Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2007:BC4004

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
21-12-2007
Datum publicatie
11-02-2008
Zaaknummer
07 / 450 en 07 / 540 GEMWT K1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Volgens de rechtbank geen sprake van impliciete vrijstelling (voor gebruik als burgerwoning) bij een verleende bouwvergunning voor een bedrijfswoning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK Roermond

meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

UITSPRAAK

Procedurenr. : 07 / 450 en 07 / 540 GEMWT K1

Inzake : 1. [eisers A, B e nC], wonende te [woonplaats], en

2. [eiser D], wonende te [woonplaats], eisers,

tegen : het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente

Maasbree, te Maasbree, verweerder.

Datum en aanduiding van het bestreden besluit:

de brief d.d. 5 maart 2007,

kenmerk: GGZ/2007/1313.

Datum van behandeling ter zitting: 28 juni 2007 en 14 november 2007

I. PROCESVERLOOP

Bij besluit van 23 juni 2006 heeft verweerder het namens [eiser D] (eiser sub 2, hierna te noemen [eiser D] ) gedane verzoek om handhavend op te treden tegen [eiser A] (één van eisers sub 1, hierna te noemen [eiser A] ) afgewezen.

Bij het in de aanhef van deze uitspraak vermelde, op bezwaar van [eiser D] gegeven, besluit van 5 maart 2007 (het bestreden besluit) heeft verweerder het besluit van 23 juni 2006 deels herroepen en alsnog aan eisers sub 1 (hierna gezamenlijk aangeduid als de familie [eiser A] ) een last onder dwangsom opgelegd met een begunstigingstermijn tot 1 september 2007.

Tegen dat besluit is zowel namens de familie [eiser A] als namens [eiser D] beroep ingesteld bij de rechtbank op daartoe aangevoerde gronden.

Met toepassing van het bepaalde in artikel 8:26, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zijn [eiser D] en de familie [eiser A] over en weer in de gelegenheid gesteld als partij deel te nemen aan het door de ander ingestelde beroep. Beide partijen hebben daarvan gebruik gemaakt.

De door verweerder ingezonden stukken en verweerschrift zijn in elk van de gedingen aan de overige partijen gezonden.

Namens de familie [eiser A] is een schriftelijke reactie op het beroepschrift van [eiser D] ingestuurd, waarvan een afschrift aan de andere partijen is gezonden.

De beroepen zijn -gevoegd- behandeld ter openbare zitting van 28 juni 2007, waar [eiser A] in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. H.H.B. Lamers, advocaat te Maastricht en waar [eiser D] in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. P.J. G. Goumans. Verweerder heeft zich heeft laten vertegenwoordigen door V. Snijders- van den Beuken.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst. Vervolgens heeft verweerder nadere stukken ingestuurd en tevens meegedeeld dat alsnog de kosten van de bezwaarprocedure zijn vergoed. Vervolgens heeft verweerder een nader besluit van 18 juli 2007 ingezonden, waarin de begunstigingstermijn van de bij besluit van 5 maart 2007 opgelegde last onder dwangsom is verlengd tot 1 januari 2008. Namens [eiser D] is op de nadere stukken gereageerd.

Het onderzoek ter zitting is hervat op 14 november 2007. Daarbij zijn [eiser A] en [eiser B] in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Lamers, voornoemd. Namens [eiser D] is wederom verschenen mr. Goumans, voornoemd, en verweerder heeft zich -met voorafgaand bericht- niet doen vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

Het verzoek om handhaving en de besluitvorming daarover.

1.1. [eiser D] exploiteert aan de [adres D] een agrarisch bedrijf (schapenhouderij, bloemkwekerij en vishandel). Op korte afstand van het perceel van [eiser D] ligt restaurant, partycentrum en camping [bedrijfsnaam] , dat is gevestigd op het perceel kadastraal bekend gemeente Maasbree, sectie [perceel 1], dat thans eigendom is van de exploitanten van [bedrijfsnaam] , [exploitanten]. Op het aangrenzende perceel sectie [perceel 2], plaatselijk bekend [adres A], staat de woning van de familie [eiser A] . Deze is met een door verweerder daartoe verleende vergunning gebouwd in 2001, toen eiser [eiser A] [bedrijfsnaam] nog (deels) exploiteerde. Het perceel sectie [perceel 1] is in 2004 verkocht aan voornoemde [exploitant], die de exploitatie van [bedrijfsnaam] volledig van [eiser A] overgenomen heeft. Op beide genoemde percelen rust op grond van het bestemmingsplan “Buitengebied 1997” de bestemming recreatieve doeleinden. Ingevolge het bestemmingsplan is ter plaatse één bedrijfswoning toegestaan. In artikel 1, lid 16 van het bestemmingsplan is bedrijfswoning gedefinieerd als een woning in of bij een gebouw of op een terrein, te bewonen door (het huishouden van) een persoon wiens huisvesting ter plaatse noodzakelijk is, gelet op het feitelijk gebruik van het gebouw en/of het terrein in overeenstemming met de bestemming.

1.2. Bij brieven van 2 januari 2006 en 28 februari 2006 is namens [eiser D] gevraagd om handhavend op te treden tegen het in strijd met het bestemmingsplan gebruiken van de woning aan de [adres A] als burgerwoning, alsmede tegen het kappen van bomen op een aarden wal, hetgeen in strijd zou zijn met de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Maasbree. Bij brief van 22 maart 2006 heeft verweerder het voornemen meegedeeld om een last onder dwangsom op te leggen tegen het gebruik van de woning van de familie [eiser A] als burgerwoning. Tegen dat voornemen zijn namens de familie [eiser A] zienswijzen ingediend. Daarbij is in het bijzonder een beroep gedaan op de bouwvergunning die op 10 oktober 2001 is verleend voor de oprichting van de woning. Daaruit zou blijken dat het gebruiksdoel van de woning was dat deze als burgerwoning zou worden bewoond. Bovendien zou [eiser D] ten tijde van de verlening van die vergunning de bedrijfsvoering reeds gestaakt hebben, hetgeen verweerder bekend was, althans had kunnen zijn.

1.3. Bij besluit van 23 juni 2006 heeft verweerder, na te hebben overwogen dat [eiser D] belanghebbende is bij een besluit omtrent handhaving, naar aanleiding van de zienswijzen van de familie [eiser A] geconcludeerd dat er weliswaar geen sprake is van concreet zicht op legalisatie, maar toch sprake is van bijzondere omstandigheden om af te zien van handhaving. Daartoe heeft verweerder onder meer in aanmerking genomen dat voor de Wet Stankemissie veehouderijen in landbouwontwikkelings- en verwevingsgebieden, waaraan de milieuvergunning van het bedrijf van [eiser D] is getoetst, een burgerwoning een geringere bescherming toekomt dan een recreatie-inrichting en een daarbij behorende bedrijfswoning, zodat [eiser D] door het aangevochten gebruik van de woning niet in zijn bedrijfsvoering wordt belemmerd. Voorts heeft verweerder in het bijzonder doen wegen dat in de gemeente Maasbree, naar verweerder vermoedt, in veel meer gevallen sprake is van bedrijfswoningen die in feite als burgerwoning worden gebruikt, nu het herhaaldelijk voorkomt dat agrariërs en andere ondernemers hun bedrijf verkopen, maar zelf in de bedrijfswoning blijven wonen, dan wel deze aan een derde verkopen. Verweerder heeft echter deze gevallen niet geïnventariseerd en derhalve ook geen handhavingsbeleid ontwikkeld. Verweerder stelt dat hij voornemens is om in het kader van de voorbereiding van een nieuw bestemmingsplan voor het buitengebied alsnog tot een inventarisatie over te gaan, teneinde te bezien welke situaties voor positieve bestemming in aanmerking komen. Legalisering van het voorliggende geval acht verweerder niet onmogelijk en hangt met name af van de vraag of voldaan kan worden aan de geluidsnormen voor het recreatiebedrijf van [exploitant]. Verweerder is in elk geval van mening dat optreden in deze incidentele situatie zich niet verdraagt met algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Verder heeft verweerder ten aanzien van de gestelde illegale kap van bomen te kennen gegeven dat daarvoor een kapvergunning is verleend en dat tevens voldaan is aan de opgelegde herplantplicht. Tegen de beide desbetreffende besluiten is geen bezwaar gemaakt, zodat geen sprake is van een overtreding en op dit punt geen reden bestaat om handhavend op te treden.

1.4. Namens [eiser D] is bezwaar gemaakt tegen de weigering om handhavend op te treden. Daarbij is onder meer gewezen op de beginselplicht tot handhaving. Voorts heeft hij doen aanvoeren dat verweerder geen rekening heeft gehouden met beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden van [bedrijfsnaam] en dat deze kwestie ten onrechte is geschaard onder de problematiek van de agrarische bedrijfswoning, nu het hier gaat om het voor Maasbree unieke geval van een bedrijfswoning bij een recreatiebedrijf. Ook is erop gewezen dat de gevolgen voor de familie [eiser A] beperkt zijn, nu zij de woning al te koop hebben aangeboden, terwijl door te verwachten wijzigingen in de stankregelgeving mogelijk belemmeringen voor [eiser D] kunnen ontstaan. Ten slotte wil [eiser D] voorkomen dat [eiser A] de woning als burgerwoning kan verkopen, waardoor een onomkeerbare situatie zou kunnen ontstaan. Ook [eiser A] heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 23 juni 2006, namelijk voor zover daarbij zijn standpunt is verworpen dat door de verleende bouwvergunning het gebruik als burgerwoning is toegestaan en voorts voor zover [eiser D] daarbij als belanghebbende is gekwalificeerd, omdat volgens [eiser A] de afstand tussen het bedrijf van [eiser D] en de betrokken woning te groot zou zijn.

Het bestreden besluit

2.1. Conform het advies van de Commissie Bezwaarschriften gemeente Maasbree heeft verweerder bij het bestreden besluit van 5 maart 2007 het besluit van 23 juni 2006 deels herroepen en alsnog aan alle drie de leden van de familie [eiser A] een last onder dwangsom opgelegd, inhoudende de bewoning van de woning te beëindigen en beëindigd te houden vóór 1 september 2007, dan wel deze weer als bedrijfswoning te gebruiken, en dat bij niet nakoming een dwangsom wordt verbeurd van € 2.000,-- per persoon per maand of gedeelte daarvan, waarbij het maximum van de te verbeuren dwangsommen is vastgesteld op € 12.000,--. Ook is een proceskostenvergoeding van € 644,-- aan [eiser D] toegekend, waarbij is bepaald dat dit bedrag zal worden uitbetaald na afloop van de beroepstermijn en indien door geen van beide partijen beroep is ingesteld, terwijl als dat wel gebeurt, de afloop van die procedure wordt afgewacht voordat tot betaling van dat bedrag wordt overgegaan.

2.2. Bij nader besluit van 18 juli 2007 heeft verweerder, nadat was gebleken dat [eiser A] de betrokken woning had verkocht en te kennen had gegeven dat zowel hij als zijn dochter voor het eind van 2007 een andere woning zouden betrekken, de begunstigingstermijn verlengd tot 1 januari 2008.

De gronden van de beroepen

3.1. Tegen het bestreden besluit van 5 maart 2007 is zowel namens de familie [eiser A] als namens [eiser D] beroep ingesteld.

3.2. Na verlenging van de begunstigingstermijn tot 1 januari 2008 heeft de familie [eiser A] nog de volgende beroepsgronden:

- zij blijven erbij dat door de in 2001 verleende bouwvergunning, die betrekking zou hebben op gebruik als burgerwoning, dat gebruik ook is toegestaan;

- [eiser A] had zijn recreatiebedrijf al van de hand gedaan toen de bouwvergunning aan hem werd verleend, zodat deze niet meer als bedrijfswoning was te gebruiken;

- [eiser D] is door verweerder ten onrechte als belanghebbende aangemerkt;

- er bestaat nog geen noodzaak tot handhaving van dit incidentele geval, nu dit soort gevallen jarenlang zijn gedoogd en aantoonbaar het voornemen bestaat om het bestemmingsplan te herzien en in dat kader de grootschalige problematiek van bewoning van voormalige bedrijfswoningen zal worden aangepakt;

- het belang van handhaving weegt niet op tegen het nadeel voor de familie [eiser A] , te meer daar de gezondheidstoestand van zowel mevrouw [eiser A] als haar dochter verhuizing niet toelaat;

- [eiser D] heeft niet aangetoond dat de stankregelgeving in zijn nadeel wijzigt en [eiser D] heeft zich niet het belang van [bedrijfsnaam] aan te trekken;

- verweerder heeft zelf in het besluit van 23 juni 2006 aangegeven dat er vergelijkbare gevallen zijn waartegen niet wordt opgetreden, zodat de zienswijze van de Commissie dat het om een op zichzelf staand geval gaat, die in het bestreden besluit is overgenomen, niet is staande te houden;

- door een ambtenaar van de gemeente Maasbree, de heer A. Bosch, is het advies gegeven om de betrokken woning na het staken van zijn bedrijf als burgerwoning te gaan bewonen, althans is het vertrouwen gewekt dat zulks is toegestaan;

- de oorspronkelijke begunstigingstermijn is, gelet op de consequentie van verkoop van de woning, onredelijk kort.

3.3. De beroepsgronden van [eiser D] bestaan er, na wijziging van de begunstigingstermijn, in dat:

- de oorspronkelijke begunstigingstermijn juist onredelijk lang is;

- niet duidelijk is of het maximum van de dwangsommen € 12.000,-- bedraagt voor de leden van de familie [eiser A] gezamenlijk of voor elk van hen, maar dat dit maximum hoe dan ook te laag is om te kunnen strekken tot ongedaanmaking van de overtreding, zodat niet voldaan is aan artikel 5:32 van de Awb;

- er geen wettelijke basis is om de betaling van de toegekende proceskostenvergoeding op te schorten tot na afloop van de beroepsprocedure;

- dat deze vergoeding bovendien te laag is, nu beide partijen bezwaar hadden gemaakt en [eiser D] zich ook heeft verweerd tegen het bezwaar van de familie [eiser A] en het bovendien een complexe zaak betrof.

Het oordeel van de rechtbank

Inzake het beroep van de familie [eiser A]

4.1. Nu geen van de partijen te kennen heeft gegeven het besluit van 18 juli 2007 tot verlenging van de begunstigingstermijn te willen aanvechten, waaruit is af te leiden dat dit besluit geen onderdeel uitmaakt van het tussen hen bestaande geschil, laat de rechtbank dat besluit -mede gelet op artikel 6:19, eerste lid, laatste zinsdeel, van de Awb- buiten beoordeling.

4.2. Ingevolge artikel 125 van de Gemeentewet, in verbinding met artikel 5:21 van de Awb, heeft het gemeentebestuur de bevoegdheid met bestuursdwang op te treden tegen hetgeen in strijd met bij of krachtens enig wettelijk voorschrift gestelde verplichtingen is of wordt gedaan, gehouden of nagelaten.

In artikel 5:32 van de Awb is bepaald dat het orgaan dat bevoegd is bestuursdwang toe te passen, in de plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom kan opleggen, indien het belang dat het betrokken voorschrift beoogt te beschermen zich daartegen niet verzet. Niet in geschil is en ook de rechtbank gaat ervan uit, dat het bestemmingsplan verbiedt dat de betrokken woning wordt gebruikt als burgerwoning.

4.3. Volgens de familie [eiser A] is er niettemin geen sprake van een illegale situatie aangezien door de in 2001 verleende bouwvergunning het gebruik als burgerwoning is toegestaan. Blijkens vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 8 september 2004, LJN: AQ9919, Gst. 2005,21) kan van een impliciete vrijstelling als waarop de familie [eiser A] doelt, sprake zijn als uit de aanvraag zonder meer kan worden afgeleid dat het bouwwerk in strijd met het bestemmingsplan zal worden gebruikt, en het bevoegde bestuursorgaan, zich bewust van dat voorgenomen gebruik, de vergunning in weerwil van de planvoorschriften heeft verleend. De rechtbank acht zodanige situatie in dit geval echter niet aanwezig.

4.4. Ter beoordeling van die stelling van de familie [eiser A] heeft de rechtbank verweerder namelijk verzocht om alle stukken die ten grondslag liggen aan die bouwvergunning over te leggen. Uit die stukken blijkt dat de aanvraag aanvankelijk expliciet is gedaan voor een bedrijfswoning en dat de vergunning oorspronkelijk ook voor dat doel is verleend, zij het dat daarvan geen gebruik is gemaakt. In de latere, gewijzigde aanvraag, is nog slechts sprake van een ‘woning’ zonder nadere aanduiding van het gebruiksdoel. Daaruit volgt niet zonder meer dat het gebruiksdoel wordt gewijzigd. De omstandigheid dat in de gewijzigde aanvraag geen kantoor in de woning was opgenomen, acht de rechtbank geen voldoende, en in elk geval geen expliciete, aanwijzing om daaruit af te leiden dat de woning niet meer als bedrijfswoning zou worden gebruikt, nu daarvoor niet nodig is dat zich in de woning zelf bedrijfsmatige activiteiten afspelen. Dat verweerder bij de verlening van de vergunning op andere wijze weet had van de bedoeling om de woning niet als bedrijfswoning te gebruiken, blijkt nergens uit. Uit de door verweerder ingestuurde weergave van verklaringen van de door [eiser A] genoemde (ex-)ambtenaar Bosch, blijkt dat deze ontkent dat hij enige toezegging heeft gedaan en dat hij stelt dat het zijns inziens ging om een bedrijfswoning. Ter zitting van 14 november 2007 heeft [eiser A] nog gevraagd om het onderzoek opnieuw te schorsen om Bosch als getuige te horen, maar de rechtbank ziet daarvoor, gelet op de stelligheid van diens verklaringen, alsmede het feit dat [eiser A] eerder, na kennis genomen te hebben van die verklaringen, geen enkele stap heeft genomen om Bosch als getuige te doen horen, onvoldoende aanknopingspunten. Ten slotte doet de rechtbank wegen dat de stukken betreffende de voorgeschiedenis van de in 2001 verleende bouwvergunning, waaronder een garantie-overeenkomt tussen de gemeente en [eiser A] van 7 december 1999, erop duiden dat verweerder er steeds veel belang aan heeft gehecht om de planvoorschriften ten aanzien van het betrokken perceel strikt te handhaven, hetgeen het te minder aannemelijk maakt dat een impliciete vrijstelling zou zijn gegeven.

4.5. Uit het voorgaande volgt dat verweerder in beginsel bevoegd moet worden geacht om tegen de geconstateerde illegale situatie handhavend op te treden.

Uit vaste jurisprudentie blijkt dat, in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift, het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel verplicht is om van deze bevoegdheid gebruik te maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan ook om andere redenen handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

4.6. Tussen partijen is ook niet in geschil dat er in dit geval geen sprake is van een concreet zicht op legalisering als bedoeld in de jurisprudentie van de ABRvS, nu deze inhoudt dat de noodzakelijke procedures om tot legalisering te kunnen geraken in een zodanig stadium dienen te verkeren dat legalisering op korte termijn in redelijkheid mag worden verwacht. De vraag is dus of hetgeen van de kant van de familie [eiser A] is aangevoerd aanknopingspunten biedt om te oordelen dat sprake is van andere bijzondere omstandigheden om van handhaving af te zien.

4.7. Ten aanzien van de beroepsgrond van de familie [eiser A] die erop neerkomt dat in vele andere soortgelijke situaties door verweerder niet wordt opgetreden tegen strijdig gebruik van bedrijfswoningen als burgerwoning, waardoor handhaving in dit geval in strijd zou zijn met het gelijkheidsbeginsel, overweegt de rechtbank in de eerste plaats dat hiermee kennelijk wordt gedoeld op agrarische bedrijfswoningen, waarvan hier geen sprake is. Reeds daarom gaat een beroep op het gelijkheidsbeginsel niet op.

4.8. De andere argumenten van de familie [eiser A] , zoals de medische toestand van moeder en dochter, acht de rechtbank, mede gelet op hetgeen de dochter [eiser C] ter zitting van 14 november 2007 heeft verklaard, niet zodanig zwaarwegend dat deze moeten worden beschouwd als bijzondere omstandigheden om af te zien van handhaving.

4.9. De rechtbank volgt de familie [eiser A] niet in hun betoog dat de oorspronkelijke begunstigingstermijn van 5,5 maand onredelijk kort is. Deze moet voldoende worden geacht om andere woonruimte te vinden. Aan de familie [eiser A] moet worden toegegeven dat verkoop en eigendomsoverdracht binnen deze termijn niet gemakkelijk is, maar de rechtbank acht dit niet doorslaggevend omdat er ook zonder verkoop van de woningen mogelijkheden bestaan om in andere huisvesting te voorzien en niet gebleken is dat deze mogelijkheden in dit geval in praktisch opzicht onhaalbaar waren.

4.10. Nu [eiser D] , naar van de kant van de familie [eiser A] niet is ontkend, vanuit zijn woning zicht heeft op de betrokken woning en hij bovendien eigenaar is van het aangrenzende perceel, moet de stelling van de familie [eiser A] dat [eiser D] geen belanghebbende was bij het verzoek om handhaving, reeds daarom worden verworpen.

4.11. In de verlenging van de begunstigingstermijn ziet de rechtbank geen grond om verweerder te veroordelen in de proceskosten van de familie [eiser A] , nu deze verlenging het gevolg is van het feit dat de familie [eiser A] , zij het na de aanvankelijk gestelde termijn, uitvoering heeft gegeven aan de opgelegde last en deze geen erkenning door verweerder van de onrechtmatigheid van de eerder gestelde termijn inhoudt.

Inzake het beroep van [eiser D]

5.1. Ten aanzien van de beroepsgronden van [eiser D] stelt de rechtbank allereerst vast dat in het bestreden besluit voldoende duidelijk is omschreven dat het maximum van de dwangsommen voor de familie [eiser A] gezamenlijk geldt. Dat maximum is weliswaar niet erg hoog, maar dat maakt de opgelegde last nog niet onrechtmatig. Immers heeft het bestuursorgaan een grote mate van vrijheid bij de vaststelling van de hoogte en maximum van de dwangsom, maar mag de rechter wel toetsen of deze in redelijke verhouding staan tot de zwaarte van het geschonden belang en of deze in weg staan aan de effectiviteit van de beoogde werking. Mede in aanmerking genomen dat verweerder in het bestreden besluit heeft aangekondigd een nieuwe dwangsom op te leggen als blijkt dat deze niet gewerkt heeft, kan het toegepaste maximum de rechterlijke toetsing doorstaan. De rechtbank merkt daarbij op dat de effectiviteit in casu wordt bevestigd door het feit dat de familie [eiser A] daarin aanleiding heeft gezien om de gewraakte bewoning te staken.

5.2. Onder verwijzing naar hetgeen zojuist is overwogen, ziet de rechtbank evenmin grond om [eiser D] te volgen in zijn betoog dat de gehanteerde begunstigingstermijn te lang is.

5.3. Wat betreft de wijze van betalen van de proceskostenvergoeding in bezwaar is door het in de loop van de beroepsprocedure alsnog uitbetalen van het toegekende bedrag het procesbelang van [eiser D] komen te vervallen. De rechtbank ziet daarin wel aanleiding te bepalen dat aan [eiser D] het betaalde griffierecht wordt vergoed en om verweerder te veroordelen in de door [eiser D] gemaakte kosten van het beroep tot het moment dat de uitbetaling heeft plaatsgevonden.

5.4. Wat de hoogte van de toegekende proceskosten in bezwaar betreft ziet de rechtbank geen reden om dit geval als zo afwijkend van het normale te beschouwen dat niet de waardering gemiddeld zou kunnen worden gegeven. Dat het feit dat [eiser D] ook als belanghebbende in de bezwaarprocedure van [eiser A] is betrokken tot een hogere vergoeding zou moeten leiden, ziet de rechtbank niet, nu dit beperkt is gebleven tot het geven van een reactie op de hoorzitting, die is meegeteld in de vergoeding van het eigen bezwaar.

Uit het voorgaande vloeit de volgende beslissing voort.

III. BESLISSING

De rechtbank te Roermond;

verklaart het beroep van de familie [eiser A] ongegrond;

verklaart het beroep van [eiser D] niet-ontvankelijk, voor zover dat de wijze van betaling van de vergoeding van de proceskosten in bezwaar betreft;

verklaart het beroep van [eiser D] voor het overige ongegrond;

veroordeelt verweerder in de kosten van het beroep van [eiser D] bij de rechtbank, aan de zijde van [eiser D] begroot op € 644,-- (zijnde de kosten van rechtsbijstand), te betalen door de gemeente Maasbree;

bepaalt dat de gemeente Maasbree aan [eiser D] het door hem betaalde griffierecht van € 143,-- volledig vergoedt.

Aldus gedaan door mr. Th.M. Schelfhout als voorzitter, mr. V.P. van Deventer en mr. B.W.P.M. Corbey-Smits als leden, in tegenwoordigheid van J.N. Buddeke als griffier en in het openbaar uitgesproken op 21 december 2007.

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

verzonden op: 21 december 2007.

MD

Voor belanghebbenden en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt zes weken.