Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2008:BC3851

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
11-02-2008
Datum publicatie
11-02-2008
Zaaknummer
04/610182-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

openlijk in vereniging geweldplegen in een schoolgebouw

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Parketnummer : 04/610182-07

Parketnummer : 04/850331-06 (tul)

Parketnummer : 04/850999-06 (tul)

Parketnummer : 04/850224/07 (tul)

Uitspraak d.d. : 11 februari 2008

TEGENSPRAAK

VONNIS van de rechtbank Roermond, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

naam : [verdachte]

voornamen : [voornaam]

geboren op : [geboortedatum en -plaats]

adres : [adres]

plaats : [woonplaats]

thans gedetineerd in P.I. Arnhem - HvB Arnhem Zuid, Ir.Molsweg 5 te Arnhem.

1. Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 10 december 2007 en 28 januari 2008.

2. De tenlastelegging

De verdachte staat terecht ter zake dat:

1.

hij op of omstreeks 05 september 2007 in de gemeente Roermond [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte deze [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] dreigend de woorden toegevoegd: "Ik schiet je vol met lood. Ik ga een pistool halen", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

(art. 285 van het Wetboek van Strafrecht);

2.

hij op of omstreeks 05 september 2007 in de gemeente Roermond met een ander of anderen, op een voor het publiek toegankelijke plaats of in een voor het publiek toegankelijke ruimte, te weten, tijdens een lesuur in een leslokaal, in elk geval in een schoolgebouw, gelegen aan de Kasteel Hillenraedstraat (nr. 1), alwaar een groot aantal leerlingen aanwezig waren openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4], in elk geval tegen een of meer daar aanwezige perso(o)n(en)

welk geweld bestond uit het slaan van genoemde [slachtoffer 2] en/of uit het met kracht duwen, in elk geval ten val brengen van genoemde [slachtoffer 4] en/of uit het opzettelijk dreigend met een buis, althans een met stok in de hand(en) en/of met een of meer vuurwapen(s), althans op (een) vuurwapen(s) gelijkende voorwerp(en) welke hij verdachte en/of zijn mededader(s) (zichtbaar) in hun/zijn kleding droeg(en), althans voor een of meer leerling(en) waarneembaar was/waren, dat leslokaal, in elk geval dat schoolgebouw binnen te dringen en/of tegen een of meer leerling(en) op te dringen en/of uit het dreigend een (rood) stuk ijzer in de (opgeheven) hand(en) houden ten opzichte van de aldaar aanwezige perso(o)n(en);

(art. 141 van het Wetboek van Strafrecht);

Althans indien terzake het vorenstaande onder 2 geen veroordeling zou volgen:

A.

hij op of omstreeks 05 september 2007 in de gemeente Roermond, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [slachtoffer 3] en/of een of meer leerling(en), in elk geval pers(o)n(en) welke aanwezig was/waren in een schoolgebouw, gelegen aan de Kasteel Hillenraedstraat (nr 1) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) opzettelijk dreigend (een) vuurwapen(s), in elk geval (een) op een vuurwapen(s) gelijkend voorwerp(en), in hun/zijn hand(en) gehouden, althans zichtbaar in hun/zijn kleding gedragen, althans aan genoemde [slachtoffer 3] en/of een of meer aldaar aanwezige leerling(en), althans perso(o)n(en) getoond en (daarbij) op dreigende toon tegen die [slachtoffer 3] gezegd:"Laat me los of ik schiet je door je kop", in elk geval woorden van soortgelijke dreigende aard en strekking, althans opzettelijk dreigend met een buis in de (opgeheven) hand(en) dat schoolgebouw is binnengedrongen en/of tegen een of meer leerling(en) is opgedrongen en/of opzettelijk dreigend een (rood) stuk ijzer in de (opgeheven) hand(en) heeft/hebben gehouden ten opzichte van de aldaar aanwezige perso(o)n(en);

(art. 285 van het Wetboek van Strafrecht);

en/of

B.

hij op of omstreeks 05 september 2007 in de gemeente Roermond, tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade mishandelend, althans opzettelijk mishandelend, een persoon, [slachtoffer 2], opzettelijk, na kalm beraad en rustig overleg, althans opzettelijk heeft geslagen, tengevolge waarvan genoemde [slachtoffer 2] enig lichamelijk letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

(art. 301 van het Wetboek van Strafrecht);

en/of

C.

hij op of omstreeks 05 september 2007 in de gemeente Roermond tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 4]) met kracht heeft geduwd en/of ten val heeft gebracht, waardoor voornoemde [slachtoffer 4] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

(art. 300 van het Wetboek van Strafrecht);

3.

hij op of omstreeks 11 juli 2007 in de gemeente Roermond tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening, vanaf een oprit bij een woning gelegen aan de [adres] heeft weggenomen een motorfiets (merk: Peugeot, type: SV 125, kleur: groen, kenteken: MS10LF), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 5], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) het weg te nemen goed onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door het stuurslot van die motor te verbreken, in elk geval door middel van verbreking;

(art. 311 van het Wetboek van Strafrecht);

4.

hij op of omstreeks 04 september 2007 in de gemeente Roermond tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een kinderfiets (merk: Loeki, type: Big-Bike, kleur: zwart), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 6], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

(art. 311/1/4 van het Wetboek van Strafrecht);

5.

hij op of omstreeks 04 september 2007 in de gemeente Roermond tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een sigarettenautomaat heeft weggenomen 40, in elk geval een aantal pakjes sigaretten, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Jan Linders, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door die sigarettenautomaat open te breken, althans te forceren in elk geval door middel van braak en/of verbreking;

(Art. 311 van het Wetboek van Strafrecht);

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3. De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4. De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5. De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen.

6. Schorsing der vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

7. Bewijsoverwegingen

7.1 Standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 10 december 2007 gevorderd dat het onder 1, 2 primair, 3, 4 en 5 ten laste gelegde zal worden bewezen verklaard.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder feit 1 ten laste gelegde voor wat betreft de bedreiging van [slachtoffer 2] en het onder 2 primair en subsidiair onder A, B en C ten laste gelegde.

De raadsman voert met betrekking tot feit 1 aan dat het uit de verklaring van [slachtoffer 2] onvoldoende duidelijk is dat het verdachte is die de bedreiging jegens [slachtoffer 2] heeft geuit, nu [slachtoffer 2] verklaart dat het om een Marokkaan op een witte damesfiets ging.

De raadsman voert met betrekking tot feit 2 primair aan dat uit de zich in het dossier bevindende verklaringen kan worden opgemaakt dat er op 5 september 2007 in de school van alles is gebeurd. Uit die verklaringen is echter niet eenduidig op te maken welke verdachte wat heeft gedaan. In ieder geval heeft verdachte slachtoffer [slachtoffer 2] niet geslagen en slachtoffer [slachtoffer 4] niet geduwd. Voorts blijkt uit de verklaring van getuige [getuige 4] dat verdachte geen vuurwapen bij zich had.

De raadsman is van mening dat er geen sprake is van openlijke geweldpleging, maar dat de diverse gebeurtenissen als afzonderlijke feiten gezien moeten worden. Op grond van het hiervoor aangevoerd dient verdachte ook vrijgesproken te worden van het onder 2 subsidiair onder B en C ten laste gelegde.

7.2 Bewijsmiddelen en overwegingen van de rechtbank

De overtuiging van de rechtbank dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de volgende bewijsmiddelen.

De hieronder vermelde bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit, waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

7.2.1 De bewijsmiddelen en de bewezenverklaring de rechtbank

Feit 1:

Aangever [slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij op 5 september 2007 in de gemeente Roermond door een Marokkaanse jongen werd bedreigd. De Marokkaanse jongen heeft tegen hem gezegd: “Ik schiet je vol met lood. Ik ga een pistool halen.” Aangever [slachtoffer 1] heeft voorts verklaard dat de jongen die later is mishandeld achter de Marokkaan aan rende. Aangever [slachtoffer 2] heeft verklaard dat de Marokkaan tegen een leerling zei dat die Marokkaan zijn pistool ging halen en hem vol met lood zou schieten. Aangever [slachtoffer 2] hoorde dat die Marokkaan ook tegen hem zei dat hij maar even moest wachten want dan zou hij hem vol lood schieten. Aangever [slachtoffer 2] is vervolgens achter die Marokkaan aangerend toen die Marokkaan wegfietste.

Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat verdachte, die hij kent van de basisschool, tegen [slachtoffer 1] heeft gezegd: “Geef mij vijf minuten en ik pomp je vol met lood”.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij vanuit Nikee naar de Gilde-opleidingen is gelopen en dat hij daar werd aangehouden door een groep jongens en dat hij toen heeft gezegd: “Ik schiet je vol met lood. Ik ga thuis een pistool halen.”

Gelet op deze verklaringen acht de rechtbank, in tegenstelling tot wat de raadsman heeft aangevoerd, het voldoende duidelijk dat de Marokkaan in de verklaringen van aangever [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] dezelfde persoon is, namelijk verdachte

Gelet op de hiervoor genoemde verklaringen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 05 september 2007 in de gemeente Roermond [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte deze [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] dreigend de woorden toegevoegd: "Ik schiet je vol met lood. Ik ga een pistool halen", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

Feit 2:

De raadsman is van mening dat er geen sprake is van openlijke geweldpleging, maar dat de diverse gebeurtenissen als afzonderlijke feiten gezien moeten worden.

De rechtbank ziet het verweer van de raadsman als een verweer dat aan het bestanddeel “in vereniging” niet is voldaan.

De rechtbank verwerpt dat verweer.

De rechtbank overweegt daartoe dat, zoals hierna uit de bewijsmotivering blijkt, verdachte samen met de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] het leslokaal is binnengegaan en daar kort op elkaar volgende gewelddadige handelingen heeft gepleegd tegen 2 leerlingen en een leraar. De rechtbank is dan ook van oordeel dat er sprake is van in vereniging gepleegde geweldshandelingen.

Aangever [slachtoffer 2] heeft verklaard dat hij zich op 5 september 2007 in een klaslokaal van de Gilde-opleidingen aan de Kasteel Hillenraedstraat 1 te Roermond bevindt. [slachtoffer 2] verklaart de opleiding installatietechniek te volgen.

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] naar de school is gegaan. Verdachte heeft een plastic pvc-buis meegenomen naar school en [medeverdachte 1] had een pistool bij zich. [medeverdachte 1] had dat wapen onder zijn riem. Voorts heeft verdachte verklaard dat [medeverdachte 1] de jongen in school heeft geslagen.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] naar de Gilde-opleidingen is gegaan. Verdachte heeft op straat een PVC-buis gepakt en meegenomen. [medeverdachte 1] had een plastic geweer bij zich. Later heeft [medeverdachte 1] tegen verdachte gezegd dat het om een Bibi Gun van plastic ging. Verdachte heeft voorts verklaard dat hij het klaslokaal is ingelopen en met de PVC-buis heeft gedreigd. Verdachte werd bij de arm gegrepen. [medeverdachte 1] heeft vervolgens om hem en [medeverdachte 2] heen een jongen geslagen.

Aangever [slachtoffer 2] heeft verklaard dat hij zag dat na de pauze 3 Marokkanen het klaslokaal binnenkwamen waar hij en zijn klasgenoten zich bevonden. De Marokkaan van het eerdere voorval liep voorop. De andere twee er kort achter. De eerste Marokkaan een andere Marokkaan pakten [slachtoffer 2] vast, een aan de linker- en een aan de rechterkant. Beiden stonden aan de voorzijde van [slachtoffer 2]. Plotseling voelde [slachtoffer 2] een harde klap in zijn gezicht. [slachtoffer 2] voelde dat hij onder zijn linkeroog werd geraakt. Een aantal klasgenoten en een leraar trokken de jongens weg. De drie jongens liepen naar de uitgang van het lokaal.

Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft verklaard dat verdachte een pijp bij zich had. [medeverdachte 1] en hij zijn te voet naar de school gegaan en verdachte per fiets. [medeverdachte 2] heeft gezien dat verdachte de pijp eerst gewoon in de hand had, maar dat hij er later mee wilde slaan. [medeverdachte 2] zag dat verdachte die pijp van onderen langs zijn lichaam omhoog tilde. Verder versnelde verdachte zijn pas. Tussen verdachte en een jongen vielen woorden. [medeverdachte 2] hoorde zeggen: “Kom naar buiten”. Dit werd ook door [medeverdachte 1] gezegd. Verdachte heeft die jongen aan zijn kleren voor vastgepakt. [medeverdachte 2] stond op dat moment naast verdachte schuin voor die jongen. [medeverdachte 2] zag op een gegeven moment een vuist langs hem doorschieten en zag dat die vuist die jongen in zijn gezicht raakte. [medeverdachte 2] keek toen meteen om en zag dat [medeverdachte 1] degene was die die jongen met zijn vuist in het gezicht sloeg. [medeverdachte 2] heeft verklaard dat zij in het lokaal stonden met een hoop personen om zich heen. Ze zijn toen even later vertrokken. [medeverdachte 2] is toen echter nog teruggelopen omdat [medeverdachte 2] zag dat iemand verdachte vasthad. Verdachte heeft ter terechtzitting ook verklaard dat hij werd vastgepakt en dat hij zich probeerde los te rukken. [medeverdachte 2] verklaarde voorts dat hij naar verdachte is toegelopen en ze uit elkaar heeft gehaald. Die man had verdachte van achteren vast. Toen [medeverdachte 2] naar buiten liep kreeg hij van alles naar zijn hoofd gegooid. [medeverdachte 2] werd op zijn hoofd geraakt.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij daarna nog een rode buis heeft vastgehad.

Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat verdachte, die hij kent van de basisschool, tegen [slachtoffer 1] zei: “Geef mij vijf minuten en ik pomp je vol met lood”. Verdachte fietste daarop weg. Getuige [getuige 1] zag na de pauze verdachte met de fiets terugkomen. [getuige 1] zag dat verdachte een kunststof of metalen pijp in zijn handen had. [getuige 1] zag verdachte en [medeverdachte 1] het klaslokaal binnen gaan.

Getuige [getuige 1] zag op een gegeven moment verdachte en [medeverdachte 1] het klaslokaal weer uitkomen. [medeverdachte 1] had toen een koperkleurige pijp van circa 2 meter in zijn handen. [getuige 1] zag dat verdachte een langwerpig ding bij zich had dat wordt gebruikt voor het buigen van metaal en dat verdachte dat voorwerp weggooide en dat [medeverdachte 1] de koperen pijp liet vallen.

Getuige [getuige 2] zag ook 3 Marokkaanse manspersonen het leslokaal voor installatietechniek binnen gaan. De 3 Marokkaanse manspersonen liepen in versnelde pas op [slachtoffer 2] toe. Twee personen duwden tegen [slachtoffer 2]. [getuige 2] zag dat de derde Marokkaan [slachtoffer 2] tegen zijn gezicht sloeg en dat [slachtoffer 2] op zijn linkeroog werd geraakt. [getuige 2] heeft verklaard dat hij deze derde persoon kent en dat hij [medeverdachte 1] heet. [getuige 2] zag dat [slachtoffer 2] een buizenbuiger pakte. [slachtoffer 2] werd hierop zelf ook vastgepakt. [getuige 2] zag dat de 3 Marokkaanse manspersonen wegliepen in de richting van de achterdeur. Door de voordeur zag [getuige 2] een leraar binnenkomen. Die leraar pakte een van die drie Marokkaanse manspersonen vast. [getuige 2] zag toen dat die leraar vervolgens werd weggeduwd door één van de twee andere Marokkaanse manspersonen. [getuige 2] omschrijft die persoon als een redelijk grote jongen. [getuige 2] zag dat de leraar als gevolg van die duw tegen een trapleuning aan viel. Een van de drie Marokkaanse manspersonen pakte nog een rode buigtang van de werktafel. [getuige 2] zag dat vanuit de klas een koperen buis van ongeveer 30 centimeter werd gegooid en dat een van die manspersonen daardoor werd geraakt.

De door getuige [getuige 2] bedoelde leraar is aangever [slachtoffer 4] . [slachtoffer 4] heeft verklaard dat hij zag dat de drie mannen zich na de schermutseling omdraaide en liepen in de richting van de deur. [slachtoffer 4] zag toen dat de 3 mannen zich weer omdraaiden en weer terug kwamen lopen. [slachtoffer 4] heeft verklaard dat hij probeerde een van die mannen tegen te houden. De man duwde vervolgens [slachtoffer 4] aan de kant. [slachtoffer 4] is daardoor ten val gekomen tegen een railing.

Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat hij, toen [medeverdachte 1] [slachtoffer 2] sloeg, heeft gezien dat [medeverdachte 1] iets onder zijn vest droeg. De vorm daarvan was recht omhoog vanuit zijn broekriem en dan ongeveer na 10 centimeter ineens naar een zijkant.

Getuige [getuige 3] heeft verklaard dat ze [medeverdachte 1] vanaf de Gilde-opleidingen zag rennen. Getuige [getuige 3] zag dat [medeverdachte 1] onder het rennen iets in zijn broeksband stopte. Het voorwerp was zwart en [medeverdachte 1] hield het voorwerp vast op een wijze waarop je normaal gesproken een pistool vasthoudt. [medeverdachte 1] had het pistool in zijn rechterhand en stak het linksvoor in de broeksband.

Getuige [getuige 4] heeft verklaard dat, nadat [slachtoffer 2] de klap in zijn gezicht had gekregen, hij zag dat de kleine Marokkaan zijn T-shirt omhoog trok. [getuige 4] zag toen een pistool in de broeksband van die kleine Marokkaan.

Getuige [slachtoffer 3] heeft verklaard dat hij de kleinste Marokkaan herkende van het voorval bij de slagboom. Uit de verklaring van verdachte maakt de rechtbank op dat [slachtoffer 3] met de kleinste Marokkaan verdachte bedoelt. [slachtoffer 3] heeft verklaard dat hij verdachte zag graaien in de steekzak van zijn trui en dat hij aan de rechterzijde een vuurwapen zag zitten.

De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 05 september 2007 in de gemeente Roermond met anderen, in een voor het publiek toegankelijke ruimte, te weten, tijdens een lesuur in een leslokaal, gelegen aan de Kasteel Hillenraedstraat (nr. 1), alwaar een groot aantal leerlingen aanwezig waren openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4], welk geweld bestond uit het slaan van genoemde [slachtoffer 2] en uit het met kracht duwen van genoemde [slachtoffer 4] en uit het opzettelijk dreigend met een buis in de hand en met een of meer op (een) vuurwapen(s) gelijkende voorwerp(en) welke hij verdachte en/of zijn mededader(s) (zichtbaar) in hun/zijn kleding droeg(en), dat leslokaal binnen te dringen en tegen een of meer leerling(en) op te dringen en uit het dreigend een (rood) stuk ijzer in de (opgeheven) hand(en) houden ten opzichte van de aldaar aanwezige perso(o)n(en);

Feit 3:

Gelet op de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 28 januari 2008, de aangifte van [slachtoffer 5] , de bevindingen van de verbalisant [verbalisant 1] acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 11 juli 2007 in de gemeente Roermond tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening, vanaf een oprit bij een woning gelegen aan de [adres] heeft weggenomen een motorfiets (merk: Peugeot, type: SV 125, kleur: groen, kenteken: MS10LF), toebehorende aan [slachtoffer 5], waarbij verdachte en zijn mededader het weg te nemen goed onder hun bereik hebben gebracht door het stuurslot van die motor te verbreken;

Feit 4:

Gelet op de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 28 januari 2008 en de aangifte van [slachtoffer 6] , acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 04 september 2007 in de gemeente Roermond, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een kinderfiets (merk: Loeki, type: Big-Bike, kleur: zwart), toebehorende aan [slachtoffer 6];

Feit 5:

Gelet op de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 28 januari 2008, de aangifte van [aangeefster 1], namens Jan Linders en de verklaring van [aangeefster 2] acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 04 september 2007 in de gemeente Roermond tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een sigarettenautomaat heeft weggenomen 40 pakjes sigaretten, toebehorende aan Jan Linders, waarbij verdachte en zijn mededader de weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door die sigarettenautomaat open te breken;

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen.

Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

8. Kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het ten laste van verdachte bewezenverklaarde levert op de navolgende misdrijven:

Ten aanzien van feit 1:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd

Het misdrijf is strafbaar gesteld bij artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht.

Ten aanzien van feit 2 primair:

Openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Het misdrijf is strafbaar gesteld bij artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht.

Ten aanzien van feit 3:

Diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel verbreking.

Het misdrijf is strafbaar gesteld bij de artikelen 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Ten aanzien van feit 4:

Diefstal.

Het misdrijf is strafbaar gesteld bij artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht.

Ten aanzien van feit 5:

Diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.

Het misdrijf is strafbaar gesteld bij de artikelen 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

9. De strafbaarheid van verdachte

De verdachte is strafbaar voor het bewezenverklaarde nu niet is gebleken van enige omstandigheid die verdachtes strafbaarheid opheft.

10. De straffen en/of maatregelen

10.1 De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij gelegenheid van de terechtzitting op 28 januari 2008 onder toepassing van het meerderjarige strafrecht met betrekking tot de op te leggen straf gevorderd dat verdachte ter zake van de ten laste gelegde feiten onder 1, 2 primair, 3, 4 en 5 zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de tijd van 18 maanden, met aftrek ex artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

10.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van de gevorderde straf aangevoerd dat op verdachte het jeugdstrafrecht dient te worden toegepast en dat daarmee de eis van de officier van justitie te hoog is.

10.3 De overwegingen van de rechtbank

De rechtbank verwerpt het verzoek van de officier van justitie tot toepassing van het meerderjarige strafrecht ex artikel 77b van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank vindt in de ernst van de begane feiten, de persoonlijkheid van de dader en de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan, geen grond het strafrecht voor volwassenen toe te passen.

Verdachte heeft zich in korte tijd schuldig gemaakt aan bedreiging tegen 2 scholieren, openlijke geweldpleging tegen personen in die school en een drietal diefstallen, al dan niet in vereniging. De rechtbank rekent verdachte vooral de openlijke geweldpleging, waarvan verdachte de initiator was, zwaar aan. Verdachte is met zijn mededaders binnengedrongen in een leslokaal van een school. Verdachte heeft daar gedreigd met een PVC-buis en een medeverdachte heeft daar een leerling geslagen. Bij de ontstane schermutselingen is ook nog een leraar omver geduwd. Zowel bij de leerling als bij de leraar heeft dit geleid tot lichamelijk letsel.

De rechtbank rekent het verdachte en zijn mededaders tevens zwaar aan dat zij zich voordat zij de school zijn binnengedrongen, hebben voorzien van (een) op (een) vuurwapen(s) gelijkende voorwerp(en). Bij de in het klaslokaal aanwezige leerlingen heeft dit geleid tot grote angst.

De rechtbank rekent verdachte voorts de omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd en de maatschappelijke verontrusting die van die feiten het gevolg zijn zwaar aan. In het bijzonder in een schoolomgeving zoals de onderhavige is het voor de doorgaans jongere leerlingen van belang dat zij zich in een schoolgebouw kunnen begeven waar zij zich veilig voelen en waar geen sprake is van dreiging van geweld. Door het gewelddadig gedrag als dat van verdachte wordt niet alleen een inbreuk gemaakt op een plezierige en leerzame schooltijd van leerlingen, maar leven ouders vaak ook in angst omtrent de veiligheid van hun kinderen wanneer zij hun school bezoeken.

De rechtbank houdt ook rekening met het feit dat verdachte blijkens het uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister reeds meermalen ter zake van gewelds- en vermogensdelicten is veroordeeld tot deels voorwaardelijke straffen.

Deze veroordelingen hebben verdachte er niet van weerhouden om weer nieuwe strafbare feiten te plegen. Verdachte is in het verleden diverse malen hulpverlening aangeboden die echter tot niets heeft geleid, nu verdachte deze hulp telkens heeft afgewezen. De jeugdreclassering adviseert de rechtbank om aan verdachte de maximaal op te leggen straf te geven, nu zij geen mogelijkheden meer zien om verdachte positief te sturen. De door verdachte gepleegde feiten worden ook steeds ernstiger.

De rechtbank ziet dan ook geen redenen meer om een andere straf op te leggen dan een geheel onvoorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 12 maanden.

10.4 Verbeurdverklaring

De rechtbank is van oordeel dat het inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten een stuk buis, kleur grijs, dient te worden verbeurdverklaard.

Genoemd voorwerp is vatbaar voor verbeurdverklaring aangezien met behulp van dat voorwerp het feit onder 2 primair is begaan.

10.7 De vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

10.7.1. De vordering v[slachtoffer 5].

[slachtoffer 5] wonende te [adres] 7, heeft een vordering benadeelde partij ingediend met betrekking tot de als gevolg van het hiervoor onder 3 ten laste gelegde feit geleden materiële schade.

[slachtoffer 5] voornoemd heeft de materiële schade op een bedrag van EUR 825,00 gesteld, en wil die schade vergoed krijgen.

Ten laste van verdachte is het hiervoor onder 3 ten laste gelegde feit bewezen. Het is een strafbaar feit en verdachte zal ter zake van dat feit worden veroordeeld.

Aangezien de vordering op geen enkele wijze is onderbouwd, is deze niet voor toewijzing vatbaar en zal de rechtbank de vordering afwijzen.

Aangezien de vordering van de benadeelde partij zal worden afgewezen, zal de verdachte niet worden veroordeeld in de kosten die door de benadeelde partij zijn gemaakt.

Niet gebleken is dat verdachte (extra) kosten heeft gemaakt ten aanzien van de civiele vordering. De rechtbank zal deze kosten vaststellen op nihil.

10.7.2. De vordering van [slachtoffer 6].

[slachtoffer 6] wonende te [adres], heeft een vordering benadeelde partij ingediend met betrekking tot de als gevolg van het hiervoor onder 4 ten laste gelegde feit geleden materiële schade.

[slachtoffer 6] voornoemd heeft de materiële schade op een bedrag van EUR 217,15 gesteld, en wil die schade vergoed krijgen.

Ten laste van verdachte is het hiervoor onder 4 ten laste gelegde feit bewezen. Het is een strafbaar feit en verdachte zal ter zake van dat feit worden veroordeeld.

Naar het oordeel van de rechtbank is de vordering, die door verdachte niet is weersproken, voor toewijzing vatbaar, zodat de rechtbank het schadebedrag zal vaststellen op een totaalbedrag van EUR 217,15.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade.

De rechtbank zal de verdachte veroordelen in de kosten van het geding door de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedrag gemaakt, begroot op nihil.

De rechtbank zal tevens aan verdachte de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van € 217,15 bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door jeugddetentie voor de tijd van 4 dagen, te betalen ten behoeve van [slachtoffer 6] wonende te [adres], zoals hierna in het dictum genoemd.

11. Toepasselijke wetsartikelen

Na te melden beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 24, 27, 33, 33a, 36f, 47, 77a, 77h, 77i, 77ee, 77gg, 141, 285, 310, 311

12. De vordering tot tenuitvoerlegging

De rechtbank is van oordeel dat nu gebleken is dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd heeft schuldig gemaakt aan de hiervoor bewezen verklaarde strafbare feiten omtrent de vorderingen tot tenuitvoerlegging van aan de verdachte bij vroegere veroordelingen opgelegde voorwaardelijke straffen beslist dient te worden zoals hierna is vermeld.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2 primair, 3, 4 en 5 ten laste gelegde zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

verstaat dat het aldus bewezenverklaarde de hiervoor vermelde strafbare feiten oplevert en verklaart verdachte ter zake strafbaar;

veroordeelt verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een onvoorwaardelijke jeugddetentie voor de tijd van 12 maanden;

beveelt dat de tijd door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan verdachte opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

verklaart verbeurd: een stuk buis, kleur grijs;

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij Schulz e/v Schlicksupp:

Wijst af de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5], [adres], nu de vordering niet is onderbouwd;

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 6];

Wijst toe de vordering benadeelde partij van EUR 217,15;

veroordeelt verdachte om tegen bewijs van betaling aan benadeelde partij [slachtoffer 6], [adres], te betalen een bedrag van EUR 217,15;

legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat te betalen een som geld ten bedrage van EUR 217,15 subsidiair 4 dagen jeugddetentie ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 6], wonende te [adres], met dien verstande dat de toepassing van de vervangende jeugddetentie de opgelegde verplichting tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

bepaalt dat indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van EUR 217,15 ten behoeve van voornoemd slachtoffer daarmede de verplichting van verdachte om dit bedrag aan voornoemde benadeelde partij te betalen komt te vervallen en dat indien dit bedrag door verdachte aan voornoemde benadeelde partij is betaald, daarmee de verplichting tot betaling van dit bedrag aan de Staat ten behoeve van voornoemd slachtoffer komt te vervallen;

veroordeelt verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedrag alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil

Beslissing op de vorderingen tot tenuitvoerlegging.

Gelast de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de Kinderrechter te Roermond d.d. 15 november 2006 in de zaak met parketnummer 850331-06 aan de veroordeelde opgelegde doch voorwaardelijk niet tenuitvoergelegde straf, te weten:

Jeugddetentie voor de duur van 3 weken.

Gelast de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de Kinderrechter te Roermond d.d. 24 januari 2007 in de zaak met parketnummer 850999-06 aan de veroordeelde opgelegde doch voorwaardelijk niet tenuitvoergelegde straf, te weten:

Jeugddetentie voor de duur van 38 dagen.

Gelast de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de Kinderrechter te Roermond d.d. 11 juni 2007 in de zaak met parketnummer 850224-07 aan de veroordeelde opgelegde doch voorwaardelijk niet tenuitvoergelegde straf, te weten:

Jeugddetentie voor de duur van 3 weken.

Vonnis gewezen door mrs. G.P.C. Dijkshoorn-Sleebe, R.H.A.M. Beaumont en J.M.M. Wassenberg, kinderrechters, van wie mr. G.P.C. Dijkshoorn-Sleebe voorzitter, in tegenwoordigheid van J.H.J. van Daal als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 11 februari 2008.