Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2007:BC3774

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
21-12-2007
Datum publicatie
11-02-2008
Zaaknummer
04/850822-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

openlijke in vereniging geweldplegen in een schoolgebouw

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Parketnummer : 04/850822-07

Parketnummer : 04/816740-06 (tul)

Parketnummer : 04/851048-06 (tul)

Uitspraak d.d. : 21 december 2007

TEGENSPRAAK

VONNIS van de rechtbank Roermond, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

naam : [verdachte]

voornamen : [voornaam]

geboren op : [geboortedatum en -plaats]

adres : [adres]

plaats : [woonplaats]

thans gedetineerd in Het Keerpunt Opvang- en Beh.centrum, Pater Kustersweg 8 te Cadier en Keer.

1. Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 10 december 2007.

2. De tenlastelegging

De verdachte staat terecht ter zake dat:

1.

hij op of omstreeks 05 september 2007 in de gemeente Roermond met een ander of anderen, op een voor het publiek toegankelijke plaats of in een voor het publiek toegankelijke ruimte, te weten, tijdens een lesuur in een leslokaal, in elk geval in een schoolgebouw, gelegen aan de Kasteel Hillenraedstraat (nr. 1), alwaar een groot aantal leerlingen aanwezig waren openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3], in elk geval tegen een of meer daar aanwezige perso(o)n(en) welk geweld bestond uit het slaan van genoemde [slachtoffer 1] en/of uit het met kracht duwen, in elk geval ten val brengen van genoemde [slachtoffer 2] en/of uit het opzettelijk dreigend met een buis, althans een met stok in de hand(en) en/of met een of meer vuurwapen(s), althans op (een) vuurwapen(s) gelijkende voorwerp(en) welke hij verdachte en/of zijn mededader(s) (zichtbaar) in hun/zijn kleding droeg(en), althans voor een of meer leerling(en) waarneembaar was/waren, dat leslokaal, in elk geval dat schoolgebouw zijn binnengedrongen en/of tegen een of meer leerling(en) zijn opgedrongen en/of uit het dreigend een (rood) stuk ijzer in de (opgeheven) hand(en) houden ten opzichte van de aldaar aanwezige perso(o)n(en);

(art. 141 van het Wetboek van Strafrecht);

Althans indien terzake het vorenstaande onder 1 geen veroordeling zou volgen:

A.

hij op of omstreeks 05 september 2007 in de gemeente Roermond, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [slachtoffer 2] en/of een of meer leerling(en), in elk geval pers(o)n(en) welke aanwezig was/waren in een schoolgebouw, gelegen aan de Kasteel Hillenraedstraat (nr 1) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) opzettelijk dreigend (een) vuurwapen(s), in elk geval (een) op een vuurwapen(s) gelijkend voorwerp(en), in hun/zijn hand(en) gehouden, althans zichtbaar in hun/zijn kleding gedragen, althans aan genoemde [slachtoffer 2] en/of een of meer aldaar aanwezige leerling(en), althans perso(o)n(en) getoond en (daarbij) op dreigende toon tegen die [slachtoffer 2] gezegd:"Laat me los of ik schiet je door je kop", in elk geval woorden van soortgelijke dreigende aard en strekking, althans opzettelijk dreigend met een buis in de (opgeheven) hand(en) dat schoolgebouw zijn binnengedrongen en/of tegen een of meer leerling(en) zijn opgedrongen en/of opzettelijk dreigend een (rood) stuk ijzer in de (opgeheven) hand(en) heeft/hebben gehouden ten opzichte van de aldaar aanwezige perso(o)n(en);

(art. 285 van het Wetboek van Strafrecht);

en/of

B.

hij op of omstreeks 05 september 2007 in de gemeente Roermond, tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade mishandelend, althans opzettelijk mishandelend, een persoon, [slachtoffer 1], opzettelijk, na kalm beraad en rustig overleg, althans opzettelijk heeft geslagen, tengevolge waarvan genoemde [slachtoffer 1] enig lichamelijk letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

(art. 301 van het Wetboek van Strafrecht);

en/of

C.

hij op of omstreeks 05 september 2007 in de gemeente Roermond tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 3]) met kracht heeft geduwd en/of ten val heeft gebracht, waardoor voornoemde [slachtoffer 3] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

(art. 300 van het Wetboek van Strafrecht);

2.

hij op of omstreeks 04 september 2007 in de gemeente Roermond tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een sigarettenautomaat heeft weggenomen 40, in elk geval een aantal pakjes sigaretten, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Jan Linders, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door die sigarettenautomaat open te breken, althans te forceren in elk geval door middel van braak en/of verbreking;

(Art. 311 van het Wetboek van Strafrecht);

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3. De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4. De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5. De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen.

6. Schorsing der vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

7. Bewijsoverwegingen

7.1 Standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 10 december 2007 gevorderd dat het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde zal worden bewezen verklaard.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de gehele tenlastelegging.

7.2 Bewijsmiddelen en overwegingen van de rechtbank

De overtuiging van de rechtbank dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de volgende bewijsmiddelen.

De hieronder vermelde bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit, waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

7.2.1 (Samenvatting van de) bewijsmiddelen en standpunten van de rechtbank

Feit 1

Aangever [slachtoffer 1] verklaart dat hij zich op 5 september 2007 in een klaslokaal van de Gilde-opleidingen aan de Kasteel Hillenraedstraat 1 te Roermond bevindt. [slachtoffer 1] verklaart de opleiding installatietechniek te volgen.

Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij met [verdachte] en [medeverdachte 2] naar de school is gegaan. [medeverdachte 1] heeft een plastic pvc-buis meegenomen naar school en [verdachte] had een pistool bij zich. [verdachte] had dat wapen onder zijn riem. Voorts verklaart [medeverdachte 1] dat [verdachte] de jongen in school heeft geslagen.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat [medeverdachte 1] voorop het klaslokaal binnenliep en dat [medeverdachte 1] een pvc-buis in zijn handen had. Na [medeverdachte 1] liepen ook [medeverdachte 2] en hijzelf het klaslokaal in. [medeverdachte 1] heeft met de pvc-buis gedreigd. [medeverdachte 2] had een voorwerp bij zich wat leek op een pistool [medeverdachte 2] heeft dat pistool vastgepakt toen een leraar bij hem kwam. Het pistool zat tussen de broeksband van [medeverdachte 2]. [medeverdachte 2] trok het pistool er niet uit. Dat pistool was het pistool dat ik eerder in een koffertje heb gezien. Voorts heeft verdachte verklaard dat hij een leraar heeft weggeduwd.

Aangever [slachtoffer 1] verklaart voorts dat hij ziet dat na de pauze 3 Marokkanen het klaslokaal binnenkomen waar hij en zijn klasgenoten zich bevonden. De Marokkaan van het eerdere voorval liep voorop. De andere twee er kort achter. De eerste Marokkaan, waarvan de rechtbank uit hiervoor genoemde verklaring afleidt dat dit [medeverdachte 1] is, en een andere Marokkaan pakken [slachtoffer 1] vast, een aan de linker- en een aan de rechterkant. Beiden staan aan de voorzijde van [slachtoffer 1]. Plotseling voelt [slachtoffer 1] een harde klap in zijn gezicht. [slachtoffer 1] voelt dat hij onder zijn linkeroog wordt geraakt. Een aantal klasgenoten en een leraar trekken de jongens weg. De drie jongens lopen naar de uitgang van het lokaal.

Medeverdachte [medeverdachte 2] verklaart dat [medeverdachte 1] ook een pijp bij zich had. [verdachte] en hij zijn te voet naar de school gegaan en [medeverdachte 1] met een fiets. [medeverdachte 2] heeft gezien dat [medeverdachte 1] de pijp eerst gewoon in de hand had, maar dat hij er later mee wilde slaan. [medeverdachte 2] zag dat [medeverdachte 1] die pijp van onderen langs zijn lichaam omhoog tilde. Verder versnelde [medeverdachte 1] zijn pas. Tussen [medeverdachte 1] en een jongen vielen woorden. [medeverdachte 2] hoorde zeggen: “Kom naar buiten”. Dit werd ook door [verdachte] gezegd. [medeverdachte 1] heeft die jongen aan zijn kleren voor vastgepakt. [medeverdachte 2] stond op dat moment naast [medeverdachte 1] schuin voor die jongen. [medeverdachte 2] zag op een gegeven moment een vuist langs hem doorschieten en zag dat die vuist die jongen in zijn gezicht raakte. [medeverdachte 2] keek toen meteen om en zag dat [verdachte] degene was die die jongen met zijn vuist in het gezicht sloeg. [medeverdachte 2] verklaart verder dat zij in het lokaal stonden met een hoop personen om zich heen. We zijn toen even later vertrokken. [medeverdachte 2] is toen echter nog teruggelopen omdat [medeverdachte 2] zag dat iemand [medeverdachte 1] vasthad. [medeverdachte 2] is naar [medeverdachte 1] toegelopen en heeft ze uit elkaar gehaald. Die man had [medeverdachte 1] van achteren vast. Toen [medeverdachte 2] naar buiten liep kreeg hij van alles naar zijn hoofd gegooid. [medeverdachte 2] werd op zijn hoofd geraakt.

Getuige [getuige 1] verklaart dat [medeverdachte 1], die hij kent van de basisschool, tegen Alain zegt: “Geef mij vijf minuten en ik pomp je vol met lood”. [medeverdachte 1] fietste daarop weg. Getuige [getuige 1] ziet na de pauze [medeverdachte 1] met de fiets terugkomen. [getuige 1] ziet dat [medeverdachte 1] een kunststof of metalen pijp in zijn handen heeft. [getuige 1] ziet [medeverdachte 1] en [verdachte] het klaslokaal binnen gaan.

Getuige [getuige 1] ziet op een gegeven moment [medeverdachte 1] en [verdachte] het klaslokaal weer uitkomen. [verdachte] heeft dan een koperkleurige pijp van circa 2 meter in zijn handen. [getuige 1] ziet dat [medeverdachte 1] een langwerpig ding bij zich heeft dat wordt gebruikt voor het buigen van metaal, en ziet dat [medeverdachte 1] dat voorwerp weggooide en dat [verdachte] de koperen pijp liet vallen.

Getuige [getuige 2] ziet ook 3 Marokkaanse manspersonen het leslokaal voor installatietechniek binnen gaan. De 3 Marokkaanse manspersonen lopen in versnelde pas op [slachtoffer 1] toe. Door twee personen wordt tegen [slachtoffer 1] geduwd. [getuige 2] ziet dat de derde Marokkaan [slachtoffer 1] tegen zijn gezicht slaat en dat [slachtoffer 1] op zijn linkeroog wordt geraakt. [getuige 2] verklaart dat hij deze derde persoon kent en dat hij [verdachte] heet. [getuige 2] ziet dat [slachtoffer 1] een buizenbuiger pakt. [slachtoffer 1] wordt hierop zelf ook vastgepakt. [getuige 2] ziet dat de 3 Marokkaanse manspersonen weglopen in de richting van de achterdeur. Door de voordeur ziet [getuige 2] een leraar binnenkomen. Die leraar pakt een van die drie Marokkaanse manspersonen vast. [getuige 2] ziet dan dat die leraar vervolgens wordt weggeduwd door één van de twee andere Marokkaanse manspersonen. [getuige 2] omschrijft die persoon als een redelijk grote jongen. [getuige 2] ziet dat de leraar als gevolg van die duw tegen een trapleuning aan valt. Een van de drie Marokkaanse manspersonen pakt nog een rode buigtang van de werktafel. [getuige 2] ziet dat vanuit de klas een koperen buis van ongeveer 30 centimeter wordt gegooid en dat een van die manspersonen wordt geraakt.

De door getuige [getuige 2] bedoelde leraar is aangever [slachtoffer 3] . [slachtoffer 3] verklaart dat hij zag dat de drie mannen zich na de schermutseling omdraaide en liepen in de richting van de deur. [slachtoffer 3] ziet dan dat de 3 mannen zich weer omdraaien en weer terug kwamen lopen. [slachtoffer 3] verklaart dat hij probeerde een van die mannen tegen te houden. De man duwt vervolgens [slachtoffer 3] aan de kant. [slachtoffer 3] is daardoor ten val gekomen tegen een railing.

Getuige [getuige 2] verklaart voorts dat hij, toen [verdachte] [slachtoffer 1] sloeg, heeft gezien dat [verdachte] iets onder zijn vest droeg. De vorm daarvan was recht omhoog vanuit zijn broekriem en dan ongeveer na 10 centimeter ineens naar een zijkant.

Getuige [getuige 3] verklaart dat ze [verdachte] vanaf de Gilde-opleidingen zag rennen. Getuige [getuige 3] ziet dat [verdachte] onder het rennen iets in zijn broeksband stopt. Het voorwerp was zwart en [verdachte] hield het voorwerp dusdanig vast waarop je normaal gesproken een pistool vasthoudt. [verdachte] had het pistool in zijn rechterhand en stak het linksvoor in de broeksband.

Getuige [getuige 4] verklaart dat, nadat [slachtoffer 1] de klap in zijn gezicht had gekregen, hij zag dat de kleine Marokkaan zijn T-shirt omhoog trok. [getuige 4] zag toen een pistool in de broeksband van die kleine Marokkaan.

Getuige [slachtoffer 2] verklaart dat hij de kleinste Marokkaan herkent van het voorval bij de slagboom. Uit de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] maakt de rechtbank op dat [slachtoffer 2] met de kleinste Marokkaan [medeverdachte 1] bedoeld. [slachtoffer 2] verklaart dat hij [medeverdachte 1] ziet graaien in de steekzak van zijn trui en dat hij aan de rechterzijde een vuurwapen ziet zitten.

Gelet op deze verklaringen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 05 september 2007 in de gemeente Roermond met anderen, in een voor het publiek toegankelijke ruimte, te weten, tijdens een lesuur in een leslokaal, gelegen aan de Kasteel Hillenraedstraat (nr. 1), alwaar een groot aantal leerlingen aanwezig waren openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3], welk geweld bestond uit het slaan van genoemde [slachtoffer 1] en uit het met kracht duwen van genoemde [slachtoffer 1] en uit het opzettelijk dreigend met een buis in de hand en met een of meer op (een) vuurwapen(s) gelijkende voorwerp(en) welke hij verdachte en/of zijn mededader(s) (zichtbaar) in hun/zijn kleding droeg(en), dat leslokaal zijn binnengedrongen en tegen een of meer leerling(en) zijn opgedrongen en uit het dreigend een (rood) stuk ijzer in de (opgeheven) hand(en) houden ten opzichte van de aldaar aanwezige perso(o)n(en);

Feit 2:

Aangeefster [aangeefster] doet namens de benadeelde Jan Linders te Roermond aangifte van diefstal van ongeveer 40 pakjes sigaretten, gepleegd op 4 september 2007 omstreeks 19.15 uur. Aangeefster had van twee interieurverzorgsters gehoord dat zij hadden gezien dat zich 2 jongens bij de sigarettenautomaat verdacht hadden opgehouden. De twee jongens hadden een fiets bij zich. Toen de 2 jongens het winkelcentrum wilde verlaten reed een van hen tegen de schuifdeur aan.

Getuige [getuige 5] ziet dat twee jongens door de schuifdeuren naar buiten gingen. De jongens reden tegen de dichtgaande schuifdeur. Getuige [getuige 5] herkent een van die jongens als [naam 1] of [naam 2].

Medeverdachte [medeverdachte 1] verklaart dat hij samen met verdachte en [medeverdachte 2] de inbraak in de sigarettenautomaat heeft gepleegd. [medeverdachte 1] verklaart dat verdachte met een voorwerp de sigarettenautomaat heeft opengebroken. [medeverdachte 2] stond op de uitkijk.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij op 4 september 2007 rond 19.00uur in het winkelcentrum aanwezig was.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw dat de verklaring van [aangeefster] een verklaring van horen zeggen is en derhalve niet voor het bewijs mag worden gebruikt, nu deze verklaring wordt ondersteund door de verklaringen van getuige [getuige 5] en medeverdachte [medeverdachte 1].

De rechtbank zal het verweer van de raadsvrouw dat de foto’s niet tot bewijs kunnen dienen niet bespreken, nu de rechtbank deze foto’s niet voor het bewijs zal gebruiken.

Gelet op deze verklaringen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op of omstreeks 04 september 2007 in de gemeente Roermond tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een sigarettenautomaat heeft weggenomen een aantal pakjes sigaretten, toebehorende aan Jan Linders, waarbij verdachte en zijn mededaders de weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door die sigarettenautomaat open te breken;

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen.

Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

8. Kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het ten laste van verdachte bewezenverklaarde levert op de navolgende misdrijven:

Ten aanzien van feit 1 primair:

Openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Het misdrijf is strafbaar gesteld bij artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht.

Ten aanzien van feit 2:

Diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.

Het misdrijf is strafbaar gesteld bij de artikelen 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

9. De strafbaarheid van verdachte

De verdachte is strafbaar voor het bewezenverklaarde nu niet is gebleken van enige omstandigheid die verdachtes strafbaarheid opheft.

10. De straffen en/of maatregelen

10.1 De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij gelegenheid van de terechtzitting op 10 december 2007 onder toepassing van het meerderjarige strafrecht met betrekking tot de op te leggen straf gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de tijd van 14 maanden, met aftrek ex artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

10.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft ten aanzien van de gevorderde straf aangevoerd dat op verdachte het jeugdstrafrecht moet worden toegepast en dat een groot gedeelte van de op leggen straf voorwaardelijk dient te zijn, met daarnaast als bijzondere voorwaarde begeleiding door de jeugdreclassering.

10.3 De overwegingen van de rechtbank

De rechtbank verwerpt het verzoek van de officier van justitie tot toepassing van het meerderjarige strafrecht ex artikel 77b van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank vindt in de ernst van de begane feiten, de persoonlijkheid van de dader en de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan, geen grond het strafrecht voor volwassenen toe te passen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen personen en diefstal in vereniging. De rechtbank rekent verdachte vooral de openlijke geweldpleging zwaar aan. Verdachte is met zijn mededaders binnengedrongen in een leslokaal van een school en heeft daar een leerling geslagen. Bij de ontstane schermutselingen is ook nog een leraar omver geduwd. Zowel bij de leerling als bij de leraar heeft dit geleid tot lichamelijk letsel.

De rechtbank rekent het verdachte en zijn mededaders tevens zwaar aan dat zij zich voor dat zij de school zijn binnengedrongen, hebben voorzien van op vuurwapens gelijkende voorwerpen. Voor de in het klaslokaal aanwezige leerlingen heeft dit geleid tot grote angst.

De rechtbank rekent verdachte voorts de omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd en de maatschappelijke verontrusting die van die feiten het gevolg zijn zwaar aan. In het bijzonder in een schoolomgeving zoals de onderhavige is het voor de doorgaans jongere leerlingen van belang dat zij zich in een schoolgebouw kunnen begeven waar zij zich veilig voelen en waar geen sprake is van dreiging van geweld. Door het gewelddadig gedrag als dat van verdachte wordt niet alleen een inbreuk gemaakt op een plezierige en leerzame schooltijd van leerlingen, maar leven ouders vaak ook in angst omtrent de veiligheid van hun kinderen wanneer zij hun school bezoeken.

De rechtbank houdt ook rekening met het feit dat verdachte blijkens het uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister reeds meermalen ter zake van gewelds- en vermogensdelicten is veroordeeld tot deels voorwaardelijke straffen.

Deze veroordelingen heeft verdachte er telkenmale niet van weerhouden om weer nieuwe strafbare feiten te plegen. Verdachte is in het verleden diverse malen hulpverlening aangeboden die echter tot niets heeft geleid, nu verdachte deze hulp telkens heeft afgewezen. Het komt de rechtbank ook niet geloofwaardig voor dat verdachte, na zijn invrijheidsstelling op 26 augustus 2007 vanuit zichzelf tot het oordeel is gekomen om een ommekeer in zijn leven teweeg te gaan brengen. Dat het niet de uitgesproken wil is van verdachte, maakt de rechtbank op uit het feit dat er na zijn vrijlating nog geen twee weken zijn verstreken als verdachte zich wederom schuldig maakt aan onderhavige ernstige strafbare feiten.

De rechtbank ziet dan ook geen redenen om een andere straf op te leggen dan een geheel onvoorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 9 maanden.

11. Toepasselijke wetsartikelen

Na te melden beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 27, 77a, 77h, 77i, 77ee, 77gg, 141, 310, 311.

12. De vordering tot tenuitvoerlegging

De rechtbank is van oordeel dat nu gebleken is dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd heeft schuldig gemaakt aan de hiervoor bewezen verklaarde strafbare feiten omtrent de vorderingen tot tenuitvoerlegging van aan de verdachte bij vroegere veroordelingen opgelegde voorwaardelijke straffen beslist dient te worden zoals hierna is vermeld.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

verstaat dat het aldus bewezenverklaarde de hiervoor vermelde strafbare feiten oplevert en verklaart verdachte ter zake strafbaar;

veroordeelt verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een onvoorwaardelijke jeugddetentie voor de tijd van 9 maanden;

beveelt dat de tijd door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan verdachte opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

Beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging.

Gelast de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de kinderrechter te Roermond d.d. 16 oktober 2006 in de zaak met parketnummer 04/816740-06 aan de veroordeelde opgelegde doch voorwaardelijk niet tenuitvoergelegde straf, te weten:

Jeugddetentie voor de duur van 1 maand.

Beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging.

Gelast de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de kinderrechter te Roermond d.d. 2 april 2007 in de zaak met parketnummer 04/851048-06 aan de veroordeelde opgelegde doch voorwaardelijk niet tenuitvoergelegde straf, te weten:

Jeugddetentie voor de duur van 45 dagen.

Vonnis gewezen door mrs. P.C.G. Brants, G.P.C. Dijkshoorn-Sleebe en A.H.M.J.F. Piëtte, kinderrechters, van wie mr. G.P.C. Dijkshoorn-Sleebe voorzitter, in tegenwoordigheid van J.H.J. van Daal als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 21 december 2007.