Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2008:BC3760

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
06-02-2008
Datum publicatie
07-02-2008
Zaaknummer
04/850047-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

art. 208, 288 en 316 Sv.

De raadsman heeft bezwaar gemaakt tegen de beslissing van de rechter-commissaris om af te zien van het horen van een getuige. Het verhoor van de getuige was opgedragen door de meervoudige kamer. De RC heeft haar afwijzing gebaseerd op artikel 208, tweede lid Sv, daarbij aansluitend bij de criteria genoemd in artikel 288, eerste lid, aanhef en onder b Sv.

De rechtbank oordeelt, in tegenstelling tot wat de raadsman heeft betoogd, dat ingevolge art. 316, derde lid Sv, de RC op grond van art. 208 bezwaar kan hebben tegen het horen van een getuige en dat daarbij de criteria van art. 288, eerste lid Sv hebben te gelden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2008, 88
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

RCnummer: 07/34

Parketnummer: 04/850047-07

Beschikking

van de rechtbank Roermond, meervoudige raadkamer strafzaken, op het bezwaarschrift ex artikel 208, lid 3 van het Wetboek van Strafvordering van de verdachte:

Naam: [verdachte]

Geboren op: [geboortedatum en -plaats]

Adres: [adres].

Blijkens een daarvan opgemaakte akte is op 20 december 2007 ter griffie van deze rechtbank namens verdachte een bezwaarschrift ingediend door mr. R.A.E. Bunge, advocaat te Venlo. Het bezwaarschrift is gericht tegen een beslissing gegeven door de rechter commissaris belast met de behandeling van strafzaken in het arrondissement Roermond d.d. 18 december 2007. Die beslissing houdt in dat de rechter-commissaris heeft geweigerd de getuige [getuige], geboren op [geboortedatum en -plaats], wonende [adres getuige], te horen.

De rechtbank heeft kennis genomen van de overgelegde stukken, waaronder onder meer:

- de brief d.d. 18 december 2007 van de rechter commissaris, waarin aan de raadsman kennis wordt gegeven dat zij heeft besloten de getuige [getuige] voornoemd niet te horen;

- een brief van de ouders van de getuige [getuige] voornoemd, d.d. 15 november 2007 gericht aan de rechter-commissaris;

- een brief van de ouders van de getuige [getuige] voornoemd, d.d. 11 december 2007, meeondertekend door de huisarts [huisarts], gericht aan de rechter-commissaris;

- een proces-verbaal terechtzitting van 24 september 2007 van de meervoudige kamer in deze rechtbank.

De rechtbank heeft het bezwaarschrift in raadkamer behandeld op 23 januari 2008. Mr. R.A.E. Bunge, advocaat te Venlo, en de officier van justitie zijn toen gehoord.

De verdediging stelt zich op het standpunt dat de rechtbank de behandeling van de strafzaak tegen verdachte heeft aangehouden met opdracht aan de rechter-commissaris de in het proces-verbaal genoemde getuigen, waaronder de getuige [getuige], te horen. De getuige [getuige] is een cruciale getuige, nu hij een belastende verklaring heeft afgelegd, inhoudende dat hij heeft gezien dat verdachte de ruiten van een politieauto heeft vernield. Door de gesloten verwijzingsopdracht staat het de rechter-commissaris, ingevolge artikel 210 van het Wetboek van Strafvordering, niet vrij om een afweging te maken of de getuige [getuige] al dan niet gehoord dient te worden. Ingevolge artikel 213 van het Wetboek van Strafvordering is een getuige verplicht te verschijnen. Na niet-verschijning kan de rechter-commissaris een bevel medebrenging uitvaardigen en daarna tot gijzeling van de getuige over gaan. Kennelijk is de beslissing van de rechter-commissaris gestoeld op artikel 208, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering. Dit artikel is naar de mening van de raadsman echter niet van toepassing op opdrachten die door de meervoudige strafkamer aan de rechter-commissaris zijn gegeven.

Subsidiair stelt de raadsman zich op het standpunt dat de brief van de ouders van 15 november 2007 en de brief van de ouders, meeondertekend door de huisarts van de getuige, van 11 december 2007, onvoldoende onderbouwing zijn voor het oordeel van de rechter-commissaris dat de gezondheid en welzijn van de getuige in gevaar is. Of de gezondheid en welzijn van de getuige in gevaar is of komt door het horen dient ter beoordeling te staan van een deskundige, die daar een onderzoek naar dient in te stellen.

De raadsman is dan ook van mening dat het bezwaarschrift gegrond verklaard dient te worden.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de wet de rechter-commissaris de mogelijkheid biedt om een afweging te maken om een getuige al dan niet te horen, indien het welzijn van de getuige in gevaar komt. Er zijn geen vaste regels om te bepalen wanneer dat het geval. De rechter-commissaris heeft in het onderhavige geval wel in alle redelijkheid kunnen beslissen dat de gezondheid en het welzijn van de getuige in gevaar is. De brief van de ouders van 11 december 2007 is meeondertekend door de huisarts van de getuige. Bovendien is de getuige [getuige] niet de enige getuige die over het ten laste gelegde feit verklaart. Het belang van de verdediging om deze getuige te horen acht de officier van justitie dan ook niet groot.

De officier van justitie vordert het bezwaarschrift ongegrond te verklaren.

De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank heeft op 24 september 2007 de strafzaak tegen verdachte in het belang van de verdediging verwezen naar de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, teneinde onder andere de getuige [getuige] te horen. Ingevolge artikel 316, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering heeft het onderzoek te gelden als een gerechtelijk vooronderzoek en wordt overeenkomstig de bepalingen van de tweede tot en met vijfde en achtste afdeling van de Derde Titel van boek II van het Wetboek van Strafvordering gevoerd. De rechtbank verwerpt dan ook het verweer van de raadsman dat het de rechter-commissaris niet vrij stond om een afweging te maken als bedoeld in artikel 208, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, welk artikel is gerubriceerd onder afdeling 3 van Titel III van boek II van het Wetboek van Strafvordering.

De rechter-commissaris heeft bij brief van 18 december 2007 aan de raadsman laten weten dat zij op grond van informatie vervat in de brief van de ouders van de getuige en de huisarts, mevrouw [huisarts] van 11 december 2007 heeft besloten de minderjarige getuige [getuige] niet te horen. Gezien de informatie uit genoemde brief is de rechter-commissaris van oordeel dat het horen van de getuige met zich meebrengt dat de gezondheid of het welzijn van de getuige door het afleggen van een verklaring in gevaar kan worden gebracht.

De rechtbank is van oordeel dat de rechter-commissaris kennelijk gebruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid gegeven in artikel 208 tweede lid van het Wetboek van Strafvordering en bezwaar heeft tegen het horen van de getuige. Genoemd artikel schrijft voor dat de rechter-commissaris haar bezwaar om een getuige te horen in een met redenen omklede schriftelijke beschikking dient vast te leggen. De rechtbank verbindt er geen gevolgen aan dat dit in dit geval per brief is gebeurd, nu in de brief van de rechter-commissaris de redenen van haar bezwaar zijn genoemd en de verdachte en de officier van justitie daarvan kennis hebben genomen.

De rechtbank is het met de rechter-commissaris eens dat voor het beantwoorden van de vraag of er bezwaren bestaan tegen het horen van een getuige door de rechter-commissaris, aansluiting moet gezocht met artikel 288 van het Wetboek van Strafvordering, en wel in dit geval, het eerste lid, aanhef en onder b. De rechtbank heeft de vraag te beantwoorden of de rechter-commissaris tot het oordeel heeft kunnen komen of er een gegrond vermoeden bestaat dat de gezondheid of het welzijn van de getuige door het afleggen van een verklaring ter terechtzitting in gevaar wordt gebracht, en of het voorkomen van dit gevaar zwaarder dient te wegen dan het belang om de getuige in het kabinet van de rechter-commissaris te kunnen ondervagen

De rechtbank beantwoordt die vraag ontkennend.

De getuige heeft op 9 januari 2007 een verklaring afgelegd bij de politie.

De ouders geven in hun aan de rechter-commissaris gerichte brieven aan dat de getuige als gevolg van die afgelegde verklaring door en in opdracht van verdachte langere tijd is bedreigd. Als gevolg van die bedreigingen is de getuige zo bang geworden dat hij niet meer naar school wilde en na schooltijd zelfs niet meer naar buiten. Nadat de vader van de getuige verdachte heeft aangesproken werd het rustig en durfde de getuige weer naar buiten.

Naar het oordeel van de rechtbank is er op basis van genoemde brieven onvoldoende komen vast te staan dat er ten tijde van het nemen van de beslissing door de rechter-commissaris op 18 december 2007, voor de getuige, elf maanden na het afleggen van zijn verklaring bij de politie, nog steeds gevaar bestaat voor zijn gezondheid en welzijn.

Derhalve wordt als volgt beslist.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart het bezwaarschrift van [verdachte] gegrond;

vernietigt de beslissing van de rechter-commissaris van 18 december 2007;

beveelt de rechter-commissaris de getuige [getuige] te horen.

Deze beschikking is gewezen door mrs. J.A.G.F. Custers, F.R. Soutendijk en R.H.A.M. Beaumont, van wie mr. J.A.G.F. Custers voornoemd voorzitter, in tegenwoordigheid van J.H.J. van Daal als griffier en uitgesproken op 6 februari 2008.