Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2008:BC4510

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
12-02-2008
Datum publicatie
18-02-2008
Zaaknummer
07 / 1833 GEMWT RV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aan eiser is een dwangbevel uitgevaardigd omdat eiser, ondanks de eerder aan hem gezonden aanmaning, in gebreke is gebleven het bedrag wegens de verbeuring van een dwangsom tijdig te voldoen. De dwangsom was opgelegd in verband met het in opslag houden van bouwpuin. Tegen de aan eiser opgelegde dwangsom is namens eiser bezwaar gemaakt.

Inning dwangsom geen besluit i.d.z.v. 1:3 lid 1 Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

UITSPRAAK van de rechtbank met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Procedurenr. : 07 / 1833 GEMWT RV

Inzake : [eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

tegen : het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Roerdalen, gevestigd te , verweerder.

Datum en aanduiding van het bestreden besluit:

de brief d.d. 23 oktober 2007,

kenmerk: 2007-1653.

I. PROCESVERLOOP

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 23 oktober 2007 (verzonden op 31 oktober 2007) heeft verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard. Het bezwaar was gericht tegen de aan eiser opgelegde dwangsom voor het in opslag houden van bouwpuin.

Tegen het besluit van 23 oktober 2007 is namens eiser bij beroepschrift van

29 november 2007 en aanvullend bij brief van 10 december 2007 beroep ingesteld.

Bij brieven van 5 december 2007 is aan partijen meegedeeld dat de rechtbank ambtshalve heeft besloten tot versnelde behandeling als bedoeld in artikel 8:52 van de Awb.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Awb ingezonden stukken en het verweerschrift zijn op 3 januari 2008 in afschrift aan de gemachtigde van eiser gezonden.

II. OVERWEGINGEN

Ingevolge artikel 8:54 van de Awb kan de rechtbank, totdat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting te verschijnen, het onderzoek sluiten indien voortzetting van het onderzoek niet nodig is omdat zij kennelijk onbevoegd is, dan wel het beroep kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is.

De rechtbank acht in dit geval termen aanwezig om van vorenbedoelde bevoegdheid gebruik te maken.

Op 23 mei 2007 is aan eiser een dwangbevel uitgevaardigd omdat eiser, ondanks de eerder aan hem gezonden aanmaning, in gebreke is gebleven het bedrag wegens de verbeuring van een dwangsom tijdig te voldoen. De dwangsom was opgelegd in verband met het in opslag houden van bouwpuin. Tegen de aan eiser opgelegde dwangsom is namens eiser bij brief van 7 juli 2007 bezwaar gemaakt. Het bezwaar is op 10 juli 2007 bij verweerder ontvangen.

Bij het bestreden besluit van 23 oktober 2007 is het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard omdat ten aanzien van de (inning van de) dwangsom geen sprake is van een voor bezwaar en beroep vatbaar besluit.

De rechtbank dient te beoordelen of het bestreden besluit van 23 oktober 2007 de rechterlijke toets kan doorstaan. Daarbij mag de rechtbank enkel beoordelen of verweerder terecht het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk heeft verklaard en terecht niet is overgegaan tot inhoudelijke behandeling van het bezwaar.

Dienaangaande wordt overwogen als volgt.

In artikel 1:3, eerste lid van de Awb wordt onder besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Om van een zodanige rechtshandeling te kunnen spreken is nodig dat een beslissing een rechtsgevolg beoogt.

Het besluit waartegen het beroep van eiser is gericht, is een besluit als bedoeld in artikel 1:3, lid 1, van de Awb. Een beslissing op een bezwaarschrift als bedoeld in de Awb behelst als zodanig een publiekrechtelijke rechtshandeling en is dus zonder meer aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3, lid 1, van die wet. De rechtbank acht zich daarom bevoegd om in deze procedure een uitspraak te doen.

De rechtbank is allereerst met verweerder van oordeel dat de bezwaren van eiser zich niet richten tegen een appellabel besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid van de Awb, dan wel een daarmee gelijk te stellen handeling. De rechtbank stelt vast dat reeds op 18 mei 2005 (verzonden op 25 mei 2005) een last onder dwangsom aan eiser is opgelegd, dat hiertegen bezwaar is gemaakt en dat het bezwaar vervolgens is ingetrokken, waardoor daarmee de betalingsverplichting vast is komen te staan. Mede gelet op de definitie in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, is (het opleggen van) een dwangbevel niet gericht op publiekrechtelijk rechtsgevolg. Verweerder heeft een civielrechtelijke vordering verkregen op eiser en het dwangbevel ziet op de civielrechtelijke afwikkeling van het onherroepelijke dwangsombesluit en bevat geen nieuwe publiekrechtelijke rechtshandeling jegens eiser.

De rechtbank merkt voorts op dat tegen een dwangbevel het rechtsmiddel verzet openstaat door dagvaarding van de gemeente voor de (arrondissements)rechtbank binnen wier rechtsgebied de gemeente is gelegen. Dat dit rechtsmiddel, waarop eiser door verweerder is gewezen, door hem niet is aangewend komt geheel voor zijn rekening en risico. Daarnaast merkt de rechtbank op dat artikel 6:15 van de Awb niet voorziet in doorzending van zaken van de bestuursrechter of het bestuursorgaan naar de civiele rechter (verwezen wordt onder andere naar ABRS 6 november 2002, JB 2003, 8). Tenslotte zij nog benadrukt dat het onderliggende dwangsombesluit van 18 mei 2005 inmiddels in rechte onherroepelijk is en derhalve vaststaat, zodat het in de onderhavige procedure niet meer inhoudelijk ter discussie kan worden gesteld.

Verweerder heeft derhalve bij het besluit op bezwaar terecht en op goede gronden besloten tot niet-ontvankelijkheid van dat bezwaar. Het vorenstaande voert tot het oordeel dat het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep kennelijk ongegrond is. Aan een inhoudelijke beoordeling komt de rechtbank derhalve niet toe.

Mitsdien wordt beslist als aangegeven in rubriek III.

III. BESLISSING

De rechtbank Roermond;

gelet op het bepaalde in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht;

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. drs. E.J. Govaers in tegenwoordigheid van M.B.G. Cox-Vorage als griffier en in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2008.

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Verzonden op: 12 februari 2008.

MC

Tegen deze uitspraak staat het rechtsmiddel verzet open. Indien u daarvan gebruik wenst te maken, dient u binnen zes weken na dagtekening van de verzending van het afschrift van deze uitspraak, een verzetschrift aan deze rechtbank (p.a. Rechtbank Roermond, Postbus 950, 6040 AZ Roermond) te zenden. Daarin vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt. Tevens gelieve u aan te geven of u wel/niet in de gelegenheid gesteld wilt worden over het verzet te worden gehoord.