Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2008:BC3976

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
16-01-2008
Datum publicatie
11-02-2008
Zaaknummer
07 / 1237 BELEI K1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Boeteoplegging in het kader van de Wav.

Eiseres is aangemerkt als normadressaat. De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling dat niet zij maar een BV moet worden aangemerkt als zodanig nu eiseres zich kennelijk vereenzelvigde met die BV, althans ging zij er gedurende die tijd blijkbaar niet van uit dat de handelingen die haar werden verweten, in werkelijkheid de handelingen van de BV waren.

Anders dan eiseres is de rechtbank van oordeel dat verweerder niet wegens strijd met het legaliteitsbeginsel van boeteoplegging had dienen af te zien.

Genoemd beginsel houdt onder meer in dat bij verandering in wetgeving na het tijdstip waarop het feit is begaan, de voor de overtreder gunstigste bepalingen worden toegepast. Het beginsel lijdt uitzondering wanneer de verandering van wetgeving geen blijk geeft van een gewijzigd inzicht van de wetgever in de strafwaardigheid van het feit. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad geeft het afschaffen van maatregelen met een uitdrukkelijk voorzien tijdelijk karakter, zoals in casu het per 1 mei 2007 vervallen van de tewerkstellingsvergunningsplicht voor Poolse werknemers, geen blijk van een dergelijk gewijzigd inzicht. In een brief van verweerder aan de Voorzitter van de Tweede Kamer (Kamerstukken II 2006-2007, 29407, nr. 62) is overigens uitdrukkelijk gemeld dat illegale tewerkstelling van onderdanen van de nieuwe lidstaten, voor zover deze wordt geconstateerd vóór invoering van het vrij verkeer, ook nadien nog beboetbaar blijft. Ook hieruit volgt, dat van een gewijzigd inzicht volgens verweerder geen sprake is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

UITSPRAAK

Procedurenr. : 07 / 1237 BELEI K1

Inzake : Kwekerij [naam] C.V., gevestigd te [plaats], eiseres,

tegen : de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, namens deze, Algemeen Directeur van de Arbeidsinspectie, gevestigd te ‘s-Gravenhage, verweerder.

Datum en aanduiding van het bestreden besluit:

de brief d.d. 24 juli 2007,

kenmerk: AI/JZ/2006/91306/BOB.

Datum van behandeling ter zitting: 5 december 2007.

I. PROCESVERLOOP

Namens eiseres heeft mr. P.J.M. Boomaars, advocaat te Breda, bij deze rechtbank beroep ingesteld tegen het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit (verder: het bestreden besluit), waarbij is beslist op het bezwaar van eiseres tegen een eerder besluit d.d. 22 september 2006 (verder: het primaire besluit) inzake de oplegging van een boete op grond van de Wet arbeid vreemdelingen.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan gemachtigde van eiseres gezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 5 december 2007, waar eiseres is verschenen bij haar directeur [directeur], bijgestaan door mr. Boomaars voornoemd, en waar verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door R.E. van der Kamp.

II. OVERWEGINGEN

Feiten en standpunten van partijen

Bij een door de Arbeidsinspectie op 26 september 2005 in het bedrijfspand van eiseres uitgevoerde controle op de naleving van de bepalingen krachtens de Wet arbeid vreemdelingen (Wav) is geconstateerd dat eiseres voor vijftien aldaar werkzame personen met de Poolse nationaliteit (verder ook aan te duiden als: de vreemdelingen) niet beschikte over een tewerkstellingsvergunning.

De werkzaamheden bestonden uit het verzorgen van tomatenplanten en het plukken van tomaten. Hiervan is op 14 december 2005 een boeterapport opgemaakt, dat op 22 juni 2006 is aangevuld.

Naar aanleiding van de kennisgeving van verweerder dat hij voornemens was een boete aan eiseres op te leggen, heeft eiseres haar zienswijzen kenbaar gemaakt. De zienswijzen hebben in verweerders voornemen geen verandering gebracht en bij het primaire besluit heeft hij aan eiseres een boete opgelegd terzake overtreding van artikel 2, eerste lid, juncto artikel 18 van de Wav ter hoogte van € 120.000,--.

Namens eiseres is tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Daarbij is, zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang, het volgende aangevoerd.

Door eiseres zijn in de maand september 2005 geteelde tomaten “op stam” verkocht aan de Cypriotische onderneming Simart Holding Ltd. (verder: Simart). Simart heeft kennelijk op haar beurt de oogstwerkzaamheden uitbesteed aan Safir, een Poolse onderneming. Deze onderneming is de werkgever van de Poolse werknemers. Tijdens de hoorzitting is dit standpunt door eiseres gewijzigd in die zin, dat niet zij, maar [naam] BV (enig beherend vennoot in eiseres) degene is die de koopovereenkomst met Simart heeft gesloten.

De werktijden worden -aldus eiseres- door Safir bepaald, er is een Poolse voorman en het loon wordt door Safir uitbetaald. Nu eiseres geen enkele bemoeienis heeft gehad met de werknemers van Safir, kan eiseres niet als werkgever in de zin van de Wav worden aangemerkt.

Safir heeft voorts met haar personeel tijdelijk een dienst verricht in Nederland, bestaande uit het oogsten van tomaten in de kwekerij van eiseres. Er is zodoende sprake van grensoverschrijdende dienstverlening waarop artikel 49 van het EG-verdrag van toepassing is. Het stellen van de eis van een tewerkstellingsvergunning betekent een niet-proportionele belemmering van het vrij verkeer van diensten en is daarmee in strijd met het communautaire recht.

Eiseres beroept zich op het gelijkheidsbeginsel, nu collega-tuinders, die in vergelijkbare gevallen via het strafrecht werden aangesproken, daarbij allemaal zijn vrijgesproken.

De opgelegde boete is niet evenredig en eiseres is niet in staat deze te betalen.

Namens eiseres is verder bij de voorzieningenrechter van deze rechtbank een verzoek gedaan tot het treffen van een voorlopige voorziening. Dat verzoek is bij uitspraak van 19 december 2006 afgewezen. Nadat verweerder in de zaak een hoorzitting had gehouden, is het bezwaar bij het nu bestreden besluit ongegrond verklaard en is het primaire besluit gehandhaafd.

In beroep herhaalt eiseres voor een groot gedeelte haar stellingen in bezwaar, met het verschil dat eiseres zich thans op het standpunt stelt dat de omstandigheid dat het [naam] BV is geweest die de koopovereenkomst met Simart sloot, dat [naam] BV de eigenaar is van de kas en dat [naam] BV degene is die contractueel verplicht was de vreemdelingen toegang tot de kas te verlenen en die de slaapgelegenheid aan de vreemdelingen heeft aangeboden, met zich brengt dat eiseres niet als werkgever kan worden aangemerkt terwijl voorts de gedragingen van [naam] BV niet aan eiseres kunnen worden toegerekend.

Verder wordt in beroep nog aangevoerd dat voor de desbetreffende Poolse werknemers geen tewerkstellingsvergunning was vereist, omdat zij vallen onder de uitzondering van artikel 3 Wav.

Onder verwijzing naar haar pleitnota zoals voorgedragen tijdens de hoorzitting wordt voorts door eiseres aangevoerd dat het boeterapport in strijd met hetgeen bepaald in artikel 18b van de Wav veel te laat is opgemaakt.

Voorts wordt betoogd dat, nu sinds 1 mei 2007 voor Poolse werknemers geen tewerkstellingsvergunning meer is vereist, de wetgever kennelijk een ander inzicht heeft bekomen omtrent de strafwaardigheid van dit feit. Om die reden dienen artikel 15, eerste lid, van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (IVBPR) en artikel 1, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) ertoe te leiden dat de voor eiseres gunstigste bepalingen worden toegepast. Aldus kan aan eiseres geen boete worden opgelegd.

Subsidiair aan het vorige standpunt voert eiseres ten slotte aan dat verweerder, gelet op het feit dat hij zich kennelijk op het standpunt stelt dat de regeling ten aanzien van Poolse werknemers een tijdelijke was, de boete niet had mogen opleggen omdat aldus concreet zicht op legalisatie bestond. Verweerder had om die reden moeten afzien van handhaving.

Relevante bepalingen en jurisprudentie

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wav is het een werkgever verboden een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning. Het niet naleven hiervan is in artikel 18, eerste lid van de Wav aangemerkt als beboetbaar feit. In artikel 19a, eerste lid van die wet is bepaald dat een door de Minister aangewezen, onder hem ressorterende ambtenaar namens hem de boete oplegt aan degene op wie de verplichtingen rusten welke voortvloeien uit deze wet, voor zover het niet naleven daarvan is aangeduid als beboetbaar feit.

Artikel 1, eerste lid en onder b van de Wav bepaalt -voor zover hier van belang- dat onder werkgever wordt verstaan: degene die in de uitoefening van een ambt, beroep of bedrijf een ander arbeid laat verrichten.

De boetebedragen zijn vastgelegd in de op 1 januari 2007 in werking getreden Beleidsregels boeteoplegging Wet arbeid vreemdelingen 2007 (Stcrt. 22 december 2006, nr. 250, pag. 40, verder: de Beleidsregels). Het boetenormbedrag dat ingevolge de bij de Beleidsregels behorende Tarieflijst is gesteld op overtreding van artikel 2, eerste lid van de Wav is gesteld op € 8.000,-- per overtreding.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a van de Wav, is het verbod bedoeld in artikel 2, eerste lid van die wet niet van toepassing met betrekking tot een vreemdeling ten aanzien van wie ingevolge bepalingen, vastgesteld bij overeenkomst met andere mogendheden dan wel bij een voor Nederland verbindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie, een tewerkstellingsvergunning niet mag worden verlangd. Ingevolge die aanhef en onder c, voor zover hier van belang, is voormeld verbod niet van toepassing met betrekking tot een vreemdeling die behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie.

In artikel 1e, eerste lid van het Besluit uitvoering Wav is, voor zover hier van belang, bepaald dat het verbod, bedoeld in artikel 2, eerste lid van de Wav niet van toepassing is met betrekking tot een vreemdeling die in het kader van grensoverschrijdende dienstverlening tijdelijk in Nederland arbeid verricht in dienst van een werkgever die buiten Nederland gevestigd is in een andere lidstaat van de Europese Unie, mits:

a) de vreemdeling gerechtigd is als werknemer van deze werkgever de arbeid te verrichten in het land alwaar de werkgever gevestigd is;

b) de werkgever de arbeid in Nederland voor de aanvang daarvan schriftelijk aan de Centrale organisatie voor werk en inkomen heeft gemeld, onder overlegging van een verklaring en bewijsstukken als bedoeld in het tweede lid, en

c) er geen sprake is van dienstverlening die bestaat uit het ter beschikking stellen van arbeidskrachten.

Artikel 39, eerste lid van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (verder: het EG-Verdrag) bepaalt dat het verkeer van werknemers binnen de gemeenschap vrij is. Artikel 49 van het EG-Verdrag bepaalt in de eerste alinea dat de beperkingen op het vrij verrichten van diensten binnen de gemeenschap verboden zijn ten aanzien van de onderdanen der lidstaten die in een ander land van de gemeenschap zijn gevestigd dan dat, waarin degene is gevestigd te wiens behoeve de dienst wordt verricht.

Sinds 1 januari 2004 is Polen toegetreden tot de Europese Unie. Ingevolge een voorbehoud dat Nederland daarbij heeft gemaakt (Bijlage XII Lijst bedoeld in artikel 24 Toetredingsakte Polen, hierna: Bijlage XII), heeft Nederland de mogelijkheid om het recht op het vrij verkeer van werknemers zoals neergelegd in artikel 39 van het EG-Verdrag tijdelijk te beperken. Daarvan heeft Nederland gebruik gemaakt door tot 1 mei 2007 voor werknemers uit Polen de eis van een tewerkstellingsvergunning te handhaven (Kamerstukken II, 2003/04, 29 407, nr. 1 e.v.). In Bijlage XII is geen overgangsregeling getroffen voor het vrij verkeer van diensten.

Ten aanzien van het vrij verkeer van diensten heeft op grond van vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) te gelden dat het in Nederland -op tijdelijke basis- enkel ter beschikking stellen van eigen werknemers door een Poolse onderneming weliswaar valt aan te merken als het verrichten van diensten in de zin van artikel 49 van het EG-Verdrag, maar dat in dat geval de werknemers tot de arbeidsmarkt toetreden, de overgangsregeling voor de toegang van werknemers van toepassing is en Nederland bevoegd is maatregelen te treffen om de toegang van deze werknemers tot de arbeidsmarkt te regelen. De in de Wav neergelegde vergunningplicht is een dergelijke maatregel (ABRS 14 november 2007, LJN BB7823, ABRS 5 september 2007, LJN BB2923, ABRS 2 augustus 2006, LJN AY5514 en ABRS 2 augustus 2006, LJN AY5515).

De beoordeling

Termijn

Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat het boeterapport tijdig is opgemaakt. Artikel 18b, eerste lid van de Wav schrijft voor dat de toezichthouder, indien hij vaststelt dat een beboetbaar feit is begaan, daarvan zo spoedig mogelijk een rapport van opmaakt. In casu zijn de overtredingen geconstateerd op

26 september 2005, waarna op 14 december 2005 het boeterapport is opgemaakt, dat op 22 juni 2006 is aangevuld.

Gelet op de omvang van het feitencomplex en het aantal vreemdelingen met betrekking waartoe de overtreding is begaan, acht de rechtbank de periode die gelegen is tussen het constateren van de overtredingen en het opmaken van het eerste boeterapport, niet dusdanig dat daarmee niet meer kan worden gezegd dat het boeterapport zo spoedig mogelijk is opgemaakt. Dat de aanvulling zes maanden na het boeterapport is gevolgd, maakt dat niet anders. Artikel 18b strekt ertoe te waarborgen dat de feiten, eenmaal geconstateerd, met de nodige voortvarendheid aan papier worden toevertrouwd maar laat onverlet dat, indien zulks is gebeurd, later nog aanvullingen of verfijningen kunnen worden aangebracht.

Normadressaat

Eiseres heeft aangevoerd dat de handelingen die door [naam] BV (verder: de bv) zijn verricht, ten onrechte aan haar zijn toegerekend en dat zij mitsdien niet als overtreder had dienen te worden aangemerkt. De rechtbank volgt deze stelling niet.

Eiseres heeft hierop tot op het moment van de hoorzitting die in bezwaar is gehouden -op 9 maart 2007, derhalve bijna anderhalf jaar nadat de overtredingen waren geconstateerd- geen enkele keer onderbouwd de aandacht gevestigd. In het bezwaarschrift noch tijdens de behandeling van de voorlopige voorziening is aan deze stelling enig woord gewijd. Integendeel; daar, waar eiseres thans stelt dat het de bv is geweest die de overeenkomst met Simart sloot en aldus contractueel verplicht was tot het verlenen van toegang tot de kas en het bieden van slaapgelegenheid aan de vreemdelingen, luidde de stelling in bezwaar en tijdens de behandeling van de voorlopige voorziening nog uitdrukkelijk dat eiseres degene was die het contract met Simart had gesloten. Aldus vereenzelvigde eiseres zich kennelijk zelf geruime tijd met de bv, althans ging zij er gedurende die tijd blijkbaar niet van uit dat de handelingen die haar werden verweten, in werkelijkheid de handelingen van de bv waren. Dat zij dit standpunt eerst ter gelegenheid van de hoorzitting innam, maakt dat deze stelling aan geloofwaardigheid en aannemelijkheid inboet. Weliswaar is in de zienswijze de zinsnede “Waarom in deze zaak [naam] wordt aangemerkt als werkgever en niet de besloten vennootschap Kwekerij [naam] B.V. blijkt niet uit het boeterapport noch uit het aanvullend boeterapport” opgenomen, daarmee is de indruk, dat eiseres tot aan de hoorzitting niet de mening was toegedaan dat ten onrechte toerekening aan haar had plaatsgevonden, niet weggenomen. Tenslotte is dat in de zienswijze nergens gesteld en is zulks, zoals hierboven uiteengezet, ook op latere daartoe geëigende momenten in de procedure niet naar voren gebracht.

Tot slot maakt ook de omstandigheid dat de door Simart verrichte betalingen op de rekening van eiseres werden gestort en niet op die van de bv, de stelling dat de aan eiseres in het boeterapport verweten gedragingen in feite aan de bv dienen te worden toegerekend, onaannemelijk.

Werkgeverschap

De rechtbank komt vervolgens toe aan de vraag of eiseres terecht is aangemerkt als werkgever in de zin van de Wav.

Volgens vaste jurisprudentie van de ABRS is diegene die een vreemdeling feitelijk arbeid laat verrichten vergunningplichtig werkgever. Of sprake is van een arbeidsovereenkomst of gezagsverhouding is daarbij niet relevant. Het feit dat in opdracht van of ten dienste van een werkgever arbeid wordt verricht, is voor het feitelijk werkgeverschap reeds voldoende.

Verder impliceert het begrip ‘arbeid te laten verrichten’ geen actieve rol. Het enkel mogelijk maken en het niet verhinderen daarvan, wordt ook opgevat als het laten verrichten van arbeid (zie onder meer ABRS 11 juli 2007, LJN BA9298).

Eiseres heeft de vreemdelingen toegang verleend tot de kas en hen van slaapplaatsen voorzien. Ook hebben de vreemdelingen bij de uitvoering van hun werkzaamheden gebruik gemaakt van de infrastructuur van eiseres. Gelet hierop heeft eiseres de arbeid mogelijk gemaakt en deze niet verhinderd, zodat aan het in de jurisprudentie geformuleerde criterium is voldaan en eiseres terecht is aangemerkt als werkgever.

Artikel 3, eerste lid van de Wav

Eiseres heeft betoogd dat op grond van artikel 3, eerste lid van de Wav ten aanzien van de vreemdelingen geen vergunningplicht gold, omdat hun werkzaamheden plaatsvonden in het kader van door Safir verrichte grensoverschrijdende dienstverlening in de zin van artikel 49 van het EG-Verdrag. Verweerder stelt zich blijkens het bestreden besluit en het verhandelde ter zitting op het standpunt dat van grensoverschrijdende dienstverlening inderdaad sprake is, maar dat die dienstverlening bestond uit het enkel ter beschikking stellen van personeel, zodat de vergunningplicht op grond van artikel 1e, eerste lid en onder c van het Besluit uitvoering Wav onverkort van toepassing is. Daartoe wijst verweerder op de omstandigheden en voorwaarden waaronder de vreemdelingen in de tomatenkas werkzaam waren (het verlenen van toegang, bieden van slaapplaatsen en beschikbaar stellen van de infrastructuur), alsmede op het feit dat de werkzaamheden die zij verrichtten (tomatenplanten verzorgen en tomaten plukken), behoorden tot de normale bedrijfsactiviteiten van eiseres.

Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat verweerder onvoldoende onderzoek heeft verricht naar haar stelling, inhoudende dat van het ter beschikking stellen van personeel geen sprake was. De rechtbank oordeelt hieromtrent als volgt.

Vast staat dat eiseres in het bezwaarschrift, ingediend op 3 november 2006 (meer dan een jaar na constatering van de overtredingen), voor het eerst naar voren heeft gebracht dat de tomaten voorafgaand aan de controle door de Arbeidsinspectie waren verkocht aan Simart en dat deze Simart Safir had ingehuurd om de tomaten te laten plukken. Tijdens die controle heeft de aldaar ondervraagde bedrijfsleider van eiseres deze omstandigheid niet gemeld. Op 30 november 2005 heeft de directeur van eiseres, [directeur] , een fax aan verweerder gezonden waarin hij stelde van mening te zijn geen overtreding te hebben gepleegd, maar van genoemde omstandigheid is in die fax evenmin melding gemaakt. [directeur] is vervolgens uitgenodigd om op 2 december 2005 te worden gehoord naar aanleiding van de geconstateerde overtredingen, daarop is echter hij niet verschenen. In de op 18 augustus 2006 ingediende zienswijze tot slot is ook niets over de overeenkomst met Simart vermeld. Er zijn aldus verscheidene momenten geweest waarop het voor de hand had gelegen om verweerder over het bestaan van die overeenkomst in te lichten. Desondanks heeft eiseres zulks nagelaten tot op het moment van het indienen van bezwaar.

Daarnaar ter zitting gevraagd, verklaarde [directeur] dat de Arbeidsinspectie al vele malen eerder onderzoeken naar illegale arbeid binnen zijn bedrijven had gedaan, dat hij van mening was dat de Arbeidsinspectie alles al wist en dat hij geen zin meer had om opnieuw hetzelfde verhaal te moeten vertellen. Die verklaring acht de rechtbank niet toereikend om te kunnen aannemen dat eiseres verweerder op een eerder moment over de overeenkomst met Safir had ingelicht dan hierboven is vastgesteld. De stelling dat zulks in het kader van andere onderzoeken reeds had plaatsgevonden, kan -wat er verder ook van zij- niet terzake doen. Indien eiseres immers wenst dat bepaalde omstandigheden door verweerder in het kader van het onderhavige onderzoek worden meegenomen, had zij ook in dat kader melding van die omstandigheden dienen te maken.

Het feit dat eiseres deze omstandigheid pas in een zo laat stadium naar voren heeft gebracht, maakt dat de geloofwaardigheid ervan te betwijfelen valt. In het licht voorts van de door verweerder geconstateerde omstandigheden en voorwaarden waaronder de vreemdelingen werkzaam waren, rustte op hem niet een onderzoeksplicht naar de vraag of sprake was van ter beschikking stellen van personeel, die verder ging dan zoals is geschied.

De rechtbank is mitsdien van oordeel dat verweerder op grond van de door hem gedane constateringen heeft kunnen oordelen dat sprake was van dienstverlening die bestond uit het ter beschikking stellen van arbeidskrachten. Op grond van artikel 1e, eerste lid en onder c van het Besluit uitvoering Wav had eiseres derhalve over tewerkstellingsvergunningen voor de vreemdelingen dienen te beschikken.

Legaliteitsbeginsel

Anders dan eiseres is de rechtbank van oordeel dat verweerder niet wegens strijd met het legaliteitsbeginsel van boeteoplegging had dienen af te zien.

Genoemd beginsel houdt onder meer in dat bij verandering in wetgeving na het tijdstip waarop het feit is begaan, de voor de overtreder gunstigste bepalingen worden toegepast. Het beginsel lijdt uitzondering wanneer de verandering van wetgeving geen blijk geeft van een gewijzigd inzicht van de wetgever in de strafwaardigheid van het feit. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad geeft het afschaffen van maatregelen met een uitdrukkelijk voorzien tijdelijk karakter, zoals in casu het per 1 mei 2007 vervallen van de tewerkstellingsvergunningsplicht voor Poolse werknemers, geen blijk van een dergelijk gewijzigd inzicht. In een brief van verweerder aan de Voorzitter van de Tweede Kamer (Kamerstukken II 2006-2007, 29407, nr. 62) is overigens uitdrukkelijk gemeld dat illegale tewerkstelling van onderdanen van de nieuwe lidstaten, voor zover deze wordt geconstateerd vóór invoering van het vrij verkeer, ook nadien nog beboetbaar blijft. Ook hieruit volgt, dat van een gewijzigd inzicht volgens verweerder geen sprake is.

Het door eiseres in dit verband subsidiair geformuleerde standpunt, inhoudende dat verweerder van boeteoplegging had dienen af te zien omdat vanwege de tijdelijke aard van de maatregel concreet zicht op legalisatie bestond, kan de rechtbank niet volgen. Voor een dergelijke aan de handhavingsjurisprudentie ontleende redenering is in zaken zoals deze, waarin het gaat om naar zijn aard punitieve sancties, geen plaats.

Gelijkheidsbeginsel

Verweerder heeft, door de boete aan eiseres op te leggen, niet gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Dat eiseres een aantal strafrechtelijke en bestuursrechtelijke uitspraken aanhaalt waarin is geconcludeerd tot vrijspraak van de beboete ondernemingen, respectievelijk tot gegrondverklaring van de ingediende beroepschriften, betekent niet dat verweerder in deze zaak van boeteoplegging had dienen af te zien, reeds omdat eiseres op geen wijze aannemelijk heeft gemaakt dat die gevallen op relevante punten zodanig overeenkomen met haar geval, dat sprake is van schending van genoemd beginsel.

Evenredigheid

Eiseres heeft aangevoerd in een dermate penibele financiële positie te verkeren, dat betaling van de boete zal leiden tot haar faillissement. De rechtbank stelt vast dat eiseres deze stelling met geen enkel bescheid heeft gestaafd, zodat geen aanleiding bestaat om te concluderen dat de boete vanwege eiseresses financiële positie niet evenredig is. In hetgeen voor het overige door eiseres naar voren is gebracht, vindt de rechtbank evenmin grond om te oordelen dat verweerder in strijd met het evenredigheidsbeginsel heeft gehandeld.

Slotsom

De conclusie moet luiden dat het bestreden besluit de rechterlijke toetsing heeft doorstaan, zodat het beroep ongegrond dient te worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De rechtbank Roermond:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mrs. P.J. Voncken, A.W.P. Letschert en J.M.H. Rijken-Lie (voorzitter), in tegenwoordigheid van mr. N.F.M. Roelofs als griffier en in het openbaar uitgesproken op 16 januari 2008.

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

Verzonden op: 23 januari 2008.

MV

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Ingevolge artikel 6:5 van de Awb bevat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak en moet een afschrift van de uitspraak bij het beroepschrift worden overgelegd.