Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2007:BC2275

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
21-12-2007
Datum publicatie
21-01-2008
Zaaknummer
07 / 1076 WRO K1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vrijstelling ten behoeve van het schenken van licht alcoholische dranken op ‘koffieterras’.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Horeca 2007/1107
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

UITSPRAAK

Procedurenr. : 07 / 1076 WRO K1

Inzake : VVE Maaspark Boschmolenplas, gevestigd te Heel, eiseres,

tegen : het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Maasgouw, gevestigd te Maasbracht, verweerder.

Datum en aanduiding van het bestreden besluit:

de brief d.d. 5 juni 2007,

kenmerk: ROER/Ruimte/ES0220/VIT1337.

Datum van behandeling ter zitting: 29 november 2007

I. PROCESVERLOOP

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres, gericht tegen verweerders primair besluit van 5 december 2006 waarbij aan [derde] vrijstelling is verleend van voorschriften uit het bestemmingsplan “Boschmolenplas”, ongegrond verklaard.

Tegen dat laatste besluit is bij deze rechtbank beroep ingesteld.

Met toepassing van het bepaalde in artikel 8:26, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is [derde] in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen. [derde] heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt.

De door verweerder op de zaak betrekking hebbende ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan mr. J.M. Neefe, gemachtigde van eiseres, gezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 29 november 2007, waar voor eiseres is verschenen bij haar voorzitter F.C.J. van Baaren, alsmede bij J. Brinkman, beheerder, bijgestaan door haar gemachtigde mr. Neefe voornoemd. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. S.E.H.M. Sniekers.

II. OVERWEGINGEN

Feiten en stellingen van partijen

In 2004 heeft [derde] bij verweerder een verzoek gedaan om vrijstelling van het bestemmingsplan “Boschmolenplas” ten behoeve van een terras waarop [derde] koffie, frisdranken en toebehoren wilde serveren alsmede ten behoeve van een bijbehorend multifunctioneel gebouw, op het perceel gelegen aan de Heelderweg13 te Heel. Voorts heeft [derde] daartoe in 2004 een verzoek om bouwvergunning ingediend. Bij besluit van 17 februari 2005 heeft verweerder vrijstelling verleend van de gebruiksvoorschriften van het bestemmingsplan, voor zover die inhielden dat gronden en gebouwen niet mochten worden gebruikt voor horecadoeleinden, en is de gevraagde bouwvergunning verleend. Tegen dit besluit zijn geen rechtsmiddelen aangewend en het is daarmee in rechte onaantastbaar geworden.

Bij verzoek gedateerd 17 november 2006 heeft [derde] een schrijven gericht aan verweerder, waarin onder meer het volgende was vermeld:

“Ondergetekende (…), wonende te HEEL (…), Heelderweg 13 (…), verzoekt U beleefd hem de mogelijkheid te bieden om op zijn terras een horeca op locatie te mogen exploiteren. Daarvoor doet hij een principeverzoek voor een bestemmingsplan wijziging op bovengenoemde percelen. Op dit terras worden nu koffie, frisdranken, vlaai, broodjes en soepen geserveerd. (…) Tijdens deze twee seizoenen dat het terras geopend was, is duidelijk gebleken dat er zeer grote behoefte bestaat aan het nuttigen van een glas bier of een glaasje wijn.”

Bij primair besluit van 5 december 2006 heeft verweerder aan [derde] vrijstelling verleend van de gebruiksvoorschriften van het bestemmingsplan, zulks op grond van artikel 3.04, tweede lid van dat plan, in welk artikel een mogelijkheid tot vrijstellingverlening is beschreven voor de situatie waarin strikte toepassing van een gebruiksverbod zou leiden tot een niet door dringende redenen te rechtvaardigen beperking van het meest doelmatige gebruik. Daartoe overwoog verweerder het volgende. Het verzoek van [derde] om het terras te mogen gebruiken ten behoeve van horeca in de vorm van het verstrekken van licht-alcoholhoudende dranken is strijdig met het bestemmingsplan, nu op grond van dat plan geen horecabestemming was toegekend aan de desbetreffende gronden. Die strijdigheid kan middels de vrijstellingsmogelijkheid van artikel 3.04 van het bestemmingsplan worden opgeheven, nu het terras het meest doelmatig zal worden gebruikt wanneer er ook licht-alcoholhoudende dranken zullen kunnen worden geschonken.

Eiseres heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Daarbij is aangevoerd dat verweerder ten onrechte toepassing heeft gegeven aan de mogelijkheid tot vrijstelling zoals opgenomen in artikel 3.04 van de planvoorschriften, nu het meest doelmatige gebruik -recreatief wonen- nog altijd mogelijk was op de plaats waar thans het terras is gelegen. Verder vreest eiseres overlast voor de bewoners van het vakantiepark waarop het terras is gevestigd, nu het voor de hand ligt dat bij het schenken van alcohol ook de openingstijden zullen worden verruimd.

Bij het besluit op bezwaar heeft verweerder, onder verwijzing naar het ten behoeve van de besluitvorming afgegeven advies van de commissie bezwaarschriften van verweerders gemeente, het volgende overwogen.

Bij het onherroepelijk geworden vrijstellingsbesluit van 17 februari 2005 is het gebruik van de gronden ten behoeve van horeca reeds toegestaan.

Thans is gevraagd om een uitbreiding van de activiteiten met het schenken van licht-alcoholhoudende dranken. Die activiteit was echter reeds begrepen in het besluit van 17 februari 2005; daarbij was immers vergund dat de gronden ten behoeve van “horecavoorzieningen” mochten worden gebruikt, en onder dat begrip moet, bij gebreke van een definitie ervan in de planvoorschriften, volgens het normale spraakgebruik mede worden verstaan het verstrekken van alcoholhoudende dranken. De uitbreiding van de activiteiten met alcoholhoudende dranken is uit een oogpunt van ruimtelijke ordening in de gegeven omstandigheden ook niet relevant, nu het gebied waarop het verzoek betrekking heeft exact gelijk is aan het gebied waarop het onherroepelijke vrijstellingsbesluit zag.

Verweerder verklaart het bezwaar van eiseres ongegrond en herroept het primaire besluit.

In beroep is namens eiseres aangevoerd dat de onherroepelijke vrijstelling van 17 februari 2005 uitsluitend ziet op het schenken van niet-alcoholhoudende dranken, nu in de aanvraag van [derde] enkel was vermeld dat deze koffie, frisdrank en toebehoren wenste te serveren. Verweerder gaat er dan ook ten onrechte van uit dat bij dat besluit reeds alcoholhoudende dranken waren vergund. Bovendien gaat van het schenken van alcoholhoudende dranken een ingrijpendere ruimtelijke werking uit. De opening van het koffiehuis is nu niet langer seizoensgebonden en de openingstijden zullen worden verruimd. Voorts lijkt het erop, gelet op de tekeningen die bij de aanvraag zijn gevoegd, dat daarmee ook een vergroting van het terras is beoogd.

De beoordeling

De rechtbank ziet zich allereerst ambtshalve geplaatst voor de vraag of eiseres procesbelang heeft bij het door haar ingestelde beroep. Daartoe is van belang of eiseres het door haar beoogde doel daadwerkelijk kan bereiken met dit beroep. Die vraag wordt dezerzijds bevestigend beantwoord, waartoe als volgt is overwogen.

Verweerder heeft bij verweerschrift aangevoerd dat de beroepsgronden van eiseres enkel zien op een gebruik dat reeds is vergund bij het onherroepelijke vrijstellingsbesluit van 17 februari 2005 (verder aan te duiden als: het eerste vrijstellingsbesluit), terwijl het primaire besluit is ingetrokken. Dat betekent volgens verweerder dat eiseres geen procesbelang heeft bij het instellen van beroep.

De rechtbank volgt verweerder niet in deze redenering. Uitgangspunt van die redenering is immers dat bij het eerste vrijstellingsbesluit het door eiseres niet gewenste gebruik reeds is vergund, terwijl de vraag of zulks het geval is, nu juist een punt van geschil vormt. Hieruit volgt, dat eiseres procesbelang heeft bij het instellen van het onderhavige beroep; zij wenst immers een rechterlijke uitspraak te verkrijgen omtrent deze rechtsvraag.

Daaraan kan ook niet afdoen de ter zitting door verweerders gemachtigde aangevoerde omstandigheid, dat het exploiteren van een horecagelegenheid wordt beheerst door regelgeving betreffende de openbare orde en de volksgezondheid.

Dat, alvorens tot daadwerkelijke exploitatie van een horecabedrijf te kunnen overgaan, een exploitatievergunning op basis van de Algemene Plaatselijke Verordening en een vergunning op basis van de Drank- en Horecawet vereist zijn, laat onverlet dat (ook) bij het nemen van een vrijstellingsbesluit ten behoeve van een dergelijk bedrijf belangen dienen te worden meegewogen, zoals door eiseres naar voren gebracht.

Vervolgens komt de rechtbank toe aan de op basis van de aangevoerde beroepsgronden te beantwoorden vraag of het bestreden besluit in strijd is met het geschreven of ongeschreven recht dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel.

Anders dan verweerder is de rechtbank van oordeel dat in het eerste vrijstellingsbesluit niet was begrepen een vrijstelling ten behoeve van het mogen schenken van alcoholhoudende dranken. Immers is in de aanvraag van [derde] van 12 januari 2004, die heeft geleid tot het eerste vrijstellingsbesluit, enkel vermeld dat [derde] een ‘koffieterras’ wil exploiteren waar ‘diverse koffiesoorten, frisdranken en toebehoren’ zullen worden geserveerd. In de aanvraag is nergens melding gemaakt van de wens om ook alcoholhoudende dranken te serveren en dat zulks met de aanvraag ook niet is beoogd, blijkt verder uit het gegeven dat [derde] op 17 november 2006 een nieuwe aanvraag heeft gedaan waarin wel uitdrukkelijk is verzocht om ‘een glas bier of een glaasje wijn’ te mogen serveren.

De tekst van het eerste vrijstellingsbesluit biedt evenmin grond voor het oordeel, dat daarmee is vrijgesteld ten behoeve van het mogen schenken van alcoholhoudende dranken. In dat besluit is de term ‘koffiehuis’ gebruikt en is het mogen schenken van alcoholhoudende dranken niet genoemd. Dat in het eerste vrijstellingsbesluit de term ‘horecavoorzieningen’ is gebezigd, maakt dat niet anders. Hoewel de rechtbank met verweerder van oordeel is dat onder het -ruime- begrip ‘horecavoorzieningen’ mede is te scharen een etablissement waar alcoholhoudende dranken worden geschonken, betekent dit niet dat dit begrip in het onderhavige geval aldus dient te worden uitgelegd. Zoals hierboven reeds is vastgesteld, zijn in de aanvraag geen aanknopingspunten te vinden voor de gevolgtrekking dat beoogd is om toestemming te verkrijgen voor het schenken van alcoholhoudende dranken. Voor een uitleg van het begrip ‘horecavoorzieningen’ die een verruiming ten opzichte van die aanvraag bewerkstelligt, is dan ook geen plaats.

Het bovenstaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat het beroep gegrond is en het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12 van de Awb moet worden vernietigd. Verweerder dient opnieuw te beslissen op het bezwaar van eiseres met inachtneming van het bepaalde in deze uitspraak.

Tevens ziet de rechtbank aanleiding om verweerder overeenkomstig het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de door eiseres in verband met dit beroep redelijkerwijs gemaakte proceskosten. Bij de vaststelling van de kosten is met toepassing van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen twee punten toegekend en is het gewicht van de zaak bepaald op gemiddeld, hetgeen correspondeert met de wegingsfactor één.

III. BESLISSING

De rechtbank Roermond:

verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van het gestelde in deze uitspraak;

veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eiseres begroot op € 644,-- (zijnde de kosten van rechtsbijstand) te vergoeden door de gemeente Maasgouw;

bepaalt voorts, dat de gemeente Maasgouw aan eiseres het door deze gestorte griffierecht ten bedrage van € 285,00 volledig vergoedt.

Aldus gedaan door mr. J.M.H. Rijken-Lie in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Utteren-Hoving als griffier en in het openbaar uitgesproken op 21 december 2007.

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

Verzonden op: 21 december 2007.

MV

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Ingevolge artikel 6:5 van de Awb bevat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak en moet een afschrift van de uitspraak bij het beroepschrift worden overgelegd.