Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2008:BC2267

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
11-01-2008
Datum publicatie
21-01-2008
Zaaknummer
07 / 836 WAO K1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft in het kader van een herbeoordeling op basis van medisch en arbeidskundig onderzoek bij primair besluit de arbeidsongeschiktheidsuitkering van eiser per 10 oktober 2006 vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%, omdat eiser per die datum minder arbeidsongeschikt in de zin van die wet wordt geacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

UITSPRAAK

Procedurenr. : 07 / 836 WAO K1

Inzake : [eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

tegen : de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (locatie Venlo), gevestigd te Amsterdam, verweerder.

Datum en aanduiding van het bestreden besluit:

de brief d.d. 4 mei 2007,

kenmerk: B&B 259.0075.24.

Datum van behandeling ter zitting: 2 oktober 2007

I. PROCESVERLOOP

Bij besluit van 4 mei 2007 (hierna: bestreden besluit) waartegen mr. D.E. de Hoop, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand, namens eiser beroep heeft ingesteld, heeft verweerder beslist op een bezwaar van eiser tegen een eerder besluit d.d. 9 augustus 2006 (hierna: primair besluit) inzake de toepassing van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).

De stukken en het verweerschrift, die verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft ingezonden, zijn aan (de gemachtigde van) eiser gezonden. Vervolgens heeft zowel eiser zelf als mr. De Hoop, voornoemd, nog nadere stukken aan de rechtbank toegezonden.

Bij de behandeling van het beroep ter zitting van de rechtbank op 2 oktober 2007 is eiser in persoon verschenen bijgestaan door mr. De Hoop, voornoemd en heeft verweerder zich doen vertegenwoordigen door J.G.M. Huijs.

Na behandeling ter zitting is gebleken dat het onderzoek in deze procedure niet volledig is geweest. Bij brief van 8 oktober 2007, verzonden op 15 oktober 2007, heeft de rechtbank partijen in kennis gesteld van heropening van het onderzoek. De rechtbank heeft hierin om een nadere reactie van verweerder gevraagd. Laatstgenoemde heeft bij brief van 6 november 2007 de gevraagde reactie aan de rechtbank gezonden. Vervolgens heeft de gemachtigde van eiser (telefonisch) aan de rechtbank meegedeeld dat hij geen aanleiding ziet tot het geven van een nadere reactie.

Partijen hebben vervolgens de rechtbank schriftelijk toestemming gegeven om met toepassing van het bepaalde in artikel 8:57 van de Awb de behandeling ter zitting achterwege te laten, waarop de rechtbank het onderzoek heeft gesloten.

II. OVERWEGINGEN

Aan eiser is ingaande 14 oktober 1998 een uitkering ingevolge de WAO toegekend, die laatstelijk is uitbetaald naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Verweerder heeft in het kader van een herbeoordeling op basis van medisch en arbeidskundig onderzoek bij primair besluit de arbeidsongeschiktheidsuitkering van eiser per 10 oktober 2006 vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%, omdat eiser per die datum minder arbeidsongeschikt in de zin van die wet wordt geacht.

In bezwaar hiertegen is namens eiser onder meer gesteld dat er bij hem geen duurzaam benutbare mogelijkheden zijn, dat er onvoldoende overleg is geweest met de behandelende sector en dat hij niet in staat kan worden geacht duurzaam arbeid te verrichten. Mocht verweerder van oordeel zijn dat eiser duurzaam belastbaar is dan is eiser van mening dat de belastbaarheid met name op het punt van sociaal functioneren te optimistisch is vastgesteld. Verder acht eiser zich hoogstens 1 à 2 uur per dag in staat arbeid te verrichten. Ten slotte is namens eiser aangevoerd dat hij als gevolg van de verlaging van de uitkering is begonnen aan een IRO-traject. Door het volgen van dit traject zijn er bij eiser problemen ontstaan in de zin van onder andere ziekte en een agressieve uitbarsting.

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

In beroep hiertegen wordt namens eiser aangevoerd dat hij zijn in bezwaar ingenomen standpunt handhaaft. Dit standpunt wordt volgens eiser bevestigd doordat het bedrijf, dat voor het IRO-traject was ingeschakeld, na intensieve begeleiding de opdracht heeft teruggegeven daar eiser niet in staat bleek te zijn het programma ten uitvoer te brengen.

De rechtbank dient op basis van de aangevoerde beroepsgronden te beoordelen of het bestreden besluit in strijd is met het geschreven of ongeschreven recht dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel. De rechtbank leidt uit de ingebrachte beroepsgronden af dat eiser enkel de medische grondslag van het bestreden besluit aanvecht.

Gelet op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 17 april 2007 (LJN: BA2955) betreffende de reikwijdte van de toetsing in dit soort zaken is de rechterlijke beoordeling van de arbeidsongeschiktheidsvaststelling in het bijzonder gericht op de volgende vragen:

- of het verzekeringsgeneeskundig onderzoek voldoet aan de geldende eisen en of de functionele mogelijkheden en beperkingen van de betrokkene daarbij juist zijn vastgesteld;

- of daaraan terecht de conclusie is verbonden dat de betrokkene in medisch opzicht in staat is om de door verweerder in aanmerking genomen arbeid te verrichten.

De beoordeling van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek

Het primaire besluit berust op de bevindingen van de verzekeringsarts R. Lustermans. Deze heeft op basis van eigen onderzoek(en) en dossieronderzoek een rapport uitgebracht en de voor eiser geldende mogelijkheden en beperkingen vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Naar aanleiding van het bezwaar van eiser tegen dat besluit heeft de bezwaarverzekeringsarts C.H.M. Heeskens-Reijnen nader onderzoek gedaan bestaande uit eigen onderzoek, dossieronderzoek, het bijwonen van de hoorzitting op 22 januari 2007 en het opvragen van informatie bij klinisch psycholoog M.P. Steger. Op basis hiervan is in de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts de FML aangepast. De rechtbank heeft -gelet op alle voorhanden medische gegevens waaronder de rapporten na heropening van het onderzoek- geen aanknopingspunten gevonden de eindconclusies van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek in twijfel te trekken, waartoe als volgt wordt overwogen.

Ten aanzien van eisers stelling dat uit het feit dat hij het IRO-traject heeft moeten beëindigen, voortvloeit dat hij niet in staat kan worden geacht duurzaam arbeid te verrichten, is de rechtbank van oordeel dat de schatting en de re-integratie, gelet op vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB 7 januari 2005 LJN AS3597) afzonderlijke entiteiten zijn. De rechtbank merkt op dat de in het re-integratietraject, in het geval van eiser de beëindiging van het IRO-traject, genoemde (medische) gegevens niet doorslaggevend zijn voor een ander oordeel.

Met betrekking tot eisers -zowel in bezwaar als beroep gedane stelling- dat hij hoogstens 1 à 2 uur per dag in staat kan worden geacht arbeid te verrichten, overweegt de rechtbank als volgt. Zoals de Centrale Raad van Beroep (CRvB van 10 augustus 2007, LJN: BB1574) eerder heeft overwogen, is verweerder - gelet op diens “Standaard Verminderde Arbeidsduur” (hierna: de Standaard)- gehouden een (impliciete) claim op toepassing van een urenbeperking te onderzoeken en te beoordelen. Verweerder heeft na heropening van het onderzoek betoogd dat hij betwijfelt of er door eiser een beroep is gedaan op de Standaard. De rechtbank is ten aanzien hiervan van oordeel dat eiser, gelet op de voornoemde uitspraak van de CRvB, geen expliciet beroep op de Standaard hoeft te doen, maar een beroep op een urenbeperking. De rechtbank stelt vast dat eiser middels de zowel in bezwaar als beroep gedane stelling een dergelijke claim heeft gedaan. Gezien deze claim was verweerder -gelet op het bepaalde in artikel 1.2 van de Standaard- gehouden te toetsen aan deze Standaard. In artikel 1.2 van de Standaard is immers -voor zover hier van belang- bepaald dat de arts het aantal uren, dat cliënt kan werken, overweegt te beperken indien cliënt van mening is hoe dan ook niet voltijds te kunnen werken in gangbare arbeid. Verweerder heeft verder -na heropening van het onderzoek- gesteld dat er in bezwaar is beoordeeld of een urenbeperking aanwezig is, nu de bezwaarverzekeringsarts in haar rapport van 26 april 2007, pagina 4, daarover expliciet heeft gerapporteerd. Vastgesteld wordt dat bezwaarverzekeringsarts in haar rapport van 26 april 2007 tot de conclusie komt dat het -gezien hetgeen de psycholoog heeft gesteld- niet gaat om een noodzaak tot een urenbeperking. Deze conclusie houdt -naar het oordeel van de rechtbank- niet in dat daarmee (aan de hand van de Standaard) is getoetst of er een urenbeperking bij eiser aanwezig is.

In de Standaard kunnen drie indicaties tot het stellen van een urenbeperking worden onderscheiden: energetisch, beschikbaarheid en preventief. Niet is gebleken dat de (bezwaar)verzekeringsarts, alvorens het bestreden besluit werd genomen, aan deze drie criteria heeft getoetst. Derhalve concludeert de rechtbank dat het bestreden besluit vanwege het ontbreken van de vereiste zorgvuldigheid en de vereiste motivering, waardoor artikel 3:2 en artikel 7:12, eerste lid, van de Awb worden geschonden, voor vernietiging in aanmerking komt. Het beroep van eiser komt dan ook voor gegrondverklaring in aanmerking.

Gelet op het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 5 november 2007, dat is opgesteld na heropening van het onderzoek, ziet de rechtbank termen om gebruik te maken van de bevoegdheid van artikel 8:72, derde lid, van de Awb om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. De bezwaarverzekeringsarts komt in voornoemd rapport op een voldoende gemotiveerde wijze tot de conclusie dat, gezien het medische beeld van eiser, er -gelet op de drie hiervoor genoemde indicaties- geen sprake is van een urenbeperking. Gelet op het voorgaande oordeelt de rechtbank dat verweerder deze criteria na heropening van het onderzoek correct en zorgvuldig heeft gehanteerd.

De rechtbank is verder van oordeel dat de informatie van de behandelende sector uitdrukkelijk en in voldoende mate in de beoordeling is meegenomen, dat niet is gebleken dat de klachten van eiser zijn onderschat dan wel onjuist zijn geïnterpreteerd en evenmin dat de informatie uit de behandelende sector in de omschrijving van de medische beperkingen en mogelijkheden onjuist zou zijn uitgelegd. In ieder geval is niet gebleken dat eiser op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten, op de datum in geding niet in staat was te achten om -binnen de voor hem geldende beperkingen vallende- werkzaamheden te verrichten. Overigens kan en mag de rechtbank aan de eigen beleving van eiser over zijn beperkingen en het al dan niet kunnen werken geen doorslaggevende betekenis toekennen. Eiser heeft geen gegevens overgelegd waaruit medische beperkingen zijn te herleiden die ernstiger zijn dan door verweerder is aangenomen.

Uit het voorgaande volgt dan ook dat verweerder terecht eiser geschikt heeft geacht voor de in aanmerking genomen arbeid.

Naar aanleiding van het verzoek van eiser om toekenning van schadevergoeding op grond van artikel 8:73 van de Awb overweegt de rechtbank dat dit niet voor toewijzing in aanmerking komt, nu de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand worden gelaten. De rechtbank acht verder termen aanwezig om verweerder op grond van het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten die eiser redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van dit beroep, een en ander overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden twee punten toegekend. Het gewicht van de zaak wordt bepaald op gemiddeld, hetgeen correspondeert met de wegingsfactor 1.

III. BESLISSING

De rechtbank Roermond;

gelet op het bepaalde in de artikelen 8:70, 8:72, 8:74 en 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht;

verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eiser begroot op € 644,00 (zijnde de kosten van rechtsbijstand) te vergoeden door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan eiser het door deze gestorte griffierecht ten bedrage van € 39,00 volledig vergoedt.

Aldus gedaan door mr. Th.M. Schelfhout in tegenwoordigheid van mr. A.M. Schmeets als griffier en in het openbaar uitgesproken op 11 januari 2008.

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

Verzonden op: 11 januari 2008.

MV

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Ingevolge artikel 6:5 van de Awb bevat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak en moet een afschrift van de uitspraak bij het beroepschrift worden overgelegd.