Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2007:BC0441

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
11-12-2007
Datum publicatie
18-12-2007
Zaaknummer
07 / 770 WW K1
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Hoofdstuk IV van de WW regelt de overneming van uit dienstbetrekking voortvloeiende verplichtingen die bij betalingsonmacht van de werkgever moeten worden betaald. Deze uitspraak gaat over het geval dat verweerder heeft gesteld dat er ten aanzien van pensioenpremie geen betalingsverplichting bestaat die voor overname in aanmerking komt omdat het pensioencontract in verband met wanbetaling is ontbonden. Allereerst is de rechtbank -anders dan de gemachtigde van verweerder ter zitting heeft gesteld, te weten dat hij enkel naar de bepalingen van de WW hoeft te kijken en niet naar het verbintenissenrecht- van oordeel dat, nu hoofdstuk IV van de WW de overname van civielrechtelijke verplichtingen betreft, niet kan worden gesteld dat verweerder de bepalingen omtrent het verbintenissenrecht uit het BW niet bij zijn besluit hoefde te betrekken. Vervolgens wijst de rechtbank op de nietigheid van de ontbinding (artikel 6:269 BW) en op de aard en het karakter van de aanspraak van eiser voor de nieuw te nemen beslissing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

UITSPRAAK

Procedurenr. : 07 / 770 WW K1

Inzake : [eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

tegen : de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (locatie Venlo), gevestigd te Amsterdam, verweerder.

Datum en aanduiding van het bestreden besluit:

de brief d.d. 17 april 2007,

kenmerk: .

Datum van behandeling ter zitting: 26 november 2007.

I. PROCESVERLOOP

Bij besluit van 17 april 2007 (hierna: bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen een eerder besluit van verweerder d.d. 4 januari 2007 (hierna: primair besluit) inzake toepassing van de Werkloosheidswet (WW) ongegrond verklaard. Tegen dat besluit is door mr. R.G.A.M. Theunissen, advocaat te Eindhoven, namens eiser bij deze rechtbank beroep ingesteld.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan de gemachtigde van eiser gezonden. Vervolgens heeft verweerder op verzoek van deze rechtbank nog nadere stukken aan de rechtbank toegezonden.

Het beroep is gevoegd behandeld, met de beroepen welke bij deze rechtbank bekend zijn onder de procedurenummers 07 / 771 WW, 07 / 772 WW, 07 / 773 WW, 07 / 774 WW, 07 / 802 WW, 07 / 961 WW, 07 / 1001 WW en 07 / 1616 WW, ter zitting van de rechtbank op 26 november 2007, waar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. A.K. Creusen, kantoorgenoot van mr. Theunissen, voornoemd, en waar verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door W.J.M.H. Lagerwaard. Na sluiting van het onderzoek zijn de zaken weer gesplitst en is daarin afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. OVERWEGINGEN

Eiser is vanaf 1 maart 1999 werkzaam geweest bij Axias BV te ’s-Hertogenbosch (hierna: (ex-)werkgever) als systeemontwerper. Op 18 oktober 2006 is de (ex-)werkgever gefailleerd en op 17 oktober 2006 heeft eiser verweerder verzocht om op grond van hoofdstuk IV van de WW de achterstallige betalingsverplichtingen van zijn (ex-)werkgever over te nemen. Per 25 oktober 2006 is aan eiser door de curator ontslag aangezegd. Bij primair besluit heeft verweerder in verband met het faillissement van de (ex-)werkgever de uitkering van eiser berekend op basis van loon, vakantietoeslag, resterende vakantiedagen, vaste onkostenvergoeding en spaarloon. Hierbij heeft verweerder eisers verzoek om overname van achterstallige pensioenpremie afgewezen daar er ten tijde van het faillissement geen pensioenovereenkomst bestond. Verweerder heeft zijn besluit genomen op grond van het bepaalde in artikelen 61 tot en met 68 van de WW.

In bezwaar hiertegen heeft eiser gesteld dat hij zich niet kan verenigen met verweerders afwijzing omtrent de pensioenpremie. Hierbij heeft eiser aangevoerd dat er, vanaf zijn indiensttreding bij de (ex-)werkgever, pensioenpremie is ingehouden op zijn salaris en dat hij niet kon controleren of er wel sprake was van een pensioenovereenkomst. Verder heeft eiser gesteld dat er tijdens zijn dienstverband een verandering van pensioenverzekeraar, namelijk van Nationale Nederlanden naar Delta Lloyd, heeft plaatsgevonden. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat Delta Lloyd middels brieven van 12 september 2006 en 4 oktober 2006 het pensioencontract met terugwerkende kracht per 1 januari 2004 heeft beëindigd. Nu de (ex-)werkgever derhalve geen betalingsverplichting meer had aan Delta Lloyd, is er volgens verweerder geen sprake meer van bedragen die de (ex-)werkgever aan derden verschuldigd is als bedoeld in artikel 64, eerste lid, onder c, van de WW. Gelet hierop heeft verweerder gesteld dat er ten aanzien van de pensioenpremie geen betalingsverplichting bestaat die voor overname in aanmerking komt.

In beroep hiertegen is namens eiser het in bezwaar ingenomen standpunt gehandhaafd. Voorts heeft eiser betwist dat er geen sprake zou zijn van een pensioenovereenkomst tussen de (ex-)werkgever en Delta Lloyd, nu deze overeenkomst in ieder geval tot 12 september 2006 heeft bestaan. Dat Delta Lloyd een opzeggingsbrief heeft verzonden aan de (ex-)werkgever, heeft volgens eiser niet de betekenis dat het contract feitelijk is beëindigd. Tenslotte heeft eiser aangegeven dat hij niet kon weten dat de door de (ex-)werkgever vastgelegde afspraken over inkopen van de bestaande betalingsachterstand niet werden nagekomen. Eiser heeft, zowel bij Delta Lloyd als bij de (ex-)werkgever, uitdrukkelijk geïnformeerd naar de betalingsachterstand.

In verweer hiertegen heeft verweerder aangevoerd dat Delta Lloyd het pensioencontract, zonder daarbij enig voorbehoud te maken, heeft opgezegd. Dat Delta Lloyd nadien een andere uitleg aan haar brieven heeft gegeven is voor verweerder geen reden tot het innemen van een ander standpunt. Voorts heeft verweerder gesteld dat niet relevant is dat de werknemers niet op de hoogte waren van de achterstand in de premieafdracht en beëindiging van het pensioenscontract.

Verweerder heeft hierbij aangegeven dat het ingevolge artikel 64, eerste lid, onder c, van de WW enkel gaat om de vraag of de werkgever over het jaar onmiddellijk voorafgaande aan het tijdstip waarop de voor de werknemer geldende termijn van opzegging eindigt uit de dienstbetrekking nog gelden aan derden verschuldigd is.

De rechtbank dient op basis van de aangevoerde beroepsgronden te beoordelen of het bestreden besluit in strijd is met het geschreven of ongeschreven recht dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel.

Meer in het bijzonder is in geschil de beantwoording van de vraag of verweerder terecht heeft geweigerd de niet door de (ex-)werkgever afgedragen pensioenpremies ten behoeve van eiser over te nemen.

Hoofdstuk IV van de WW regelt de overneming van uit dienstbetrekking voortvloeiende verplichtingen die bij betalingsonmacht van de werkgever moeten worden betaald.

In artikel 61 van de WW is onder andere bepaald dat een werknemer recht heeft op uitkering op grond van hoofdstuk IV van de WW, indien hij van een werkgever, die in staat van faillissement is verklaard, loon, vakantiegeld of vakantiebijslag te vorderen heeft of indien hij geldelijk nadeel kan ondervinden doordat deze werkgever bedragen die hij in verband met de dienstbetrekking met de werknemer aan derden verschuldigd is, niet heeft betaald.

In artikel 64, eerste lid, van de WW is -voor zover hier van belang- bepaald dat het recht op uitkering omvat:

a. het loon over ten hoogste dertien weken onmiddellijk voorafgaande aan de dag van opzegging van de dienstbetrekking;

b. het loon over ten hoogste de voor de werknemer geldende termijn van opzegging;

c. het vakantiegeld, de vakantiebijslag en de bedragen die de werkgever in verband met de dienstbetrekking met de werknemer aan derden verschuldigd is, over ten hoogste het jaar onmiddellijk voorafgaande aan het tijdstip waarop de in onderdeel b bedoelde termijn eindigt.

De rechtbank stelt verder vast dat Delta Lloyd in een brief van 12 september 2006 het volgende aan de (ex-)werkgever heeft meegedeeld:

“(…) Na meerdere herinneringen om de betalingsachterstand te voldoen houdt u zich steeds niet aan de betalingsafspraken. Als gevolg hiervan delen wij u mede dat Delta Lloyd het pensioencontract met terugwerkende kracht zal beëindigen per 1 januari 2004 vanwege wanbetaling. Dit houdt onder meer in dat per direct alle risicodekkingen in het pensioencontract komen te vervallen. Voor de periode 1 januari 2004 tot 12 september 2006 zal de risicopremie in rekening worden gebracht. (…)” Dit alles heeft Delta Lloyd bij brief van 4 oktober 2006 nogmaals aan de (ex-)werkgever meegedeeld. In een brief van de curator d.d. 17 oktober 2007 is vermeld dat deze contact heeft gehad met Delta Lloyd en dat het woordje “zal” in de voornoemde brieven van Delta Lloyd moet worden gelezen als “is”.

Verweerder stelt zich daarom op het standpunt dat de overeenkomst tussen de (ex-)werkgever met Delta Lloyd met terugwerkende kracht per 1 januari 2004 is beëindigd. Eiser bestrijdt dit standpunt. De rechtbank overweegt hierover als volgt.

Allereerst is de rechtbank -anders dan de gemachtigde van verweerder ter zitting heeft gesteld, te weten dat hij enkel naar de bepalingen van de WW hoeft te kijken en niet naar het verbintenissenrecht- van oordeel dat, nu hoofdstuk IV van de WW de overname van civielrechtelijke verplichtingen betreft, niet kan worden gesteld dat verweerder de bepalingen omtrent het verbintenissenrecht uit het BW niet bij zijn besluit hoefde te betrekken.

In artikel 6:265, eerste lid, van het BW is -voor zover hier van belang- bepaald dat iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen aan de wederpartij de bevoegdheid geeft om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden. In artikel 6:269 van het BW is -voor zover hier van belang- bepaald dat de ontbinding geen terugwerkende kracht heeft.

Gelet op laatstgenoemde bepaling is de rechtbank van oordeel dat ontbinding van een overeenkomst met terugwerkende kracht niet rechtsgeldig is. Dat Delta Lloyd middels de brieven van 12 september 2006 en 4 oktober 2006 heeft geprobeerd de overeenkomst tussen haar en de (ex-)werkgever met terugwerkende kracht te beëindigen, is naar het oordeel van de rechtbank in strijd met, artikel 6:269 van het BW, en in zoverre nietig. Kennelijk is Delta Lloyd inmiddels ook die opvatting toegedaan, nu zij toch bij de curator vorderingen heeft ingediend van de achterstallige pensioenpremies. Dat de curator die vordering niet wil honoreren, acht de rechtbank niet doorslaggevend. Geconcludeerd moet dan ook worden dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de voornoemde overeenkomst met terugwerkende kracht per 1 januari 2004 is beëindigd. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank over de periode vóór 12 september 2006 van oordeel dat, voor zover daarvoor anderszins geen belemmering bestaat, eiser recht heeft op overname van pensioenpremie op grond van artikel 64, eerste lid, onder c, van de WW over de daarin genoemde termijn. Het bestreden besluit dient derhalve te worden vernietigd.

Bij het nieuw te nemen besluit zal verweerder rekening moeten houden met het volgende. Het verbod van terugwerkende kracht van artikel 6:629 van het BW staat niet in de weg aan ontbinding vanaf 12 september 2006. Derhalve dient verweerder te onderzoeken of is voldaan aan alle civielrechtelijke voorwaarden voor een rechtsgeldige ontbinding van de overeenkomst vanaf voornoemde datum. Mocht verweerder tot de conclusie komen dat dit het geval is, dan zal hij verder nog rekening moeten houden met het volgende. Gelet op vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (onder meer CRvB 2 augustus 2006, LJN AY6408) strekt Hoofdstuk IV van de WW er mede toe een voorziening te treffen voor het geval waarin de werkgever de jegens de werknemer aangegane verplichting tot het afsluiten van een pensioenverzekering niet is nagekomen. Naar het oordeel van de rechtbank moet daaronder mede worden begrepen het niet langer nakomen van de verplichting na ontbinding van een pensioenovereenkomst.

Bij een dergelijke pensioentoezegging gaat het niet om een verplichting van de werkgever jegens een derde als bedoeld in 64, eerste lid, onder c, van de WW, maar om nog te vorderen loon, als bedoeld in artikel 64, eerste lid, onder a en b, van de WW, waaronder ingevolge artikel 67, aanhef en onder a, van de WW wordt verstaan al hetgeen de werkgever in verband met de dienstbetrekking aan de werknemer rechtens verschuldigd is, met uitzondering van vakantiegeld en vakantiebijslag.

Deze pensioentoezegging blijkt volgens de rechtbank uit artikel 11 van de -tussen partijen afgesloten- arbeidsovereenkomst, waarin -voor zover hier van belang- is bepaald dat:

“Werknemer is verplicht als deelnemer toe te treden tot de collectieve pensioenverzekering welke door de werkgever is afgesloten. Het werknemersaandeel en werkgeversaandeel is voor ieder de helft van de door werkgever te betalen pensioenpremie, deze premie is berekend op basis van het vaste bruto jaarinkomen over het kalenderjaar. (...)” Uit dit artikel van de arbeidsovereenkomst volgt, waarbij de rechtbank verwijst naar een uitspraak van de CRvB van 28 maart 1996, LJN ZB6238, dat de (ex-)werkgever zich jegens eiser heeft verplicht heeft een pensioenvoorziening af te sluiten.

Ten aanzien van de periode ná 12 september 2006 is de rechtbank -gelet op het vorenstaande- van oordeel dat, indien verweerder tot de conclusie komt dat inderdaad is voldaan aan alle voorwaarden voor een rechtsgeldige ontbinding vanaf 12 september 2006, eiser in beginsel recht heeft op overneming van de verplichtingen van de (ex-)werkgever terzake van een pensioenvoorziening ten behoeve van eiser over de termijn genoemd in artikel 64, eerste lid, onder a en b, van de WW.

De rechtbank acht verder termen aanwezig om verweerder op grond van het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten die eiser redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van dit beroep, een en ander overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten toegekend. Het gewicht van de zaak wordt bepaald op gemiddeld, hetgeen correspondeert met de wegingsfactor 1.

III. BESLISSING

De rechtbank Roermond;

gelet op het bepaalde in de artikelen 8:70, 8:72, 8:74 en 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht;

verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

bepaalt dat verweerder een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van het gestelde in deze uitspraak;

veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eiser begroot op € 644,00 (zijnde de kosten van rechtsbijstand) te vergoeden door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan eiser het door deze gestorte griffierecht ten bedrage van € 39,00 volledig vergoedt.

Aldus gedaan door mr. Th.M. Schelfhout in tegenwoordigheid van mr. A.M. Schmeets als griffier en in het openbaar uitgesproken op 11 december 2007.

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

Verzonden op: 11 december 2007.

MV

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Ingevolge artikel 6:5 van de Awb bevat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak en moet een afschrift van de uitspraak bij het beroepschrift worden overgelegd.