2] voornoemd heeft de immateriële schade op een bedrag van € 200,-- gesteld, en wil die schade

vergoed krijgen.

Ten laste van verdachte is het hiervoor onder 2 ten laste gelegde feit bewezen. Het is een strafbaar feit en verdachte zal ter zake van dat feit worden veroordeeld.

Naar het oordeel van de rechtbank is de vordering, die door verdachte niet is weersproken en die de rechtbank niet bovenmatig voorkomt, voor toewijzing vatbaar, zodat de rechtbank het schadebedrag zal vaststellen op een totaalbedrag van € 200,--.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade.

De rechtbank zal de verdachte veroordelen in de kosten van het geding door de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedrag gemaakt, begroot op nihil.

De rechtbank zal over de vordering van de benadeelde partij, overeenkomstig het hiervoren overwogene, beslissen zoals hierna is vermeld, alsmede over de kosten die door de benadeelde partij zijn gemaakt, thans begroot op nihil.

De rechtbank zal tevens aan verdachte de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van € 200,-- bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 4 dagen, te betalen ten behoeve van [slachtoffer 2],

p/a 6041 JE Roermond, Andersonweg 50, zoals hierna in het dictum genoemd.

[getuige], domicilie kiezend te [adres getuige], heeft door tussenkomst van een vertegenwoordiger ([slachtoffer 2]) ter terechtzitting mondeling een vordering benadeelde partij ingediend met betrekking tot de als gevolg van het hiervoor onder 2 ten laste gelegde feit geleden immateriële schade.

[getuige] voornoemd heeft de immateriële schade op een bedrag van € 300,-- gesteld, en wil die schade vergoed krijgen.

Ten laste van verdachte is het hiervoor onder 2 ten laste gelegde feit bewezen. Het is een strafbaar feit en verdachte zal ter zake van dat feit worden veroordeeld.

Naar het oordeel van de rechtbank is de vordering, die door verdachte niet is weersproken en die de rechtbank niet bovenmatig voorkomt, voor toewijzing vatbaar, zodat de rechtbank het schadebedrag zal vaststellen op een totaalbedrag van € 300,--.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade.

De rechtbank zal de verdachte veroordelen in de kosten van het geding door de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedrag gemaakt, begroot op nihil.

De rechtbank zal over de vordering van de benadeelde partij, overeenkomstig het hiervoren overwogene, beslissen zoals hierna is vermeld, alsmede over de kosten die door de benadeelde partij zijn gemaakt, thans begroot op nihil.

De rechtbank zal tevens aan verdachte de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van € 300,-- bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 6 dagen, te betalen ten behoeve van [getuige],

p/a [adres getuige], zoals hierna in het dictum genoemd.

11. Toepasselijke wetsartikelen

Na te melden beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 14a, 14b, 14c, 24c, 27, 36f, 57, 285.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het sub 1 primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het sub 1 meer subsidiair en het sub 2 ten laste gelegde zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

verstaat dat het aldus bewezenverklaarde de hiervoor vermelde strafbare feiten oplevert en verklaart verdachte ter zake strafbaar;

veroordeelt verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd van 8 maanden;

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van 4 maanden, niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 2 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

beveelt dat de tijd door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan verdachte opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

verklaart verbeurd:

een mes, kleur blauw, merk Elite;

Toewijzing van de vordering benadeelde partij [slachtoffer 1] van € 300,--;

veroordeelt verdachte om tegen bewijs van betaling aan benadeelde partij [slachtoffer 1], p/a Andersonweg 50,

6041 JE Roermond, te betalen een bedrag van € 300,--;

legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat te betalen een som geld ten bedrage van € 300,-- subsidiair 6 dagen hechtenis ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 1], p/a Andersonweg 50, 6041 JE Roermond, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de opgelegde verplichting tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

bepaalt dat indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 300,-- ten behoeve van voornoemd slachtoffer daarmede de verplichting van verdachte om dit bedrag aan voornoemde benadeelde

partij te betalen komt te vervallen en dat indien dit bedrag door verdachte aan voornoemde benadeelde partij is betaald, daarmee de verplichting tot betaling van dit bedrag aan de Staat ten behoeve van voornoemd slachtoffer komt te vervallen;

veroordeelt verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedrag alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil;

Toewijzing van de vordering benadeelde partij [slachtoffer 2] van € 200,--;

veroordeelt verdachte om tegen bewijs van betaling aan benadeelde partij [slachtoffer 2], p/a Andersonweg 50, 6041 JE Roermond, te betalen een bedrag van € 200,--;

legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat te betalen een som geld ten bedrage van € 200,-- subsidiair 4 dagen hechtenis ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 2], p/a Andersonweg 50, 6041 JE Roermond, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de opgelegde verplichting tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

bepaalt dat indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 200,-- ten behoeve van voornoemd slachtoffer daarmede de verplichting van verdachte om dit bedrag aan voornoemde benadeelde

partij te betalen komt te vervallen en dat indien dit bedrag door verdachte aan voornoemde benadeelde partij is betaald, daarmee de verplichting tot betaling van dit bedrag aan de Staat ten behoeve van voornoemd slachtoffer komt te vervallen;

veroordeelt verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedrag alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil;

Toewijzing van de vordering benadeelde partij [getuige] van € 300,--;

veroordeelt verdachte om tegen bewijs van betaling aan benadeelde partij [getuige], p/a [adres getuige], te betalen een bedrag van € 300,--;

legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat te betalen een som geld ten bedrage van € 300,-- subsidiair 6 dagen hechtenis ten behoeve van het slachtoffer genaamd [getuige], p/a [adres getuige], met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de opgelegde verplichting tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

bepaalt dat indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 300,-- ten behoeve van voornoemd slachtoffer daarmede de verplichting van verdachte om dit bedrag aan voornoemde benadeelde

partij te betalen komt te vervallen en dat indien dit bedrag door verdachte aan voornoemde benadeelde partij is betaald, daarmee de verplichting tot betaling van dit bedrag aan de Staat ten behoeve van voornoemd slachtoffer komt te vervallen;

veroordeelt verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedrag alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Vonnis gewezen door mrs. E.J.M. Boogaard-Derix, L.J.A. Crompvoets en L.P. Bosma, rechters, van wie mr. L.J.A. Crompvoets voorzitter, in tegenwoordigheid van C. van Est als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 3 maart 2008.