Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2008:BC5199

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
15-02-2008
Datum publicatie
27-02-2008
Zaaknummer
83686 / KG ZA 07 - 292
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vervaltermijn van artikel 13, tweede lid CSV. Geldt deze ook voor reeds aangevangen invorderingen? De voorzieningenrechter beantwoordt deze vraag bevestigend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROERMOND

Sector civielrecht

zaaknummer / rolnummer: 83686 / KG ZA 07-292

Vonnis in kort geding van 15 februari 2008

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

procureur mr. H.J.J.M. van der Bruggen,

advocaat mr. E.A.S. Jansen te Nijmegen,

tegen

HET KANTOOR VAN DE ONTVANGER / BELASTINGDIENST RIVIERENLAND/NIJMEGEN,

gevestigd te Nijmegen,

gedaagde,

procureur mr. J.P. Hennissen,

advocaat mr. J.A. Dullaart te 's-Gravenhage.

Partijen zullen hierna [eiser] en de Ontvanger genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 3 januari 2008,

- de mondelinge behandeling op 1 februari 2008,

- de pleitnota van [eiser]

- de pleitnota van de Ontvanger.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Bij besluit van 23 augustus 1994 is [eiser] door het SFB Uitvoeringsorganisatie grond van artikel 16d Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV) aansprakelijk gesteld voor alle door Aannemingsbedrijf [bedrijfsnaam] B.V. voor de jaren 1986 tot en met 1989 onbetaald gelaten premieschulden ten bedrage van f. 1.602.653,84. Een tegen dit besluit door [eiser] ingediend bezwaar is bij besluit van 16 augustus 1995 ongegrond verklaard.

2.2. Bij vonnis van deze rechtbank, sector bestuursrecht, van 25 oktober 1996 is het daartegen door [eiser] ingestelde beroep gegrond verklaard en waarbij het besluit van 16 augustus 1995 is vernietigd.

2.3. Bij besluit van het SFB van 29 januari 1997 is het besluit van 23 augustus 1994 gewijzigd en is de aansprakelijkheid van [eiser] gematigd tot een bedrag van f. 949.150,50.

2.4. Bij besluit van het SFB van 31 augustus 1998 is het besluit van 29 januari 1997 herzien en is bedrag waarvoor [eiser] aansprakelijk wordt gehouden terug gebracht tot f. 609.320,25 (EUR 276.497,47).

2.5. Bij vonnis van deze rechtbank van 8 januari 1998 is [eiser] - onder voorwaarde dat de aansprakelijkheidstelling van 29 januari 1997 door de Centrale Raad van Beroep in stand wordt gelaten - onder meer veroordeeld tot betaling van een bedrag van f. 250.000,--.

2.6. Het door [eiser] tegen het vonnis van 25 oktober 1996 bij de Centrale Raad van Beroep ingestelde hoger beroep is door (de toenmalige advocaat van) [eiser] ingetrokken.

2.7. Door het UVW is op 4 november 2005 tegen [eiser] een dwangbevel uitgevaardigd, gedagtekend 28 oktober 2005, tot betaling van een bedrag van EUR 276.497,47.

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert - samengevat -

primair: alle aan [eiser] gelaten dwangbevelen buiten effect te stellen en de Ontvanger te bevelen alle executiemaatregelen jegens [eiser] te staken en gestaakt te houden totdat in een bodemprocedure einduitspraak is gedaan over de vraag of de Ontvanger nog het recht heeft executiemaatregelen te jegens [eiser] te entameren;

subsidiair: alle aan [eiser] gelaten dwangbevelen buiten effect te stellen en de Ontvanger te bevelen alle executiemaatregelen jegens [eiser] te staken en de met [eiser] gesloten overeenkomst na te komen;

uiterst subsidiar: alle aan [eiser] gelaten dwangbevelen buiten effect te stellen en de Ontvanger te bevelen alle executiemaatregelen jegens [eiser] te staken en de Ontvanger te bevelen [eiser] de mogelijkheid te bieden gedurende een jaar van de datum van dit vonnis de mogelijkheid te bieden zijn woning onderhands te verkopen met behoud van recht op bewoning om met de verkoopopbrengst daarvan eventuele vorderingen van de Ontvanger te voldoen tegen finale kwijting.

3.2. De Ontvanger voert verweer.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Bij de beoordeling van de ingestelde vorderingen overweegt de rechter eerst dat gebleken is dat slechts sprake is van één dwangbevel op grond waarvan de executie ingang is gezet. Uit de ingestelde vorderingen zou kunnen worden afgeleid dat er meerdere dwangbevelen aan [eiser] zijn betekend en dat op basis daarvan meerdere executiemaatregelen zijn genomen, doch daaromtrent is niets gesteld noch gebleken. De vorderingen hebben dus enkel en alleen betrekking op het dwangbevel van 28 oktober 2005.

4.2. Partijen verschillen van mening over de vraag of de Ontvanger, die de executie van de vordering van het UWV, die de rechten en plichten van het SFB heeft overgenomen, gerechtigd is de executie van het woonhuis van [eiser] voort te zetten. [eiser] stelt zich in dat verband op het standpunt dat het recht van de Ontvanger is vervallen, terwijl de Ontvanger van mening is dat zij nog steeds de mogelijkheid heeft om de vordering op [eiser] in te vorderen.

4.3. Naar het oordeel van de rechter kan in de discussie tussen partijen in het midden blijven of de termijn als bedoeld in artikel 13 CSV aanvangt bij vaststelling van de premies in februari 1992 dan wel bij de formele aansprakelijkheidsstelling. Immers staat vast tussen partijen dat [eiser] voor het eerst in augustus 1994 aansprakelijk is gesteld. Indien dit als begindatum voor de vervaltermijn zou gelden is deze in augustus 2004 verstreken. Dit zou alleen dan anders zijn indien de latere aansprakelijkheidsstellingen de termijn opnieuw zouden hebben laten aanvangen. Deze gedachte verhoudt zich in het geval als het onderhavige, waar de aansprakelijkheid is blijven zien op dezelfde premies, echter niet met het karakter van een vervaltermijn nu hierdoor immers feitelijk stuiting van lopende termijnen telkens opnieuw mogelijk zou worden.

4.4. Daaruit volgt dat het recht om in te vorderen is vervallen in augustus 2004. In dit verband stelt de Ontvanger nog dat er tijdig tot invordering is overgegaan doordat vóór 2004 -middels het halen van de civiele titel- een begin met invorderen is gemaakt. De rechtbank volgt deze redenering niet. Vastgesteld dient te worden dat artikel 97 CSV (oud), de directe voorganger van het onderhavige artikel 13, tweede lid CSV, anders geredigeerd was. Niet blijkt echter dat de wetgever met betrekking tot het onderhavige punt ook daadwerkelijk wijziging heeft beoogd. De vraag of met de zinsnede "is ingevorderd" in artikel 13, tweede lid CSV in afwijking van het oude recht derhalve bedoeld zou zijn te laten volstaan met een aanvangshandeling, dient dan ook ontkennend beantwoord te worden. Kort gezegd: lopende invorderingen vallen daarmee ook onder het bereik van de vervaltermijn. De - praktische- bezwaren die de Belastingdienst daar voorts nog tegen in brengt maken dit niet anders. De rechtbank kan alleen vaststellen dat daar wellicht een rol voor de wetgever weggelegd is.

4.5. Nu de gevraagde voorziening ziet op het stoppen van de executie van de bestuursrechterlijke titel en er niet is gesteld of gebleken van een executie op grond van de civielrechtelijke titel ontbreekt er een voldoende spoedeisend belang bij een door de Ontvanger/partijen verzochte uitspraak aangaande de civielrechtelijke titel.

4.6. Het door [eiser] gevraagde "buiten effect stellen" vat de rechtbank op als wordt gevraagd de executie op te schorten, nu immers een andere vordering het kader van een kort geding te buiten zou gaan en de rechter ook overigens niet bevoegd is tot het geven van een declaratoire uitspraak. Deze opschorting acht de rechter op grond van het vorenstaande toewijsbaar. Daarbij zal evenwel aan [eiser] de verplichting worden opgelegd binnen een termijn van drie maanden na betekening van dit vonnis een bodemprocedure aanhangig te maken omtrent het definitieve karakter van de onderhavige problematiek.

4.7. De Ontvanger zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding EUR 85,44

- vast recht 254,00

- salaris procureur 816,00

Totaal EUR 1.155,44

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. schort op de executie van het dwangbevel van 28 oktober 2005, zulks onder de verplichting aan [eiser] dat binnen 3 maanden na betekening van dit vonnis een bodemprocedure aanhangig wordt gemaakt,

5.2. veroordeelt De Ontvanger in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op EUR 1.155,44,

5.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M.J.F. Piëtte en in het openbaar uitgesproken op 15 februari 2008.?