Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2007:BC2037

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
21-12-2007
Datum publicatie
17-01-2008
Zaaknummer
07 / 956 WW K1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dagloonberekening (WW) voor iemand die vlak voor het intreden van de werkloosheid (te) kort in Nederland heeft gewerkt voor een uitzendbureau en daaraan voorafgaand in Duitsland in detentie werkzaamheden heeft verricht waarvoor een symbolische vergoeding werd genoten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

UITSPRAAK

Procedurenr. : 07 / 956 WW K1

Inzake : [eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

tegen : de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (locatie Heerlen), gevestigd te Amsterdam, verweerder.

Datum en aanduiding van het bestreden besluit:

de brief d.d. 29 mei 2007,

kenmerk: B&B 815.0090.20.

Datum van behandeling ter zitting: 26 november 2007

I. PROCESVERLOOP

Bij besluit van 16 februari 2007 heeft verweerder aan eiser een WW-uitkering toegekend. Het tegen dat besluit ingediende bezwaarschrift is door verweerder bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit 25 mei 2007ongegrond verklaard.

Tegen dat laatste besluit is bij deze rechtbank beroep ingesteld.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan de gemachtigde van eiser gezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 26 november 2007, waar eiser noch diens gemachtigde zijn verschenen en waar verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door de heer A.M.C. Crombach.

II. OVERWEGINGEN

Eiser is in Duitsland gedetineerd geweest. Tijdens de detentie heeft eiser in de periode van 12 december 2004 tot en met 5 december 2006 in verschillende gevangenissen als werknemer werkzaamheden verricht voor aan de gevangenissen gelieerde opdrachtgevers. In de periode van 15 januari 2007 tot en met 26 januari 2007 is eiser werkzaam geweest voor een uitzendbureau in Nederland.

Verweerder heeft op aanvraag aan eiser een WW-uitkering toegekend. Bij de berekening van het dagloon is verweerder uitsluitend uitgegaan van het loon dat eiser als gedetineerde in Duitsland heeft verdiend en zoals dat door de werkgever is opgegeven.

Eiser stelt dat hij voor de werkzaamheden in detentie slechts een symbolische vergoeding heeft ontvangen ter hoogte van 9% van hetgeen de penitentiaire inrichting van de opdrachtgever heeft ontvangen. Op dit moment zijn er vele procedures in gang gezet door oud-gedetineerden vanwege een loonvordering op de Duitse staat.

Eiser is van mening dat verweerder voor de berekening van het dagloon ten onrechte is uitgegaan van het door hem ontvangen loon. Verweerder had de vergoeding die de penitentiaire inrichtingen van de opdrachtgevers hebben ontvangen voor de door eiser verrichte werkzaamheden, vooruitlopend op de uitkomst van de tegen de Duitse Staat aangespannen procedures, als uitgangspunt voor de dagloonberekening moeten gebruiken.

De rechtbank dient op basis van de aangevoerde beroepsgronden te beoordelen of het bestreden besluit in strijd is met het geschreven of ongeschreven recht dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel.

Eiser heeft als beroepsgrond aangevoerd dat verweerder het dagloon ten onrechte heeft berekend aan de hand van het door eiser in Duitsland ontvangen loon.

De rechtbank overweegt hierover het volgende.

Artikel 68, eerste lid, van de EEG-Verordening 1408/71 luidt als volgt.

1. Het bevoegde orgaan van een Lid-Staat waarvan de wettelijke regeling bepaalt dat voor de berekening van de uitkering wordt uitgegaan van het bedrag van het vroegere loon, houdt uitsluitend rekening met het loon dat betrokkene voor de laatste werkzaamheden welke hij op het grondgebied van die Staat heeft uitgeoefend, heeft genoten. Indien de betrokkene evenwel laatstelijk niet ten minste vier weken werkzaamheden op dat grondgebied heeft uitgeoefend, wordt de uitkering berekend op basis van het loon dat ter plaatse waar de werkloze woont of verblijft met gelijkwaardige of soortgelijke werkzaamheden als die welke hij het laatst op het grondgebied van een andere Lid-Staat heeft uitgeoefend, gewoonlijk wordt verdiend.

Na het eindigen van de arbeidsovereenkomst in de gevangenis in Duitsland wegens ontslag uit detentie per 7 december 2006, heeft eiser in de periode van 15 januari 2007 tot en met 26 januari 2007 bij een uitzendbureau in Nederland gewerkt. Deze laatste periode is korter dan vier weken.

Ingevolge artikel 68, eerste lid, van de EEG-Verordening 1408/71 dient de uitkering in dat geval te worden berekend op basis van het loon dat in Nederland met gelijkwaardige of soortgelijke werkzaamheden als die eiser in Duitsland heeft uitgeoefend, gewoonlijk wordt verdiend.

Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat een vergelijking met gelijkwaardige of soortgelijke werkzaamheden in Nederland slechts mogelijk is indien die werkzaamheden in Nederland ook werkelijk bestaan.

De stelling van verweerder dat het niet reëel is om uit te gaan van vergelijkbaar werk in Nederland wanneer dit een hoger loon oplevert dan eiser in Duitsland heeft verdient en zodoende geen recht wordt gedaan aan het dervingsbeginsel dat aan de WW ten grondslag ligt, onderschrijft de rechtbank niet. De onderhavige situatie verschilt met die in het Fellinger arrest (RSV 81/192) aangezien eiser voor zijn werkloosheid als laatste in Nederland heeft gewerkt. Daarbij komt dat toepassing van het Fellinger arrest tot gevolg zou hebben dat aan artikel 68, eerste lid, tweede volzin van de EEG-Verordening 1408/71 iedere betekenis zou worden ontzegd.

Het standpunt van verweerder dat het werk van gedetineerden in Nederland, dat buiten het kader van een dienstverband wordt verricht, niet als vergelijkbaar kan worden aangemerkt acht de rechtbank juist.

Het is daarentegen de vraag of het door eiser daadwerkelijk in Duitsland genoten loon gelijkgesteld kan worden met het loon dat voor soortgelijke werkzaamheden in Nederland wordt verdiend.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder onvoldoende gegevens aangedragen om deze vraag te kunnen beantwoorden. Met name ontbreken gegevens over de aard en inhoud van het in Duitsland verrichte werk en onderzoek naar daarmee vergelijkbaar werk in Nederland.

Het besluit van verweerder heeft zodoende onvoldoende feitelijke grondslag en dient wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd.

De rechtbank acht verder termen aanwezig om verweerder op grond van het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten die eiser redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van dit beroep, een en ander overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen wordt 1 punt toegekend. Het gewicht van de zaak wordt bepaald op gemiddeld hetgeen correspondeert met de wegingsfactor 1.

III. BESLISSING

De rechtbank Roermond;

gelet op het bepaalde in de artikelen 8:70, 8:72, 8:74 en 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht;

verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

bepaalt dat verweerder een nieuwe beslissing op bezwaar moet nemen met inachtneming van deze uitspraak;

veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eiser begroot op € 322,00 (zijnde de kosten van rechtsbijstand) te vergoeden door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan eiser het door deze gestorte griffierecht ten bedrage van € 39,00 volledig vergoedt.

Aldus gedaan door mr. Th.M. Schelfhout in tegenwoordigheid van mr. C.H.M. Bartholomeus als griffier en in het openbaar uitgesproken op 21 december 2007.

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

verzonden op: 21 december 2007.

MD

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Ingevolge artikel 6:5 van de Awb bevat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak en moet een afschrift van de uitspraak bij het beroepschrift worden overgelegd.