Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2008:BC4013

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
11-02-2008
Datum publicatie
11-02-2008
Zaaknummer
04/850748-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 2 van de Politiwet 1993 is voldoende basis om van iemand, in verband met ordeverstoring, te vorderen dat hij het uitgaansgebied verlaat. Een vordering die verder gaat, en niet alleen inhoudt dat betrokkene zich van een bepaalde plaats moet verwijderen, maar óók een verbod inhoudt om daar binnen een zekere tijd terug te keren en zich gedurende die tijd ook in een bepaald gebied (in casu het uitgaansgebied) te bevinden is naar het oordeel van de rechtbank geen maatregel die uitsluitend is gericht op het beëindigen van de ordeverstoring.

Een dergelijk verbod brengt een ingrijpende inbreuk op de uitoefening van persoonlijkheidsrechten mee, te weten van het recht op bewegingsvrijheid, gewaarborgd in art. 2, Vierde protocol bij het EVRM.

Voor een dergelijke ingrijpende inbreuk vormt art. 2 Politiewet 1993 geen genoegzame wettelijke grondslag .

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Parketnummers: 04/850748-07 en 04/850449-06 (tul)

Uitspraak d.d. : 11 februari 2008

TEGENSPRAAK

VONNIS van de rechtbank Roermond, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

naam : [verdachte]

voornamen : [voornaam]

geboren op : [geboortedatum en -plaats]

adres : [adres]

plaats : [woonplaats]

1. Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 14 januari 2008 en 28 januari 2008.

2. De tenlastelegging

De verdachte staat terecht ter zake dat:

1.

hij op of omstreeks 2 september 2007 in de gemeente Roermond met een ander of anderen, op of aan de openbare weg(en), het Kloosterwandplein en/of de Bakkerstraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], welk geweld bestond uit het duwen en/of slaan en/of trappen van deze [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2];

(artikel 141 Wetboek van Strafrecht);

Althans indien terzake het vorenstaande onder 1 geen veroordeling zou volgen:

hij op of omstreeks 02 september 2007 in de gemeente Roermond, tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade mishandelend, althans opzettelijk mishandelend, [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], opzettelijk, na kalm beraad en rustig overleg, althans opzettelijk heeft geschopt en/of geslagen en/of geduwd en/of getrapt, tengevolge waarvan die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] enig lichamelijk letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

(art. 301 van het Wetboek van Strafrecht);

2.

hij op of omstreeks 02 september 2007 in de gemeente Roermond, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen (in café Het Hoafke) opzettelijk mishandelend [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 1] heeft geslagen, waardoor voornoemde [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 1] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

(art. 300 van het Wetboek van Strafrecht);

3.

hij op of omstreeks 23 juni 2007 in de gemeente Roermond toen de aldaar dienstdoende [verbalisant 1], hoofdagent van politie en/of [slachtoffer 2], agent van politie verdachte op verdenking van het overtreden van artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht, in elk geval op verdenking van het gepleegd hebben van enig strafbaar feit, op heterdaad ontdekt, had aangehouden en vastgegrepen, althans vast had teneinde hem ten spoedigste voor te geleiden voor een hulpofficier van justitie en hem daartoe over te brengen naar een plaats van verhoor, te weten naar het bureau van politie te Roermond, zich met geweld heeft verzet tegen bovengenoemde opsporingsambtena(a)r(en), werkzaam in de rechtmatige uitoefening zijner/hunner bediening, door opzettelijk gewelddadig te rukken, althans te trekken en/of door genoemde [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2] te schoppen, althans te trappen, tengevolge waarvan de opsporingsambtenaar [verbalisant 2] enig lichamelijk letsel (een ontvelling van het linkerscheenbeen) bekwam;

(art. 181 van het Wetboek van Strafrecht);

4.

hij op of omstreeks 23 juni 2007 in de gemeente Roermond opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel of een vordering, krachtens artikel 2 van de Politiewet, in elk geval krachtens enig wettelijk voorschrift gedaan door [verbalisant 1], hoofdagent van politie, die was belast met de uitoefening van enig toezicht en/of die was belast met en/of bevoegd verklaard tot het opsporen en/of onderzoeken van strafbare feiten, immers heeft verdachte toen en daar opzettelijk, nadat deze ambtenaar hem had bevolen, althans van hem had gevorderd het uitgaansgebied Veldstraat, Knevelgraafstraat, Stationsplein te verlaten en deze wegen op 23 juni 2007 tot 08.00 uur niet meer te betreden, geen gevolg gegeven aan dit bevel of die vordering;

(art. 184 van het Wetboek van Strafrecht);

5.

hij op of omstreeks 23 juni 2007 in de gemeente Roermond opzettelijk beledigend (een) ambtena(a)r(en), te weten [verbalisant 1], hoofdagent van politie en/of [verbalisant 2], agent van politie, gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/hun bediening, genoemde [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2] in diens/dier tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd de woorden "Jullie zijn hoerenzonen", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;

(art. 267 van het Wetboek van Strafrecht).

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3. De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4. De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5. De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen.

6. Schorsing der vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

7. Bewijsoverwegingen

7.1 Standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 14 januari 2008 gevorderd dat het onder 1 primair, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde zal worden bewezen verklaard.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde, nu er onvoldoende bewijs is dat verdachte in het café [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] heeft geslagen.

7.2 Vrijspraakoverwegingen van de rechtbank

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte sub 2, 3, 4 en 5 is ten laste gelegd.

De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Met betrekking tot feit 2 overweegt de rechtbank dat tegenover de ontkenning van verdachte de aangiftes van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] liggen. [slachtoffer 1] heeft op 2 september 2007 verklaard dat verdachte plotseling in het café ’t Hoafke naar hem toekwam en twee glazen bier uit zijn handen sloeg . In een aanvullende verklaring d.d. 7 november 2007 heeft [slachtoffer 1] verklaard dat zowel hij als [slachtoffer 3] klappen hebben gekregen van verdachte en een andere man. [slachtoffer 3] heeft op 2 september 2007 verklaard dat twee voor hem onbekende jongens zowel hem als [slachtoffer 1] hebben geslagen . Verdachte verklaart dat hij bier in zijn gezicht heeft gekregen, dat hij [slachtoffer 1] graag wilde slaan, maar het niet heeft gedaan omdat er veel mensen rond [slachtoffer 1] stonden . De rechtbank heeft uit deze bewijsmiddelen niet de overtuiging gekregen dat verdachte het hem ten laste gelegde heeft begaan.

Met betrekking tot de feiten 3, 4 en 5 overweegt de rechtbank het volgende.

Bij tussenvonnis d.d. 16 januari 2008 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en de officier van justitie verzocht de rechtbank schriftelijk te informeren op grond van welke wettelijke bevoegdheid en/of regeling “(in het onder 4 ten laste gelegde) “een bevel of een vordering inhoudende dat verdachte het uitgaansgebied Veldstraat, Knevelgraafstraat, Stationsplein diende te verlaten en deze wegen op 23 juni 2007 tot 08.00 uur niet meer diende te betreden” is gegeven.

De officier van justitie heeft gesteld dat – gelet op de uitspraak van de Hoge Raad (HR 23 januari, NJ 2007, 94) – een opsporingsambtenaar een bevel tot verwijdering kan geven in het belang van de openbare orde. Dit bevel houdt stand zolang de handhaving van de openbare orde dit noodzakelijkerwijs met zich meebrengt en derhalve kan de politie daar dan op grond van artikel 2 van de Politiewet ook een verbod tot betreden aan verbinden zolang de handhaving van de openbare orde dit vergt, in casu voor de duur van het uitgaansgebeuren tot 08.00 uur. Volgens de officier van justitie is in onderhavige zaak, in tegenstelling tot de casus van NJ 2007, 266, geen willekeurige tijdsduur vastgesteld, maar is de duur van het verbod duidelijk gelieerd aan de handhaving van de openbare orde gedurende de uitgaanstijd.

De vraag waar de rechtbank voor staat is of artikel 2 van de Politiewet 1993 zodanig ruim kan worden toegepast dat ook een verblijfsverbod voor een bepaald gebied en bepaalde tijd kan worden gegeven ter handhaving van de openbare orde. Indien dit niet het geval is, is er geen sprake van een bevoegd gegeven ambtelijk bevel als bedoeld in art. 184 Sr.

In art. 2 Politiewet 1993 is in algemene bewoordingen de politietaak neergelegd. Uitgangspunt is dat deze algemene taakstelling een wettelijke grondslag biedt voor bevelen die redelijkerwijs noodzakelijk zijn om op een voor de handliggende manier daadwerkelijk ordeverstoring op te heffen.

Naar het oordeel van de rechtbank kon de politieagent [verbalisant 1] in het belang van de openbare orde van verdachte vorderen om het uitgaansgebied op grond van artikel 2 Politiewet te verlaten, gelet op het agressieve gedrag van verdachte.

Een vordering die verder gaat, en niet alleen inhoudt dat betrokkene zich van een bepaalde plaats moet verwijderen, maar óók een verbod inhoudt om daar binnen een zekere tijd terug te keren en zich gedurende die tijd ook in een bepaald gebied (in casu het uitgaansgebied) te bevinden is naar het oordeel van de rechtbank geen maatregel die uitsluitend is gericht op het beëindigen van de ordeverstoring.

Een dergelijk verbod brengt een ingrijpende inbreuk op de uitoefening van persoonlijkheidsrechten mee, te weten van het recht op bewegingsvrijheid, gewaarborgd in art. 2, Vierde protocol bij het EVRM.

Voor een dergelijke ingrijpende inbreuk vormt art. 2 Politiewet 1993 geen genoegzame wettelijke grondslag .

Nu de politieagent [verbalisant 1] niet op grond van art. 2 Politiewet 1993 noch krachtens enig ander wettelijk voorschrift in casu kon vorderen dat verdachte het uitgaansgebied Veldstraat, Knevelgraafstraat, Stationsplein diende te verlaten en deze wegen op 23 juni 2007 tot 08.00 uur niet meer diende te betreden, dient verdachte van feit 4 te worden vrijgesproken.

Nu niet is voldaan aan het element van art. 181 Sr. namelijk “de verdenking van overtreding van art. 184 Sr dan wel enig strafbaar feit” dient verdachte vrijgesproken te worden van het onder 3 ten laste gelegde.

Op grond van het hierboven overwogene volgt dat de hoofdagent [verbalisant 1] en agent [verbalisant 2] toen ze verdachte aanhielden niet in de rechtmatige uitoefening van hun bediening waren, zodat de belediging van deze ambtenaren slechts op klachte van dezen vervolgbaar is . Nu niet is gebleken van een zodanige klacht dient verdachte vrijgesproken te worden van het onder 5 ten laste gelegde.

7.3 Bewijsmiddelen

De overtuiging van de rechtbank dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de volgende bewijsmiddelen.

7.3.1 Opsomming van de bewijsmiddelen

Gelet op de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 14 januari 2008, de aangifte van [slachtoffer 1] •, de aangifte van [slachtoffer 2] en de verklaring van [getuige 1] • acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het sub 1 primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 2 september 2007 in de gemeente Roermond met een ander, op de openbare wegen, het Kloosterwandplein en de Bakkerstraat, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], welk geweld bestond uit het duwen en/of slaan en/of trappen van deze [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2].

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen.

Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

8.1. Kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het ten laste van verdachte bewezenverklaarde levert op het navolgende misdrijf:

Ten aanzien van feit 1 primair:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Het misdrijf sub 1 primair is strafbaar gesteld bij artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht.

9. De strafbaarheid van verdachte

Met betrekking tot de toerekeningsvatbaarheid van verdachte komt de rechtbank op grond van het pro justitia rapport d.d. 15 november 2007 van drs. M.M.F. van Casteren, gz-psycholoog, van welk rapport de rechtbank de conclusie overneemt, tot het oordeel dat het hierboven bewezenverklaarde feit verdachte in licht verminderde mate kan worden toegerekend.

De verdachte is strafbaar voor het bewezenverklaarde nu overigens niet is gebleken van enige omstandigheid die verdachtes strafbaarheid opheft.

10. De straffen en/of maatregelen

10.1 De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij gelegenheid van de terechtzitting op 14 januari 2008 met betrekking tot de op te leggen straf gevorderd dat verdachte ter zake van de feiten 1 primair, 2, 3, 4 en 5 zal worden veroordeeld tot onvoorwaardelijke jeugddetentie voor de tijd van 16 dagen, met aftrek ex artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, een voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 4 maanden met een proeftijd van 2 jaren met als bijzondere voorwaarden begeleiding door de jeugdreclassering en deelnemen aan het ITB Harde Kern Jongeren traject, een taakstraf in de vorm van een leerstraf, te weten de cursus slachtoffer in beeld voor de duur van 40 uren subsidiair 20 dagen jeugddetentie, alsmede een werkstraf voor de duur van 40 uren subsidiair 20 dagen jeugddetentie. Daarnaast heeft de officier van justitie de gedeeltelijke tenuitvoerlegging gevorderd van een bij eerder vonnis voorwaardelijke opgelegde jeugddetentie, met dien verstande dat de jeugddetentie wordt omgezet in een werkstraf voor de tijd van 90 uren subsidiair 45 dagen vervangende jeugddetentie.

10.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van de gevorderde straf aangevoerd om de eis van de officier van justitie te volgen met uitzondering van de werkstraf van 40 uren. Verdachte heeft zeer zware en verstrekkende schorsingsvoorwaarden gehad, waaraan hij zich goed heeft gehouden. De raadsman heeft verzocht om hier in de strafmaat rekening mee te houden en naast de leerstraf en de omzetting van een deel van de bij een eerder vonnis opgelegde voorwaardelijk jeugddetentie in een werkstraf niet nog een werkstraf te leggen, mede gelet op het feit dat verdachte in zijn examenjaar zit.

10.3 De overwegingen van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging tijdens het uitgaansleven.

Verdachte is door de security van het café ‘t Hoafke rond 02.30 uur buiten de deur gezet, nadat hij onenigheid heeft gehad met de neven [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3]. Ongeveer een uur later ging het groepje waartoe [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] behoorden via het Kloosterwandplein richting de Bakkerstaat omdat het nog wat wilde gaan eten. Verdachte stond toen met twee politieagenten te praten. Uit het relaas van de agenten bleek dat verdachte zeer opgefokt en verbaal agressief was en onder invloed van alcohol. Even later zag het groepje dat verdachte en [vriend] achter hen aan kwamen. Ter hoogte van de Bakkerstraat werden [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] plotseling van achteren aangevallen, waarbij zij werden geslagen, geschopt en geduwd.

De rechtbank rekent dit geweld verdachte zwaar aan, mede gelet op de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd en de maatschappelijke verontrusting die van dergelijke feiten het gevolg is. Het tast het gevoel van veiligheid van – doorgaans jongere – bezoekers in het uitgaansleven aan.

Uit het proces-verbaal van politie en uit de over verdachte uitgebrachte rapportages komt naar voren dat verdachte, met name als hij onder invloed van alcohol is, licht ontvlambaar is en al snel verbaal agressief reageert als hij zich aangevallen voelt of als iets of iemand hem niet zint. Uit de bewezenverklaring blijkt dat dit ook tot daadwerkelijk geweld leidt.

De rechtbank zal een lagere straf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd, nu de rechtbank verdachte zal vrijspreken van het onder 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde. De rechtbank zal met name geen werkstraf opleggen en de gevorderde voorwaardelijke jeugddetentie halveren.

De rechtbank is van oordeel dat met het oog op een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of lagere straf dan de hierna vermelde vrijheidsstraf met een onvoorwaardelijk deel.

Met het daarnaast opleggen van een (deels) voorwaardelijke jeugddetentie wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten. De rechtbank zal daarbij als bijzondere voorwaarde begeleiding door de jeugdreclassering opleggen alsmede deelname aan het ITB Harde Kern Jongeren traject, aangezien in aansluiting op de schorsingsvoorwaarden nog een periode van strakke en intensieve begeleiding van verdachte noodzakelijk wordt geacht.

De rechtbank is voorts van oordeel dat een taakstraf in de vorm van een leerstraf, te weten het volgen van de cursus slachtoffer in beeld, een gepaste bestraffing vormt en in dit geval een bijdrage kan leveren aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

De rechtbank zal het aantal uren van de leerstraf stellen op 40 uren en bevelen dat, voor het geval de taakstraf niet naar behoren wordt verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 20 dagen.

10.4 De vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

[verbalisant 1], p/a [adres], heeft een vordering benadeelde partij ingediend met betrekking tot de als gevolg van het hiervoor onder 3 ten laste gelegde feit geleden immateriële schade.

[verbalisant 1] voornoemd heeft de immateriële schade op een bedrag van € 100,-- gesteld, en wil die schade vergoed krijgen.

Aangezien aan de vordering een feitencomplex ten grondslag ligt waarvoor verdachte niet zal worden veroordeeld, dient de benadeelde partij niet ontvankelijk in haar vordering te worden verklaard.

Aangezien de benadeelde partij niet ontvankelijk in haar vordering zal worden verklaard, zal de verdachte niet worden veroordeeld in de kosten die door de benadeelde partij zijn gemaakt.

Niet gebleken is dat verdachte (extra) kosten heeft gemaakt ten aanzien van de civiele vordering. De rechtbank zal deze kosten vaststellen op nihil.

11. Toepasselijke wetsartikelen

Na te melden beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 27, 77a, 77g, 77h, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77ee, 141.

12. De vordering tot tenuitvoerlegging

De rechtbank is van oordeel dat nu gebleken is dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd heeft schuldig gemaakt aan het hiervoor bewezen verklaarde strafbare feit omtrent de vordering tot tenuitvoerlegging van een aan de verdachte bij een vroegere veroordeling opgelegde voorwaardelijke straf beslist dient te worden zoals hierna is vermeld.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het sub 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het sub 1 primair ten laste gelegde zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

verstaat dat het aldus bewezenverklaarde het hiervoor vermelde strafbare feit oplevert en verklaart verdachte ter zake strafbaar;

veroordeelt verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een jeugddetentie voor de tijd van 16 dagen;

beveelt dat de tijd door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan verdachte opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

veroordeelt verdachte tot een taakstraf, te weten een leerstraf voor de duur van 40 uren,

bepaalt dat de leerstraf zal bestaan uit het volgen van de cursus slachtoffer

in beeld;

beveelt dat indien verdachte de leerstraf niet naar behoren heeft verricht, vervangende jeugddetentie voor de duur van 20 dagen zal worden toegepast;

verstaat dat de leerstraf uiterlijk 6 maanden nadat dit vonnis onherroepelijk is geworden, zal zijn voltooid

veroordeelt verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een jeugddetentie voor de tijd van 2 maanden;

bepaalt dat deze jeugddetentie niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 2 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, dan wel gedurende die proeftijd de hierna te melden bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

stelt als bijzondere voorwaarde, dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen van Bureau Jeugdzorg in Limburg te Roermond, afdeling Jeugdreclassering, met opdracht aan die instelling overeenkomstig artikel 77aa van het Wetboek van Strafrecht;

stelt voorts als bijzondere voorwaarde dat veroordeelde deel zal nemen aan het ITB Harde Kern Jongeren traject;

verklaart de benadeelde partij [verbalisant 1], p/a [adres] niet ontvankelijk;

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van 11 februari 2008.

Beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging .

gelast de gedeeltelijke tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de Meervoudige strafkamer te Roermond d.d. 18 september 2006 in de zaak met parketnummer 850449-06 aan de veroordeelde opgelegde doch voorwaardelijk niet tenuitvoergelegde straf, te weten een jeugddetentie voor de duur van 45 dagen, en legt in plaats daarvan op een taakstraf:

bepaalt dat die taakstraf zal bestaan uit een werkstraf voor de duur van 90 uren, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid,

bepaalt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, vervangende jeugddetentie voor de duur van 45 dagen zal worden toegepast;

verstaat dat de taakstraf uiterlijk 6 maanden nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, zal zijn voltooid.

Vonnis gewezen door mrs. P.C.G. Brants, R.H.A.M. Beaumont en J.J.M. Wassenberg, kinderrechters, van wie mr. J.J.M. Wassenberg voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. E.A.C. Tolkamp-Gazenbeek als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 11 februari 2008.