Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2008:BC4055

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
22-01-2008
Datum publicatie
12-02-2008
Zaaknummer
04/610086-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Dubbele poging tot moord en afpersing

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Parketnummer : 04/610086-07

Uitspraak d.d. : 22 januari 2008

TEGENSPRAAK

VONNIS

van de rechtbank Roermond,

meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

naam : [verdachte]

voornamen : [voornamen verdachte]

geboren op : [geboortedatum en plaats verdachte]

adres : [adres verdachte]

plaats : [postcode en woonplaats verdachte]

thans gedetineerd in P.I. Zuid Oost, HvB Roermond, Keulsebaan 530

Roermond.

1. Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 8 januari 2008.

2. De tenlastelegging

De verdachte staat terecht ter zake dat:

1.

hij op of omstreeks 18 april 2007 te Sint Odiliënberg, in elk geval in de gemeente Roerdalen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen die [slachtoffer 1] (een) kogel(s) in het hoofd heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(artikel 289 juncto artikel 45 Wetboek van Strafrecht)

Althans indien terzake het vorenstaande onder 1 geen veroordeling zou volgen:

hij op of omstreeks 18 april 2007 te Sint Odiliënberg, in elk geval in de gemeente Roerdalen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet met een vuurwapen die [slachtoffer 1] (een) kogel(s) in het hoofd heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(artikel 287 juncto artikel 45 Wetboek van Strafrecht)

2.

hij op of omstreeks 18 april 2007 te Sint Odiliënberg, in elk geval in de gemeente Roerdalen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 2] van het leven te beroven, met

dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen die [slachtoffer 2] een kogel in het hoofd heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(artikel 289 juncto artikel 45 Wetboek van Strafrecht)

Althans indien terzake het vorenstaande onder 2 geen veroordeling zou volgen:

hij op of omstreeks 18 april 2007 te Sint Odiliënberg, in elk geval in de gemeente Roerdalen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet met een

vuurwapen die [slachtoffer 2] een kogel in het hoofd heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(artikel 287 juncto artikel 45 Wetboek van Strafrecht)

3.

hij op of omstreeks 18 april 2007 te Sint Odiliënberg, gemeente Roerdalen, in elk geval in het arrondissement Roermond, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld

[slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een GSM, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk geweld en/of welke bedreiging met

geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, die [slachtoffer 1] een vuurwapen heeft getoond en/of voorgehouden en tegen die [slachtoffer 1] heeft gezegd "Geef die telefoon anders sta je niet meer op" in elk geval woorden van soortgelijke dreigende aard en/of strekking,zulks terwijl dit feit werd gepleegd op de openbare weg, te weten de Boscherweg;

(artikel 317 Wetboek van Strafrecht)

4.

hij op of omstreeks 18 april 2007 te Sint Odiliënberg, in elk geval in de gemeente Roerdalen voorhanden heeft gehad een vuurwapen van de categorie III onder 1, te weten een revolver, en/of munitie van categorie III, te weten 3, in elk geval een aantal, patronen;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

(artikel 26 Wet Wapens en Munitie)

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3. De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4. De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5. De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen.

6. Schorsing der vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

7. Bewijsoverwegingen

7.1 Standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 8 januari 2008 gevorderd dat het ten laste gelegde zal worden bewezen verklaard.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde poging tot moord. De raadsman acht de telkens subsidiair ten laste gelegde poging tot doodslag wel wettig en overtuigend bewezen. Ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde feit is de raadsman van mening dat de verdachte van de afpersing van de telefoon moet worden vrijgesproken. De diefstal van de telefoon acht de raadsman wel bewezen. Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

7.2 Bewijsmiddelen en overwegingen van de rechtbank

De overtuiging van de rechtbank dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de volgende bewijsmiddelen. De hieronder vermelde bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit, waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.De genoemde geschriften zijn slechts gebruikt in verband met de inhoud van de overige bewijsmiddelen.

Ten aanzien van de ten laste gelegde feiten

Op 18 april 2007 om 22.30 uur komt er bij het meldcentrum van de politie Limburg-Noord een melding binnen van een vrouw dat er een schietpartij had plaatsgevonden waarbij meldster en haar vriend zouden zijn beschoten door ene [voornaam verdachte] en dat deze persoon in een gestolen auto, Opel Vectra, met het kenteken [kenteken auto] zou rijden. Vooraf hadden beide slachtoffers aan collega’s kort weergeven wat er was gebeurd en dat de schietpartij op een bospad nabij een blokhut langs de Heidestraat te Sint Odiliënberg had plaatsgevonden.

Naar aanleiding van deze melding is de politie ter plaatse gegaan en werden in personenauto op de Reutjesweg te Sint Odiliënberg een man, genaamd [[slachtoffer 2], en een vrouw, genaamd [slachtoffer 1], aangetroffen. Beide personen bleken aan het hoofd gewond te zijn en werden door een ambulance weggevoerd naar het Laurentius ziekenhuis te Roermond. Het slachtoffer [slachtoffer 1] deelde mee dat die [voornaam verdachte] haar telefoon, een roze Nokia 62301, telefoonnummer [telefoonnummer] had weggenomen.

Nader onderzoek wees uit dat het bospad waar de schietpartij zou hebben plaatsgevonden is genaamd: Boscherweg, gelegen in de gemeente Sint Odiliënberg.

De politie heeft op 18 april 2007 omstreeks 22.50 uur de slachtoffers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in het ziekenhuis bezocht. Door personeel van de Eerste Hulp werd meegedeeld dat het slachtoffer [slachtoffer 1] een projectiel in haar hoofd had zitten en dat er mogelijk kruitsporen op haar hoofd zaten. Door de verbalisanten werd gezien dat er bij het slachtoffer [slachtoffer 1] meerdere zwarte puntjes op en in haar linkeroor en in de haarlijn achter het linkeroor zaten. Door de verbalisanten werd tevens gezien dat tussen de haren van [slachtoffer 1], ongeveer 2 cm nagenoeg recht boven het linkeroor een wond zat. Tevens zagen de verbalisanten dat het slachtoffer [slachtoffer 1] nog een wond had die gebloed had. Deze wond zat ongeveer 10 cm boven het linkeroor, nagenoeg in de ronding van de schedel. Door een Eerste Hulp-arts en Eerste Hulp- personeel werd het projectiel uit het hoofd van slachtoffer [slachtoffer 1] verwijderd en overhandigd aan de verbalisanten en veiliggesteld en overgedragen voor technisch onderzoek.

Bij het slachtoffer [slachtoffer 2] werden door de politie soortgelijke zwarte puntjes aangetroffen in zowel de haarlijn aan de rechterzijde van het hoofd als in de oorschelp rechts. Uit de gemaakte röntgenfoto’s bleek dat het slachtoffer [slachtoffer 2] ook een projectiel in zijn hoofd had aan de rechterzijde ter hoogte van zijn slaap. Door Eerste Hulp-personeel werd meegedeeld dat het projectiel niet kon worden verwijderd omdat het projectiel te diep zat en vlakbij een slagader zat.

Door ziekenhuispersoneel te Roermond werden twee cd’s ter beschikking gesteld met daarop scanfoto’s van beide slachtoffers. Op deze foto’s was duidelijk zichtbaar dat bij [slachtoffer 1] een kogelpunt aan de rechterzijde ongeveer boven op haar hoofd in de schedel is blijven steken en dat bij het slachtoffer [slachtoffer 2] een kogelpunt aan zijn rechterzijde ongeveer nabij de slaap, in de schedel is blijven steken.

Tevens werd door ziekenhuispersoneel de kogelpunt ter beschikking gesteld welke bij het slachtoffer [slachtoffer 1] operatief uit haar schedel was verwijderd. Door het aanwezige ziekenhuispersoneel werd meegedeeld dat indien een van de kogelpunten door de schedel van [slachtoffer 1] of [slachtoffer 2] zou zijn gedrongen dit zeer waarschijnlijk ernstig letsel zou hebben veroorzaakt dan wel de dood ten gevolge zou hebben gehad.

Op 2 mei 2007 ontving het onderzoeksteam een kunststof potje met daarin een kogelpunt, welke kogelpunt bij het slachtoffer [slachtoffer 2] was verwijderd. Beide kogelpunten werden met elkaar vergeleken. Vermoedelijk betrof het soortgelijke kogelpunten van het kaliber .22.

Ter terechtzitting van 8 januari 2008 verklaart verdachte dat hij op 18 april 2007 in de avond op een bospad bij een blokhut langs de Heidestraat te St. Odiliënberg met een revolver, welke hij enkele dagen daarvoor van zijn grootvader had weggenomen, kogels in het hoofd van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft geschoten en waarbij hij de mobiele telefoon van die [slachtoffer 1] heeft gestolen.

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij met [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] op 18 april 2007 had afgesproken op de Maasbrachterweg te Maasbracht. Vandaar is hij met [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] naar de Clauscentrale te Maasbracht en vervolgens naar het Reutje gereden. Volgens verdachte was het de bedoeling om kopieën van het kentekenbewijs in Posterholt op te halen en aan [slachtoffer 2] te geven, zodat [slachtoffer 2] het kenteken van de Opel Vectra, welke hij in bezit had, kon overschrijven.

Verdachte was in Maasbracht in het bezit van een zilverkleurig koffertje met daarin de revolver en heeft verklaard dat hij het koffertje mogelijk in Maasbracht heeft opengemaakt.

Bij het Reutje is men gestopt en heeft wat gedronken en speed gebruikt. Verdachte heeft vervolgens zonder aanleiding met de revolver geschoten op [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] waarna hij de mobiele telefoon van [slachtoffer 1] heeft afgenomen. Op de terugweg naar Maasbracht heeft verdachte de SIM-kaart van de gsm van [slachtoffer 1] doorgebroken en weggegooid. Ook het frontje heeft verdachte van deze telefoon gehaald en weggegooid.

[slachtoffer 1] doet op 19 april 2007 aangifte van het feit dat verdachte op 18 april 2007 op haar heeft geschoten als gevolg waarvan zij aan haar hoofd gewond is geraakt en van feit dat verdachte op 18 april 2007 haar gsm heeft gestolen.

Aangeefster [slachtoffer 1] heeft met betrekking tot de toedracht van de schietpartij onder meer verklaard dat zij en haar vriend [slachtoffer 2] contact met verdachte hebben gezocht om een kopie van de autopapieren te krijgen zodat de Opel Vectra, welke auto eigendom was van [slachtoffer 2] maar feitelijk in gebruik was bij verdachte, kon worden overgeschreven.

Afgesproken werd elkaar op de Maasbrachterweg te ontmoeten. Vandaar is men op aangeven van verdachte weggereden naar een plek in een bos. Daar aangekomen zei verdachte dat ze naar een andere plek moesten gaan en dat hij de papieren van de auto zou gaan ophalen. Verdachte reed met de Opel Vectra voorop. De wegen waarop men reed werden niet door het navigatiesysteem van de VW Polo waarin men reed aangegeven. Verdachte is op een gegeven moment op een bosweggetje nabij een rusthuisje gestopt. Op die plek in het bos was geen verlichting aanwezig. Op deze plek werd er gedronken en speed gebruikt. Plotseling werd het stil en hoorde aangeefster een luide knal en zag zij een lichtflits. Aangeefster hoorde [slachtoffer 2] schreeuwen en hoorde hem zeggen: “[voornaam verdachte] wat heb je nu gedaan, wat was dat?” Kort daarop hoorde zij een tweede knal en voelde meteen daarna een flinke pijn aan haar hoofd waarna zij zich op de grond liet vallen. Ze hoorde [slachtoffer 2] roepen dat hij aan het bloeden was. Ze voelde dat verdachte haar vasthield waarna er door verdachte geroepen werd: “[voornaam slachtoffer 2] kom snel kijken, ik weet niet wat er aan de hand”. Toen [slachtoffer 2] een paar passen van aangeefster en verdachte vandaan was hoorde zij de derde knal. Aangeefster wist toen zeker dat verdachte op hen aan het schieten was. Behalve [slachtoffer 2], verdachte en aangeefster was er niemand anders op die plek in het bos aanwezig. Meteen na de derde knal, toen aangeefster probeerde op te staan, hoorde zij een vierde knal waarna zij weer een flinke pijn aan haar hoofd voelde.

Nadat ze had geroepen dat ze de politie ging bellen zag ze dat verdachte voor haar stond en iets op haar richtte. Verdachte heeft toen tegen haar gezegd dat zij haar mobiele telefoon aan hem moest geven. Als zij de telefoon niet aan hem zou geven zou zij niet meer op staan. Aangeefster heeft daarop de telefoon aan verdachte gegeven. Nadat verdachte haar telefoon had gepakt is hij met de Opel Vectra weggereden. Aangeefster en [slachtoffer 2] hebben vervolgens de politie gebeld.

[slachtoffer 2] heeft op 19 april 2007 aangifte gedaan van het feit dat verdachte op 18 april 2007 op hem heeft geschoten waardoor hij aan zijn hoofd gewond is geraakt. Aangever [slachtoffer 2] heeft met betrekking tot de schietpartij bij de politie onder meer verklaard dat door zijn vriendin [slachtoffer 1] met verdachte een afspraak was gemaakt in verband met het overschrijven van een nog op zijn naam staande rode Opel Vectra. Deze Opel Vectra had verdachte al enige tijd in gebruik.

Met verdachte werd telefonisch afgesproken elkaar op 18 april 2007 ’s avonds te ontmoeten op de Maasbrachterweg in Maasbracht. Nadat aangever verdachte had getroffen zei verdachte dat ze naar een rustigere plek moesten gaan. Vervolgens is aangever samen met [slachtoffer 1] achter verdachte aangereden naar een rustige plek buiten de bebouwde kom, om vervolgens op verzoek van verdachte naar de Clauscentrale door te rijden. Daar aangekomen heeft aangever gezien dat verdachte een zilverkleurig koffertje uit het dashboardkastje van de auto haalde en met een sleutel de twee sloten van het koffertje omdraaide. Verdachte heeft toen tegen aangever gezegd dat hij thuis de autopapieren moest ophalen. Waarna aangever weer in de auto is gestapt en achter verdachte is aangereden tot men bij een blokhut kwam bij een zandweg. Verdachte heeft toen gezegd dat dat zijn huis was. Ter plaatse werd vervolgens bier gedronken en speed gesnoven.

Plotseling zag aangever een flits en voelde hij dat iets zijn hoofd aan de rechterzijde bij zijn slaap raakte. Aangever voelde meteen een dikke bult aan zijn hoofd en zag bloed op zijn handen. Toen hij zijn vriendin [slachtoffer 1] hoorde gillen hoorde hij dat er een tweede schot werd gelost. Aangever is daarop in de richting van die [slachtoffer 1] gelopen welke zich achter de auto op de grond bevond. Aangever zag toen dat verdachte over [slachtoffer 1] gebogen was en gehurkt achter haar zat in een dreigende houding. Op dat moment hoorde aangever weer twee doffe klappen.

Verdachte is daarna in de Opel Vectra gestapt en weggereden.

Ten aanzien van de voorbedachte rade

Verdachte erkent dat hij heeft geschoten, maar zegt niet te weten waarom hij heeft geschoten. De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting nog aangevoerd dat verdachte als gevolg van zijn persoonlijkheidsstoornis in combinatie met het gebruik van alcoholhoudende drank en speed kort voorafgaand aan het schietincident “uitgeflipt” is, waardoor er geen sprake is van voorbedachte rade.

Ter terechtzitting heeft de raadsman van verdachte betoogd dat er geen sprake is geweest van poging tot moord wegens het ontbreken van de voorbedachte rade.

De rechtbank is van oordeel dat dit verweer, gelet op het geheel van feiten en omstandigheden zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, dient te worden verworpen.

Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.

Voordat de onderhavige feiten plaatsvinden rijdt verdachte geruime tijd in een rode Opel Vectra, welke auto eigendom is en op naam staat van [slachtoffer 2]. Nadat er in de weken hieraan voorafgaand al de nodige contacten zijn geweest tussen partijen over het op naam zetten van de auto vragen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in de ochtend van 18 april 2007 aan verdachte om de originele autopapieren van deze auto aan hen te geven omdat verdachte deze in zijn bezit heeft. Uit onderzoek met betrekking tot de gevoerde telefoongesprekken tussen [slachtoffer 1] en verdachte blijkt dat verdachte die dag in de buurt is geweest van zijn opa , wonende [adres opa verdachte]. Uit de verklaring van opa blijkt dat het kentekenbewijs wel in de woning van opa aanwezig is geweest. Genoemde [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] spreken met verdachte af elkaar die avond op de Maasbrachterweg te Maasbracht te ontmoeten en rijden dan vervolgens op verzoek van verdachte naar de Clauscentrale te Maasbracht. Bij de Clauscentrale aangekomen ziet [slachtoffer 2] dat verdachte een zilverkleurig koffertje ontsluit. Verdachte verklaart zelf dat de revolver zich op dat moment in dat koffertje bevindt. Op verzoek van verdachte rijdt men vervolgens van de Clauscentrale richting Posterholt om de autopapieren op te halen. Onderweg rijdt verdachte dieper het bos in om uiteindelijk bij een blokhut uit te komen. Bij de blokhut wordt vervolgens wat gedronken en speed gesnoven en is iedereen in goede stemming. Geheel onverwachts valt er een schot en wordt [slachtoffer 2] aan zijn hoofd geraakt. Na een tijdsinterval hoort [slachtoffer 2] zijn vriendin [slachtoffer 1] gillen en valt er een tweede schot waarbij [slachtoffer 1] aan haar hoofd wordt geraakt. [slachtoffer 1] heeft verklaard dat nadat het tweede schot was gevallen verdachte haar heeft vastgepakt. Ook hoort zij dat verdachte [slachtoffer 2] aanroept om snel te komen kijken. Als deze dan naar haar toe komt lopen valt er een derde schot. Op het moment dat [slachtoffer 1] probeert op te staan valt het vierde schot waarbij zij weer aan haar hoofd wordt geraakt.

De rechtbank acht gelet op het bovenstaande aannemelijk dat het derde schot gericht was op [slachtoffer 2] en dat verdachte hem geroepen heeft teneinde hem makkelijker te kunnen neerschieten.

Er veronderstellenderwijs - in het voordeel van verdachte - van uitgaande dat verdachte bij het afvuren van de eerste 2 schoten niet gehandeld heeft met voorbedachten raad, geldt dit naar het oordeel van de rechtbank, gelet op voorstaande in ieder geval wel voor de laatste 2 door hem op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] afgevuurde schoten.

Immers, het 3e en 4e schot valt na een korte tijdsinterval tussen de 1e en de 2e serie schoten. Voorts heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank bewust slachtoffer [slachtoffer 2] bewust dichterbij gelokt door hem aan te roepen (“Kom snel kijken”) en hem van zeer dichtbij te beschieten. Slachtoffer [slachtoffer 1] wil zich vervolgens bevrijden uit de greep van verdachte en wordt dan nogmaals op zeer korte afstand beschoten en aan het hoofd geraakt.

Daarenboven overweegt de rechtbank het volgende.

Uit vorenstaande feiten en omstandigheden in hun onderlinge samenhang bezien kan naar het oordeel van de rechtbank het navolgende door verdachte gebezigde moordscenario worden afgeleid. Verdachte heeft zich enkele dagen voor het schietincident voorzien van een vuurwapen en munitie. Bedoeld vuurwapen heeft hij op 18 april 2007 meegenomen en tijdens een stop bij de Clauscentrale te Maasbracht gebruiksklaar en onder handbereik in de auto gelegd. Vervolgens heeft verdachte door gebruik van leugens en verzinsels de slachtoffers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] naar een afgelegen en donkere plek in het bos gebracht alwaar hij hen na het aanbieden van drank en drugs geheel onverwachts van zeer dichtbij in het hoofd heeft geschoten.

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank het wettig en overtuigend bewezen dat verdachte na kalm beraad en rustig overleg meermalen heeft geschoten op zowel [slachtoffer 2] als [slachtoffer 1]. Nu deze schoten op relatief korte afstand zijn afgevuurd en in ieder geval 3 van de 4 kogels de slachtoffers in/aan het hoofd hebben geraakt kan het niet anders dan dat verdachte zodoende bewust de aanmerkelijke kan heeft aanvaard dat de slachtoffers dientengevolge zouden te komen overlijden.

Op grond van voormelde bewijsmiddelen en overwegingen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 18 april 2007 te Sint Odiliënberg ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen die [slachtoffer 1] een kogel in het hoofd heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op 18 april 2007 te Sint Odiliënberg ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachto[slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen die [slachtoffer 2] een kogel in het hoofd heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij op 18 april 2007 te Sint Odiliënberg met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een GSM toebehorende aan [slachtoffer 1] welke bedreiging met

geweld hierin bestond dat hij, verdachte, die [slachtoffer 1] een vuurwapen heeft getoond en/of voorgehouden en tegen die [slachtoffer 1] heeft gezegd "Geef die telefoon anders sta je niet meer op", zulks terwijl dit feit werd gepleegd op de openbare weg, te weten de Boscherweg;

4.

hij op 18 april 2007 te Sint Odiliënberg voorhanden heeft gehad een vuurwapen van de categorie III onder 1, te weten een revolver, en munitie van categorie III, te weten een aantal, patronen;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen.

Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

8. Kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het ten laste van verdachte bewezenverklaarde levert op de navolgende misdrijven:

T.a.v. feit 1 primair:

poging tot moord.

Het misdrijf is strafbaar gesteld bij artikel 289 juncto artikel 45 van het Wetboek van Strafrecht.

T.a.v. feit 2 primair:

poging tot moord.

Het misdrijf is strafbaar gesteld bij artikel 289 juncto artikel 45 van het Wetboek van Strafrecht.

T.a.v. feit 3:

Afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg.

Het misdrijf is strafbaar gesteld bij artikel 317, eerste lid, juncto artikel 312, tweede lid aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht.

T.a.v. feit 4:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit is begaan met een vuurwapen van de categorie III en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie.

Het misdrijf is strafbaar gesteld bij artikel 55 van de Wet wapens en munitie.

9. De strafbaarheid van verdachte

De raadsman heeft als verweer gevoerd dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging nu aan de toerekenbaarheid getwijfeld kan worden. Zowel de psychiater Canton als de psycholoog Van Toorn hebben zich niet in de door hen uitgebrachte rapporten over de toerekenbaarheid uitgelaten. De raadsman is van mening dat de verdachte als een niet toerekenbare dader moet worden beschouwd. Als verdachte niet toerekeningsvatbaar is dan dient zulks in de visie van de raadsman mee te wegen in de strafmaat.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het gevoerde verweer van de raadsman moet worden verworpen nu de deskundigen geen oordeel hebben kunnen geven over de toerekenbaarheid gelet op de door verdachte gestelde amnesie. Het leidt te ver om - bij gemis van uitspraken van deskundigen – meteen de conclusie te trekken dat verdachte geheel ontoerekeningsvatbaar is.

De rechtbank overweegt met betrekking tot het gevoerde verweer het volgende.

De rechtbank acht het ongeloofwaardig dat verdachte zich van de cruciale minuten niets weet te herinneren terwijl hij zowel voor als na het schietincident zich allerlei zaken, soms tot in detail, weet te herinneren.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het psychiatrisch rapport Pro Justitia d.d. 11 december 2007 van dr. W.J. Canton, justitieel forensisch psychiater, en van het psychologisch rapport Pro Justitia d.d. 10 december 2007van drs. B.Y. van Toorn, GZ-psycholoog. In de rapporten van de beide deskundigen zijn de ernstige persoonlijkheidsstoornissen van verdachte beschreven. Deze stoornissen waren ook ten tijde van het plegen van de onderhavige feiten aanwezig. De gepleegde delicten kunnen deels worden verklaard uit het gebruik van alcoholhoudende drank in combinatie met het gebruik van speed. Volgens psychiater Canton is van deze combinatie bekend dat het, zeker bij weinig geremde personen als verdachte, kan leiden tot extreem gewelddadig gedrag.

De rechtbank zal evenwel de door verdachte geconsumeerde hoeveelheid alcohol en speed niet laten meewegen bij de beoordeling van de toerekenbaarheid. Het gebruik van deze middelen moet naar het oordeel van de rechtbank worden bezien in het licht van een door verdachte zelf opgewekte toestand waardoor hij, om met de woorden van de raadsman te spreken, is gaan “flippen”. Dat verdachte ermee bekend is dat hij erg agressief kan worden door gebruik van alcohol en speed blijkt uit zijn opmerking dienaangaande weergeven in het rapport van drs. Van Toorn (pagina 7).

Dat verdachte nog voldoende controle over zijn denken en doen had leidt de rechtbank ook af aan zijn gedrag na het schietincident. Verdachte heeft in een kennelijke poging om aan opsporing en vervolging te ontkomen zich meteen na het gebeuren ontdaan van het frontje en de SIM- kaart van de gestolen GSM van [slachtoffer 1] en van het vuurwapen.

Gelet op het vorenstaande dient het verweer van de raadsman te worden verworpen.

De verdachte is strafbaar voor het bewezenverklaarde nu overigens niet is gebleken van enige omstandigheid die verdachtes strafbaarheid opheft.

10. De straffen en/of maatregelen

10.1 De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij gelegenheid van de terechtzitting op 8 januari 2008 met betrekking tot de op te leggen straf gevorderd dat verdachte ter zake van het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren, met aftrek ex artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarbij tevens de maatregel terbeschikkingstelling met dwangverpleging zal worden opgelegd.

10.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman acht de door de officier van justitie gevorderde straf en maatregel te hoog. De verdediging kan zich niet vinden in de onvoldoende onderbouwde conclusies zoals weergeven in het rapport van de deskundigen Canton en Van Toorn. Naar de mening van de raadsman is er slechts sprake van een incident en is de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging niet op zijn plaats. De raadsman bepleit een ambulante hulpverleningstraject met reclasserings- begeleiding.

10.3 De overwegingen van de rechtbank

De verdachte heeft zich op 18 april 2007 schuldig gemaakt aan twee pogingen tot moord, een gekwalificeerde afpersing en het voorhanden hebben van een revolver met munitie.

Moord is een van de ernstigste delicten die men kan begaan. Dat er bij moord sprake is van een bijzonder ernstig feit blijkt ook uit de maximale gevangenisstraf die voor een dergelijk feit kan worden opgelegd. Bij wetwijziging van 1 februari 2006 heeft de wetgever zelfs de gevangenisstraf van 20 naar 30 jaar verhoogd.

Verdachte heeft zonder enige aanleiding op korte afstand beide slachtoffers een kogel in het hoofd geschoten. Dat verdachte van zeer nabij op beide slachtoffers heeft geschoten valt onder meer af te leiden uit de verklaringen van de beide slachtoffers en de bij de slachtoffers op het hoofd aangetroffen sporen, die naar alle waarschijnlijkheid kruitsporen zijn.

Dat het wonderwel telkens bij een poging is gebleven is een omstandigheid die niet aan verdachte is toe te schrijven.

Verdachte heeft meerdere keren op de slachtoffers geschoten waarbij beiden aan het hoofd zijn geraakt. Verdachte heeft daarbij ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers. Zijn handelen heeft veel impact gehad op de slachtoffers.

Hoe ingrijpend de gebeurtenissen voor de beide slachtoffers zijn geweest blijkt wel uit de schriftelijke verklaringen. Slachtoffer [slachtoffer 1] heeft haar opleiding tot beveiligingsbeambte moeten staken en ziet het leven niet meer zitten vanwege de voortdurende herbelevingen. Slachtoffer [slachtoffer 2] heeft nog steeds angst dat iemand het “karwei” komt afmaken. Zijn vertrouwen in mensen is ernstig beschadigd. Hij probeert contact met mensen zoveel mogelijk te vermijden. Zijn relatie met slachtoffer [slachtoffer 1] heeft erg onder het gebeuren te lijden.

De rechtbank heeft kennis genomen van een psychiatrisch rapport Pro Justitia d.d. 11 december 2007 opgemaakt door dr. W.J. Canton, justitieel forensisch psychiater, omtrent zijn bevindingen betreffende een psychiatrisch onderzoek ten aanzien van verdachte.

Uit het rapport blijkt dat er bij verdachte sprake is van een verstandelijke beperking, een antisociale persoonlijkheidsstoornis en van misbruik van alcohol en amfetamine.

Verdachte is niet in staat zich te conformeren aan de maatschappelijke norm dat men zich aan de wet moet houden, zoals blijkt uit het bij herhaling tot handelingen komen die een reden voor arrestatie kunnen zijn. Verder is er sprake van oneerlijkheid, prikkelbaarheid en agressiviteit en van constante onverantwoordelijkheid.

Het ten laste gelegde is moeilijk voor de deskundige te duiden omdat verdachte stelt een amnesie te hebben voor het tenlastegelegde en zelf niets over de toedracht kan zeggen. De deskundige heeft zich hierover dan ook niet uitgelaten. De deskundige schat de kans op herhaling van gewelddadig gedrag in de toekomst op basis van de gestandaardiseerde risicotaxatie als hoog in.

De deskundige betwijfelt of de kans op recidive door een minder zware maatregel dan een terbeschikkingstelling met dwangverpleging voldoende in toom kan worden gehouden. Een minder zware maatregel zal, gezien de ervaringen met verdachte in het verleden, het huidige gebrek aan inzicht in de ernst van zijn toestand en de overschatting van zijn mogelijkheden om hier zelfstandig verandering in aan te brengen, zeer waarschijnlijk leiden tot het vroegtijdig afhaken van verdachte in het behandeltraject.

Daarnaast heeft de rechtbank kennis genomen van een psychologisch rapport Pro Justitia d.d. 10 december 2007, opgemaakt door drs. B.Y. van Toorn, GZ-psycholoog, omtrent de haar bevindingen betreffende een psychologisch onderzoek ten aanzien van verdachte.

Uit dit rapport blijkt dat er bij verdachte zowel sprake is van een ziekelijke stoornis als van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin dat er sprake is van misbruik van middelen, speed en alcohol en van zwakbegaafdheid en van een antisociale persoonlijkheidsstoornis met narcistische en psychopathische trekken.

Gelet op de gestelde amnesie van verdachte voor het ten laste gelegde heeft de deskundige, evenals de deskundige Canton, zich niet uitgelaten over het verband tussen voormelde stoornis van verdachte en het ten laste gelegde. De deskundige is wel van oordeel dat op grond van de innerlijke negatieve emotionele lading, de achterdocht, de lage frustratietolerantie, het gevaarlijke en onverantwoordelijke gedrag, de neiging om gevoelens om te zetten in handelen, de gebrekkige gewetensfunctie en het gebrekkig vermogen tot empathie in combinatie met de agressieve en vijandige attitude in de toekomst bij verdachte wederom kunnen leiden tot grensoverschrijdend gedrag.

De deskundige adviseert de rechtbank, gelet op de combinatie van weigering van verdachte mee te werken aan een vrijwillig behandeling, de hoge kans op recidive en de ernstige persoonlijkheidsstoornis, de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging in een forensische verslavingskliniek, aan verdachte op te leggen.

Gelet op bovenstaande bevindingen van de deskundigen, die de rechtbank tot de hare maakt, de aard van het bewezenverklaarde en de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, is de rechtbank van oordeel dat een maatregel terbeschikkingstelling met dwangverpleging in deze aangewezen is en zij zal dan ook conform het advies van de deskundigen deze maatregel opleggen en bevelen dat verdachte van overheidswege zal worden verpleegd.

Bij dit oordeel is tevens in aanmerking genomen het oordeel van de deskundigen dat verdachte kampt met een ernstige persoonlijkheidsstoornis, op basis waarvan gesteld kan worden dat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel eist, alsmede de aard van de door verdachte begane strafbare feiten, op grond waarvan het is toegestaan een dergelijke maatregel op te leggen.

Naast de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging acht de rechtbank op grond van de hierboven weergegeven strafoverwegingen, een lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur geïndiceerd.

Een strafmatiging zoals door de raadsman bepleit acht de rechtbank mede gelet op het systeem van de wet waarbij de dwangverpleging als een maatregel dient te worden beschouwd, geen recht doen aan de hiervoor vermelde strafoverwegingen.

10.4 De vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

[slachtoffer 1], wonende [adres en woonplaats slachtoffer 1], heeft een vordering benadeelde partij ingediend met betrekking tot de als gevolg van de hiervoor onder 1 en 3 ten laste gelegde feiten geleden materiële en immateriële schade.

[slachtoffer 1] voornoemd heeft de vordering gesteld op een bedrag van [bedrag], waarvan € [bedrag] wordt gevorderd als materiële schade voor de Nokia 62301 met SIM-kaart en € [bedrag ] als voorlopige immateriële schade.

Namens verdachte is aangegeven dat deze vordering erkend wordt.

Ten laste van verdachte zijn de hiervoor ten laste gelegde feiten bewezen. Het zijn strafbare feiten en verdachte zal ter zake hiervan worden veroordeeld.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade.

De rechtbank zal over deze vordering benadeelde partij overeenkomstig het hiervoor overwogene beslissen zoals hierna is vermeld, alsmede over de kosten die door de benadeelde partij zijn gemaakt, thans begroot op nihil.

De rechtbank zal tevens aan verdachte de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van € [bedrag] te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 50 dagen, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 1], wonende [adres en woonplaats slachtoffer 1].

Voorts heeft [slachtoffer 2], wonende [adres en woonplaats slachtoffer 2], een vordering benadeelde partij ingediend met betrekking tot de als gevolg van het hiervoor onder 2 ten laste gelegde feit geleden materiële en immateriële schade.

[slachtoffer 2] voornoemd heeft de vordering gesteld op een bedrag van € [bedrag], waarvan € [bedrag ] wordt gevorderd als materiële schade: voor CZ ziektekosten eigen bijdrage € [bedrag], CZ no-claim € [bedrag], CZ ziekenhuiskosten € [bedrag], reiskosten totaal € [bedrag] en kosten trui € [bedrag] en € [bedrag] als voorlopige immateriële schade.

Namens verdachte is aangegeven dat deze vordering erkend wordt.

Ten laste van verdachte is het hiervoor ten laste gelegde feit bewezen. Het is een strafbaar feit en verdachte zal ter zake hiervan worden veroordeeld.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade.

De rechtbank zal over deze vordering benadeelde partij overeenkomstig het hiervoor overwogene beslissen zoals hierna is vermeld, alsmede over de kosten die door de benadeelde partij zijn gemaakt, thans begroot op nihil.

De rechtbank zal tevens aan verdachte de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van € [bedrag] te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 54 dagen, ten behoeve van de benadeelde partij [bedrag], wonende [adres en woonplaats slachtoffer 2].

11. Toepasselijke wetsartikelen

Na te melden beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 24c, 27, 36f, 37a, 37b, 45, 57, 91, 289, 312, 317

Wet wapens en munitie art. 26 en 55.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

verstaat dat het aldus bewezenverklaarde de hiervoor vermelde strafbare feiten oplevert en verklaart verdachte ter zake strafbaar;

veroordeelt verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren;

beveelt dat de tijd door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan verdachte opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld;

beveelt dat de terbeschikking gestelde van overheidswege zal worden verpleegd;

wijst toe de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1], wonende [adres en woonplaats slachtoffer 1], tot een bedrag van € [ bedrag] en veroordeelt verdachte om tegen bewijs van betaling aan benadeelde partij [slachtoffer 1] voornoemd te betalen een bedrag van € [ bedrag];

legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat te betalen een som geld ten bedrage van € [bedrag] subsidiair 50 dagen hechtenis ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 1], wonende [adres en woonplaats slachtoffer 1], met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de opgelegde verplichting tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

bepaalt dat indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € [bedrag] ten behoeve van voornoemd slachtoffer daarmede de verplichting van verdachte om dit bedrag aan voornoemde benadeelde partij te betalen komt te vervallen en dat indien dit bedrag door verdachte aan voornoemde benadeelde partij is betaald, daarmee de verplichting tot betaling van dit bedrag aan de Staat ten behoeve van voornoemd slachtoffer komt te vervallen;

veroordeelt verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedrag alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil;

wijst toe de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2], wonende [adres en woonplaats slachtoffer 2], tot een bedrag van € [bedrag] en veroordeelt verdachte om tegen bewijs van betaling aan benadeelde partij [slachtoffer 2] voornoemd te betalen een bedrag van € [ bedrag];

legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat te betalen een som geld ten bedrage van € [bedrag] subsidiair 54 dagen hechtenis ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 2], wonende [adres en woonplaats slachtoffer 2], met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de opgelegde verplichting tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

bepaalt dat indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € [bedrag ] ten behoeve van voornoemd slachtoffer daarmede de verplichting van verdachte om dit bedrag aan voornoemde benadeelde partij te betalen komt te vervallen en dat indien dit bedrag door verdachte aan voornoemde benadeelde partij is betaald, daarmee de verplichting tot betaling van dit bedrag aan de Staat ten behoeve van voornoemd slachtoffer komt te vervallen;

veroordeelt verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedrag alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Vonnis gewezen door mrs. L.P. Bosma, M.J.A.G. van Baal en W.A.H.J. Poppeliers, rechters, van wie mr. M.J.A.G. van Baal voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. P.C.M. Müller als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de

rechtbank op 22 januari 2008.