Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2008:BC1446

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
16-01-2008
Datum publicatie
16-01-2008
Zaaknummer
75737 / HA ZA 06 - 679
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Terugvordering leenbijstand als onverschuldigd betaald, omdat belanghebbende naderhand over vermogen beschikte of redelijkerwijs kon beschikken. Bij de vaststelling van het vermogen dient rekening te worden gehouden met de feitelijk aanwezige schulden en niet met eventueel toekomstige schulden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROERMOND

Sector civielrecht

zaaknummer / rolnummer: 75737 / HA ZA 06-679

Vonnis van 16 januari 2008

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

procureur mr. A.F.T.M. Heutink,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

DE GEMEENTE GENNEP,

zetelend te Gennep,

gedaagde,

procureur mr. P.J.G. Goumans.

Partijen zullen hierna [eiseres] en De Gemeente genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met bijlagen;

- het tussenvonnis van 20 september 2006;

- de akte houdende uitlating van [eiseres];

- de conclusie van antwoord met bijlage;

- het tussenvonnis van 13 december 2006;

- het proces-verbaal van comparitie van 7 augustus 2007.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiseres] heeft in de periode juli 2002 tot medio 2005 een echtscheidings-procedure gevoerd op basis van een voorwaardelijke toevoeging van de Raad voor de Rechtsbijstand te ’s-Hertogenbosch.

2.2. Bij besluit van 19 september 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van De Gemeente aan [eiseres] leenbijstand verleend onder de voorwaarde dat indien het vermogen van [eiseres] definitief is vastgesteld de als lening verstrekte bijstand terugbetaald dient te worden.

2.3. Op 17 november 2003 hebben [eiseres] en de heer [ex-echtgenoot] hun voormalige echtelijke woning aan de [adres] te [woonplaats] verkocht. De netto verkoopopbrengst bedroeg EUR 83.016,01. Tot dit bedrag waren [eiseres] en [ex-echtgenoot] voornoemd ieder voor de helft gerechtigd. Dit bedrag werd voorlopig bij de notaris in depot gehouden.

2.4. Bij aangetekende brief van 22 januari 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van De Gemeente [eiseres] laten weten geconstateerd te hebben dat [eiseres] inmiddels in staat is de als lening verstrekte bijstand terug te betalen, haar verzocht om vóór 1 februari 2004 een bedrag van EUR 17.593,48 aan De Gemeente terug te betalen en haar in kennis gesteld dat het college op haar inkomen en vermogen beslag kan leggen als terugbetaling uitblijft.

2.5. Tegen het besluit van het college als vermeld in zijn brief van 22 januari 2004 heeft [eiseres] geen rechtsmiddel(en) aangewend.

2.6. De Gemeente, althans haar college van burgemeester en wethouders, heeft onder de notaris derdenbeslag gelegd voor een bedrag van EUR 17.920,61.

2.7. Op 6 februari 2004 heeft De Gemeente via de notaris uit de verkoopopbrengst van de hiervoor genoemde woning een bedrag van EUR 17.920,61 ontvangen en dit bedrag aangewend om haar vordering terzake van de leenbijstand aan [eiseres] te voldoen.

2.8. Bij beslissing van de Raad voor de Rechtsbijstand van 6 juli 2005 is de voorwaardelijke toevoeging met terugwerkende kracht ingetrokken op grond van een wijziging in de financiële draagkracht van [eiseres].

2.9. Als gevolg van die intrekking zijn de werkzaamheden van de raadsman van [eiseres] niet door de Raad voor de Rechtsbijstand vergoed.

2.10. Op 20 juni 2005 heeft de raadsman van [eiseres] zijn werkzaamheden bij [eiseres] gedeclareerd tot een bedrag van EUR 11.168,73.

3. Het geschil

3.1. [eiseres] vordert samengevat - veroordeling van De Gemeente tot betaling van EUR 11.168,73, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 juli 2005 tot de dag van volledige betaling, een bedrag (dat de rechtbank verbeterd leest wegens het wegvallen in het petitum van het cijfer 4) van EUR 1.449,49 ter zake van incassokosten met rente en een bedrag aan proceskosten.

3.2. [eiseres] is van mening dat De Gemeente gehouden is tot terugbetaling van de door haar geïncasseerde gelden ter hoogte van de declaratie van de advocaat van [eiseres] en dat de voldoening van de kosten van haar advocaat voorrang hebben boven de terugvordering van de leenbijstand door De Gemeente. De Gemeente had de advocaatkosten in mindering moeten brengen op het door De Gemeente te verhalen bedrag, omdat verhaal slechts mogelijk was door tussenkomst van de advocaat.

3.3. De Gemeente voert verweer. Na definitieve vaststelling van het vermogen van [eiseres] bleek dat [eiseres] in staat was om de verstrekte leenbijstand terug te betalen. Als het al gebruikelijk zou zijn om de advocaatkosten te laten voorgaan op de terugvordering door De Gemeente, dan onderbouwt [eiseres] dit op geen enkele wijze. In elk geval is het bij De Gemeente niet gebruikelijk de door [eiseres] gestelde voorrang toe te passen. De vordering van de advocaat van [eiseres] is pas opeisbaar geworden op 6 juli 2005 en gelet daarop kon De Gemeente niet gehouden worden de declaratie van de advocaat in mindering te brengen op de leenbijstand. Er bestond op het moment van terugvordering immers nog geen schuld aan de zijde van [eiseres].

3.4. Op de overige stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Het geschil betreft de vraag of De Gemeente aansprakelijk is voor de betaling van de declaratie van de raadsman van [eiseres] ad EUR 11.168,73. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

4.2. Op 17 november 2003 werd [eiseres] gerechtigd tot de helft - te weten EUR 41.508,00 - van de overwaarde van de door haar en de heer [ex-echtgenoot] verkochte woning aan de [adres] te [woonplaats].

4.3. Op 22 november 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van De Gemeente de aan [eiseres] op 19 september 2002 voorwaardelijk verstrekte leenbijstand tot een bedrag van EUR 17.920,61 teruggevorderd, omdat De Gemeente inmiddels was gebleken dat zij een zodanig vermogen had gekregen dat zij in staat was de leenbijstand terug te betalen.

4.4. Op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f ten eerste, van de Wet werk en bijstand kan het college van burgemeester en wethouders de kosten van bijstand terugvorderen voor zover de bijstand (…) onverschuldigd is betaald, waaronder begrepen dat de belanghebbende naderhand met betrekking tot de periode waarover bijstand is verleend, over in aanmerking te nemen middelen als bedoeld in paragraaf 3.4 beschikt of kan beschikken. Een van de in aanmerking te nemen middelen in de hiervoor bedoelde zin is het vermogen, dat wil zeggen de waarde van de bezittingen waarover [eiseres] beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, verminderd met de aanwezige schulden.

4.5. Volgens de Parlementaire Geschiedenis die aan de totstandkoming van de Wet werk en bijstand voorafging, dient bij de vermogensvaststelling - overigens in navolging van het regime dat gold op grond van de Algemene bijstandswet en de over deze wet bestaande jurisprudentie - rekening te worden gehouden met schulden, ongeacht of die bij aanvang van de bijstand aanwezig zijn, dan wel tijdens de bijstandsverlening zijn ontstaan. Er moet sprake zijn van feitelijk aanwezige schulden.

4.6. Toen het college van De Gemeente begin 2004 - nadat [eiseres] op 17 november 2003 recht had gekregen op een geldbedrag van EUR 41.508,00 uit de verkoop van de voormalige echtelijke woning - het vermogen van [eiseres] definitief vaststelde, was er bij [eiseres] geen sprake van een feitelijk aanwezige schuld aan haar advocaat van EUR 11.168,73. De schuld van [eiseres] aan haar advocaat ontstond eerst medio 2005 toen de Raad voor de Rechtsbijstand de voorwaardelijke toevoeging introk op grond van een wijziging in de financiële draagkracht van [eiseres] en de advocaat van [eiseres] zijn werkzaamheden tot het hiervoor laatstgenoemde bedrag bij [eiseres] declareerde. Begin 2004 kon De Gemeente met deze schuld geen rekening houden, het betrof toen immers geen feitelijk aanwezige schuld. Er is geen rechtsregel die De Gemeente verplicht om bij de vermogensvaststelling rekening te houden met een eventueel toekomstige schuld. Naar het oordeel van de rechtbank heeft De Gemeente bij de definitieve vaststelling van het vermogen van [eiseres] dan ook terecht geen rekening gehouden met de schuld van [eiseres] aan haar advocaat.

4.7. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat er ook overigens voor De Gemeente geen rechtsplicht om de declaratie ad EUR 11.168,73 ten behoeve van [eiseres] te voldoen. Voor zover [eiseres] in dit verband wil betogen dat De Gemeente bij haar op grond van de tussen partijen gewisselde correspondentie en de gevoerde gesprekken met (een) medewerker(s) van De Gemeente het vertrouwen heeft gewekt dat zij de advocatendeclaratie zou betalen, is de rechtbank van oordeel dat de door [eiseres] gestelde feiten en omstandigheden onvoldoende zijn om daaruit een gerechtvaardigd vertrouwen te kunnen afleiden, waardoor De Gemeente tegenover [eiseres] gebonden zou kunnen zijn tot voldoening van de betreffende declaratie. Evenmin kan de rechtbank uit hetgeen in deze procedure naar voren is gekomen noch anderszins een rechtsplicht afleiden, die inhoudt dat

De Gemeente met de terugvordering van de leenbijstand had moeten wachten tot zij bekend was met het standpunt van de Raad voor de Rechtbijstand en totdat de schuld van [eiseres] aan de raadsman van [eiseres] opeisbaar was.

4.8. Gelet op al het voorgaande dient de hoofdvordering van [eiseres] afgewezen te worden. Nu de hoofdvordering wordt afgewezen, treft de vordering tot betaling van incassokosten hetzelfde lot. [eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van De Gemeente worden begroot op:

- vast recht EUR 299,00

- salaris procureur 904,00 (2 punten × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 1.203,00

5. De beslissing

De rechtbank:

5.1. wijst af het gevorderde;

5.2. veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van De Gemeente tot op heden begroot op EUR 1.203,00.

5.3. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad voor wat betreft de proceskostenveroordeling.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.M.E. Derks en in het openbaar uitgesproken op 16 januari 2008.

lghc