Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2007:BC2907

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
21-12-2007
Datum publicatie
29-01-2008
Zaaknummer
07 / 1140 WIA K1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

1) de aanduiding dat eiser als 80 - 100 %, in plaats van 35 - 80 %, arbeidsongeschikt moet worden aangemerkt in het besluit op bezwaar mbt de toepassing van de WIA en de toekenning van een loongerelateerde WGA-uitkering, is door de rechtbnak niet aangemerkt als een "kennelijke misslag"

2) brief tot herstel van de aanduiding van de mate van arbeidsongeschiktheid is volgens de rechtbank een besluit in de zin van de Awb omdat die aanduiding het ijkpunt vormt voor de mate waarin eiser in staat wordt geacht tot werkhervatting

3) tgen dat besluit moet vanwege de verwevenheid met het besluit op bezwaar ten aanzien waarvan de correctie is aangebracht beroep en niet eerst bezwaar worden ingesteld.

Wetsverwijzingen
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen 4
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen 5
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2008/87 met annotatie van Red.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

UITSPRAAK

Procedurenr. : 07 / 1140 WIA K1

Inzake : [eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

tegen : de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut

werknemersverzekeringen (locatie Venlo), te Amsterdam,

verweerder.

Datum en aanduiding van het bestreden besluit:

de brief d.d. 4 juli 2007,

kenmerk: B&B 845.072.24.

Datum van behandeling ter zitting: 12 december 2007

I. PROCESVERLOOP

Bij besluit van 6 juli 2006, waartegen mr. J.G.M. Spronken, destijds werkzaam bij FNV Bondgenoten, namens eiser beroep heeft ingesteld, heeft verweerder beslist op een bezwaar van eiser tegen een eerder besluit d.d. 4 januari 2006 inzake de toepassing van de Wet Werk en Inkomen naar Arbeid (Wet WIA). De rechtbank heeft vervolgens bij uitspraak van 29 november 2006 het beroep tegen het besluit van 6 juli 2006 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en aan verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen (procedurenummer: AWB 06 / 1443 WIA). Verweerder heeft vervolgens bij besluit van 24 april 2007, conform een bij brief van 2 april 2007 meegedeeld voornemen, een nieuw besluit op bezwaar genomen. Bij brief van 4 juli 2007 heeft verweerder aan eiser meegedeeld dat er, in het besluit op bezwaar van 24 april 2007, sprake is van een foutieve vermelding. Tegen deze brief is door mr. Spronken, thans advocaat te Weert, namens eiser bij verweerder bezwaar gemaakt. Verweerder heeft dit bezwaarschrift, omdat dit een beroepschrift zou zijn, naar de rechtbank doorgezonden. Eveneens is door mr. Spronken, voornoemd, namens eiser tegen deze brief een beroepschrift naar de rechtbank toegezonden.

De stukken en het verweerschrift, die verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft ingezonden, zijn aan de gemachtigde van eiser gezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 12 december 2007, waar is eiser in persoon is verschenen bijgestaan door mr. Spronken, voornoemd. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door J.G.M. Huijs.

II. OVERWEGINGEN

Voor de feiten en omstandigheden die tot het nemen van het vernietigde besluit hebben geleid, verwijst de rechtbank naar haar uitspraak van 29 november 2006.

Bij ongedateerde brief heeft verweerder, onder verwijzing naar de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige d.d. 22 november 2006, eiser laten weten dat de rechtbank het besluit terecht heeft vernietigd en dat verweerder berust in de voornoemde uitspraak van de rechtbank. Vervolgens heeft verweerder bij brief van 2 april 2007 aan de gemachtigde van eiser laten weten dat hij van plan is het besluit van 4 januari 2006 te herzien. De herziene beslissing zou dan inhouden dat aan eiser met ingang van 2 januari 2006 een WGA-uitkering zal worden toegekend. De herziene beslissing is als bijlage opgenomen bij deze brief. In deze (eveneens) op 2 april 2007 gedateerde bijlage is vermeld dat eiser vanaf 2 januari 2006 een loongerelateerde uitkering krijgt. In de toelichting bij deze bijlage staat dat eiser voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt is. Bij besluit van 24 april 2007 heeft verweerder vervolgens meegedeeld dat hij conform het voorgenomen besluit van 2 april 2007 aan eiser per 2 januari 2006 een WGA-uitkering toekent. Tegen dit besluit is geen rechtsmiddel aangewend.

Bij brief van 4 juli 2007 heeft verweerder aan eiser meegedeeld dat er in de beslissing op bezwaar van 24 april 2007 abusievelijk is vermeld dat eiser voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt wordt geacht. Dit dient, in overeenstemming met de conclusie van de bezwaararbeidsdeskundige, volgens verweerder 35 tot 80% te zijn. Voor het overige is het besluit van 24 april 2007 wel juist.

In beroep tegen deze brief, welke door eiser is aangemerkt als een besluit, is namens eiser -kort samengevat- gesteld dat hij zich niet kan vinden in hetgeen in die brief is gesteld. Eiser is van mening dat er onvoldoende rekening is gehouden met zowel de ernst van zijn klachten als de mate van zijn beperkingen, en dat er ten onrechte geen urenbeperking is aangenomen. Verder is namens eiser gesteld dat de functie van loketbediende / servicemedewerker niet geduid had mogen worden, nu hij niet voldoet aan de daarvoor gestelde opleidingseisen, waarbij eiser onder meer verwijst naar een recente vacature van deze functie.

In verweer heeft verweerder gesteld dat de duiding “80 tot 100%” in het besluit van 24 april 2007 gezien moet worden als een kennelijke misslag. Nu de correctie geen uitkeringstechnische gevolgen heeft, heeft verweerder gemeend te kunnen volstaan met de brief van 4 juli 2007. De brief van 4 juli 2007 is volgens verweerder dan ook geen besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb, nu deze brief geen rechtsgevolg heeft omdat het vastgestelde loonverlies geen gevolgen heeft voor de (aard en / of hoogte van de) uitkering en evenmin voor de re-integratie(verplichtingen). Derhalve is verweerder van mening dat het beroep tegen deze brief niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. In ieder geval is er geen sprake van een primair besluit nu de brief van 4 juli 2007 zo nauw verweven is met de beslissing op bezwaar van 24 april 2007 dat deze volgens verweerder aangemerkt moet worden als een uitvloeisel van de bezwaarschriftprocedure. Tenslotte heeft verweerder over de inhoud van het beroepschrift gesteld dat dit dezelfde gronden zijn als in de vorige beroepsprocedure. Ten aanzien eisers verwijzing naar een recente vacature, heeft verweerder geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de gegevens uit het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS).

De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of de aanduiding “80 tot 100%”, waarnaar in het besluit op bezwaar van 24 april 2007 wordt verwezen, gezien kan worden als een kennelijke misslag. De vraag antwoordt de rechtbank ontkennend, daar -gelet op onder meer de in houd van het besluit op bezwaar van 24 april 2007, niet met zekerheid kan worden gesteld dat eiser had kunnen begrijpen dat hij in plaats van 80 tot 100% voor 35 tot 80% arbeidsongeschikt was. Nu de mededeling in de brief van 4 juli 2007 -dat eiser voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt is- niet als een evidente, in de zin van voor een ieder duidelijke, vergissing kan worden gezien, is de rechtbank van oordeel dat er in dit geval geen sprake is van een kennelijke misslag .

Voorts ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of verweerders brief van 4 juli 2007 aangemerkt moet worden als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb, waartoe zij als volg overweegt. In artikel 1:3, eerste lid, van de Awb is bepaald dat: “Onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.” Met het begrip rechtshandeling wordt bedoeld: een handeling gericht op rechtsgevolg. Het gaat er in het onderhavige geval in het bijzonder om dat die handeling erop gericht moet zijn verandering te brengen in de bestaande rechten of verplichtingen van eiser of aan eiser een wettelijke status te verlenen of te ontnemen.

Ter zitting is namens eiser betoogd dat deze rechtsgevolgen onder meer zijn gelegen in de re-integratieverplichtingen. De rechtbank onderschrijft dit standpunt, waarbij zij aansluiting vindt in hetgeen de rechtbank Zwolle in haar uitspraak van 19 april 2007 (LJN: BA3460) en de rechtbank Alkmaar in haar uitspraak van 13 juli 2007 (LJN: BA 3460) heeft bepaald. In deze uitspraken, waar nagenoeg een soortgelijke vraag (namelijk of er sprake is van procesbelang) voorlag, hebben die rechtbanken geoordeeld dat de geldende resterende verdiencapaciteit zelfstandige betekenis toekomt en dat eisende partij daarom belang heeft bij het instellen van rechtsmiddelen daartegen. Daarvoor is redengevend dat in de WGA werkhervatting een centrale plaats inneemt en de resterende verdiencapaciteit het ijkpunt vormt voor de mate waarin de betrokkene daartoe in staat wordt geacht. Nu uit de brief van 4 juli 2007 volgt dat de resterende verdiencapaciteit niet lager dan 20% is, maar tussen de 20 en 65% ligt, concludeert de rechtbank dat die brief is gericht op rechtsgevolg en dat de brief is aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb.

Nu de brief van 4 juli 2007 aangemerkt moet worden als een besluit in de zin van 1:3 van de Awb en dit besluit zo nauw met het besluit op bezwaar van 24 april 2007 samenhangt, heeft verweerder -met toepassing van het bepaalde in artikel 6:15 van de Awb- het bezwaarschrift terecht als beroepschrift naar de rechtbank doorgezonden.

Vervolgens dient de rechtbank op basis van de aangevoerde beroepsgronden te beoordelen of het besluit van 4 juli 2007 (hierna: het bestreden besluit) in strijd is met het geschreven of ongeschreven recht, dan wel met enig algemene rechtsbeginsel.

Ingevolge het arbeidsongeschiktheidscriterium van de Wet WIA is -kort gezegd-:

A. gedeeltelijk arbeidsgeschikt, hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur;

B. volledig en duurzaam arbeidsongeschikt, hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur.

Onder voormeld begrip arbeid wordt in de Wet WIA verstaan: alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is, en onder maatmaninkomen wordt verstaan: hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, met arbeid gewoonlijk verdienen.

Ingevolge de Wet WIA vindt de vaststelling van de mate van arbeids(on)geschiktheid plaats op basis van verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek waarvan de strekking en vereisten zijn omschreven in het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten.

Uit het voorgaande volgt dat de rechterlijke toetsing van de arbeids(on)geschiktheidsvaststelling in het bijzonder is gericht op beantwoording van de volgende vragen:

- of het verzekeringsgeneeskundig onderzoek voldoet aan de geldende eisen en of de functionele mogelijkheden en beperkingen van de betrokkene daarbij juist zijn vastgesteld;

- of daaraan in het arbeidskundig onderzoek de juiste conclusies zijn verbonden over de mate waarin de betrokkene in staat is om met algemeen geaccepteerde arbeid een inkomen te verwerven.

De beoordeling van de medische aspecten

Het primaire besluit berust op de bevindingen van verzekeringsarts in opleiding B. de Veen. Deze heeft op basis van eigen onderzoek(en) en dossieronderzoek een rapport uitgebracht en de voor eiser geldende mogelijkheden en beperkingen vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Naar aanleiding van het bezwaar van eiser tegen dat besluit heeft de bezwaarverzekeringsarts J.L. Waasdorp nader onderzoek gedaan bestaande uit eigen onderzoek, dossieronderzoek, het bijwonen van de hoorzitting en bestudering van informatie uit de behandelende sector. Op basis hiervan is in de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts de FML -vanwege een gewijzigde invulinstructie- aangepast.

De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of er sprake is geweest van een voldoende zorgvuldig onderzoek. In een aantal op 18 juli 2007 gewezen uitspraken (onder meer de uitspraak met LJN-nr: BA9909) heeft de Centrale Raad van Beroep (CRvB) geoordeeld dat verzekeringsgeneeskundig onderzoek als bedoeld in de artikelen 2, 3 en 4 van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten niet slechts door een geregistreerd verzekeringsarts mag worden gedaan, maar dat de kwaliteit van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek door een verzekeringsarts in opleiding onvoldoende is gewaarborgd. De CRvB heeft daaraan toegevoegd dat een dergelijk gebrek in de bezwaarfase kan worden hersteld. Een lichamelijk onderzoek zal daarbij, gelet op onder meer de uitspraak van de CRvB van 18 september 2007 (LJN-nr: BB3884), niet altijd noodzakelijk zijn.

De rechtbank stelt vast dat het zojuist bedoelde gebrek zich ten aanzien van de voorbereiding van het primaire besluit voordoet, nu arts De Veen nog in opleiding was tot verzekeringsarts, zodat de vraag moet worden beantwoord of dat gebrek in de bezwaarfase is hersteld. De rechtbank stelt vast dat de bezwaarverzekeringsarts blijkens zijn rapport van 29 juni 2006 kennis heeft genomen van het dossier, eiser tijdens de hoorzitting op 15 mei 2006 heeft gezien en de door eiser ingebrachte informatie zeer uitvoerig heeft besproken en bij zijn conclusies heeft betrokken. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het geconstateerde gebrek in de bezwaarfase is hersteld.

De rechtbank is van oordeel dat de verzekeringsgeneeskundige advisering die ten grondslag ligt aan het bestreden besluit, in overeenstemming is met de eisen van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten en de overigens daaraan te stellen zorgvuldigheidsvereisten.

De rechtbank heeft - gelet op alle voorhanden medische gegevens - geen aanknopingspunten gevonden de eindconclusies van voormeld verzekeringsgeneeskundig onderzoek in twijfel te trekken. De informatie van de behandelende sector is uitdrukkelijk en in voldoende mate in de beoordeling meegenomen. Niet is gebleken dat de klachten van eiser zijn onderschat dan wel onjuist zijn geïnterpreteerd en evenmin dat de informatie uit de behandelende sector in de omschrijving van de medische beperkingen en mogelijkheden onjuist zou zijn uitgelegd. In ieder geval is niet gebleken dat eiser op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten, op de datum in geding niet in staat was te achten om - binnen de voor haar geldende beperkingen vallende - werkzaamheden te verrichten, zonder daarbij een urenbeperking in acht te nemen. Overigens kan en mag de rechtbank aan de eigen beleving van eiser over zijn beperkingen en het al dan niet kunnen werken geen doorslaggevende betekenis toekennen. Er zijn geen gegevens overgelegd waaruit medische beperkingen zijn te herleiden die ernstiger zijn dan door verweerder is aangenomen. Op grond van het vorenstaande moet dan ook worden gezegd dat het bestreden besluit berust op een juiste medische grondslag.

De beoordeling van de arbeidskundige aspecten

Het arbeidskundige onderdeel van het bestreden besluit steunt op een rapport van de arbeidsdeskundige met het daarbij behorende Resultaat Functiebeoordeling. Het Resultaat Functiebeoordeling vloeit voort uit een aanpassing in het CBBS waar verweerder bij de beoordeling van de mate van de arbeidsongeschiktheid gebruik van heeft gemaakt. In een aantal op 12 oktober 2006 gewezen uitspraken heeft de CRvB geoordeeld dat verweerder inmiddels de aan het CBBS klevende onvolkomenheden, zoals die zijn beschreven in eerdere uitspraken van de CRvB, in voldoende mate heeft opgeheven (onder meer www.rechtspraak.nl, LJN: AY9971). Voorts heeft de CRvB geoordeeld dat alle door het systeem aangebrachte signaleringen dienen te worden voorzien van een afzonderlijke toelichting, waarbij in voorkomende gevallen voorafgaand overleg met de verzekeringsarts nodig kan zijn.

De rechtbank is, gelet op voormelde uitspraken, van oordeel dat ten aanzien van de functies die aan de onderwerpelijke schatting ten grondslag liggen, de wijze waarop het gewijzigde CBBS is toegepast in dit geval in overeenstemming is met de daaraan te stellen eisen van inzichtelijkheid, verifieerbaarheid en toetsbaarheid. Zij overweegt hiertoe dat, in overeenstemming met de uitspraak van 12 oktober 2006, in de rapporten van de bezwaararbeidsdeskundige d.d. 5 juli 2006 en 22 november 2006 alle door het systeem aangebrachte signaleringen zijn voorzien van een afzonderlijke toelichting.

De arbeidsdeskundige A. Charrois heeft op grond van de door de adviserend verzekeringsarts opgestelde FML met behulp van het CBBS functies geduid, die eiser, gelet op de voor hem geldende medische beperkingen en zijn krachten en bekwaamheden, zou moeten kunnen vervullen. Voor de schatting zijn de, als algemeen geaccepteerde arbeid aangemerkte, functies van servicemedewerker, fiscaal controleur en coquillegieter als uitgangspunt genomen. De bezwaararbeidsdeskundige P.M.J. Kursten heeft de duiding van functies door de primaire arbeidsdeskundige in haar rapport van 22 november 2006 aangepast in die zin dat de functies van fiscaal controleur en coquillegieter zijn vervallen. Hiervoor in de plaats zijn de (eerder als aanvullend geduide) functies van brugwachter en elektronicamonteur gekomen. Met het verrichten van laatstgenoemde geduide functies zou eiser een verlies aan verdienvermogen hebben van 42,11%.

Ten aanzien van eisers stelling dat verweerder ten onrechte de functie van servicemedewerker heeft geduid daar eiser nimmer een opleiding heeft gevolgd, overweegt de rechtbank -onder verwijzing naar vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (onder meer CRvB 11 juli 2000; LJN: AE8596) als volgt. Wanneer er aan een functie een diploma-eis is gekoppeld kan een dergelijke functie niet aan een verzekerde worden opgedragen indien die verzekerde niet beschikt over het vereiste (of een daarmee ten minste gelijk te stellen) diploma. De CRvB heeft daarbij overwogen dat een strikte diploma-eis niet kan worden gecompenseerd door een (andere) opleiding al dan niet aangevuld met een door de betrokken arbeidsdeskundige van belang geacht praktische ervaring. Slechts onder omstandigheden kan aan een diploma-eis worden voldaan indien de verzekerde een opleiding heeft gevolgd die in het verlengde ligt van de opleiding waarvan een diploma wordt verlangd, en die opleiding weliswaar niet met een diploma heeft afgesloten, maar daarin wel geacht kan worden een zodanige kennis te hebben opgedaan dat de opleiding met de gestelde diploma-eis gelijk kan worden gesteld. Tot een dergelijke gelijkstelling zal niet lichtvaardig kunnen worden geconcludeerd. Daarbij speelt een rol dat een diploma slechts wordt behaald nadat aan een algemeen geldende toets wordt voldaan, hetgeen niet geldt voor een voortijdig afgebroken opleiding. Het dient dan ook in onderwijskundig opzicht te zijn aangetoond en daarmee boven twijfel verheven te zijn dat de opgedane kennis ten minste gelijk is aan die welke benodigd is voor het behalen van het voor de functie vereiste diploma. Het vorenstaande toespitsend op het voorliggende geschil is de rechtbank van oordeel dat eiser niet voldoet aan de opleidingseis, dit daar eiser enkel lager onderwijs heeft gevolgd en een diploma heeft voor de praktijkopleiding Chef slager, en er in casu sprake is van een strikte diploma-eis in voormelde zin. Gelet hierop, en vanwege het feit dat dit alles door de gemachtigde van verweerder ter zitting niet is ontkend, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet in onderwijskundig opzicht aangetoond dat de opgedane kennis van eiser ten minste gelijk is aan die welke benodigd is voor het behalen van het voor de functie van Servicemedewerker vereiste diploma.

Nu het vervallen van deze functie gevolgen heeft voor de vaststelling van de verdiencapaciteit en -zoals de rechtbank eerder in deze uitspraak overwogen- de resterende verdiencapaciteit zelfstandige betekenis toekomt, kan het besluit -ook al is de resterende verdiencapaciteit niet expliciet vermeld in het besluit- geen standhouden en zal verweerder op dit punt een nieuw besluit op bezwaar moeten nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

Naar aanleiding van het verzoek van eiser is gedaan om verweerder op basis van artikel 8:73 van de Awb te veroordelen tot schadevergoeding overweegt de rechtbank dat dit thans niet gehonoreerd kan worden, omdat nu niet met zekerheid is te zeggen of het door verweerder ingevolge deze uitspraak te nemen nadere besluit zal leiden tot een, wat het recht op uitkering betreft, voor eiser gunstiger resultaat. Mocht echter onderhavige vernietiging inderdaad een nabetaling van uitkering ten gevolge hebben, dan kan eiser aan verweerder verzoeken om de wettelijke rente te vergoeden op de wijze als in inmiddels bestendige jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep uiteengezet. De rechtbank merkt op dat de beslissing op zo een verzoek zozeer samenhangt met de vernietiging van het thans bestreden besluit, dat die beslissing is te beschouwen als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb.

De rechtbank acht verder termen aanwezig om verweerder op grond van het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten die eiser redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van dit beroep, een en ander overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten toegekend. Het gewicht van de zaak wordt bepaald op 1, hetgeen correspondeert met de wegingsfactor gemiddeld.

III. BESLISSING

De rechtbank Roermond;

gelet op het bepaalde in de artikelen 8:70, 8:72 en 8:74 van de Algemene wet bestuursrecht;

verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van het gestelde in deze uitspraak;

veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank aan de zijde van eiser begroot op € 644,00 (zijnde de kosten van rechtsbijstand) te vergoeden door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

bepaalt voorts, dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan eiser het door deze gestorte griffierecht ten bedrage van € 39,00 volledig vergoedt.

Aldus gedaan door mr. Th.M. Schelfhout in tegenwoordigheid van mr. A.M. Schmeets als griffier en in het openbaar uitgesproken op 21 december 2007.

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

verzonden op: 21 december 2007.

MD

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Ingevolge artikel 6:5 van de Awb bevat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak en moet een afschrift van de uitspraak bij het beroepschrift worden overgelegd.