Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2007:BC0331

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
12-12-2007
Datum publicatie
17-12-2007
Zaaknummer
04/994856-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Parketnummer : 04/994856-07

Uitspraak d.d. : 12 december 2007

TEGENSPRAAK

VONNIS van de rechtbank Roermond, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

naam : [verdachte]

voornamen : [voornamen verdachte]

geboren op : [geboortedatum]

adres : [adres]

plaats : [woonplaats].

1. Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 28 november 2007.

2. De tenlastelegging

De verdachte staat terecht ter zake dat:

1.

hij in de periode van 19 maart 2006 tot en met 31 maart 2006 in de gemeente

Bernheze, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, al dan niet opzettelijk een bestrijdingsmiddel, te weten 90 liter nicotine, althans een hoeveelheid vloeistof bevattende nicotine, waarvan niet bleek, dat dat bestrijdingsmiddel ingevolge de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 was toegelaten, binnen Nederland heeft gebracht en/of voorhanden of in voorraad heeft gehad;

2.

hij in de periode van 1 december 2004 tot en met 31 maart 2006 in de gemeente

Bernheze, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, meermalen, althans een maal, al dan niet opzettelijk een bestrijdingsmiddel, te weten nicotine, althans een hoeveelheid vloeistof bevattende nicotine, waarvan niet bleek, dat dat bestrijdingsmiddel ingevolge de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 was toegelaten, heeft gebruikt.

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3. De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4. De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5. De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen.

6. Schorsing der vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

7. Bewijsoverwegingen

7.1 Standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 28 november 2007 gevorderd dat

het onder 1 en 2 ten laste gelegde zal worden bewezen verklaard.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde, aangezien ten aanzien daarvan niet vastgesteld kan worden dat er sprake is van nicotine. Bovendien heeft de raadsman aangevoerd dat het de vraag is of er bewijs is voor het “binnen Nederland brengen” van nicotinehoudende stof.

7.2 Bewijsmiddelen en overwegingen van de rechtbank

De overtuiging van de rechtbank dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de volgende bewijsmiddelen.

De hieronder vermelde bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit, waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

De genoemde geschriften zijn slechts gebruikt in verband met de inhoud van de overige bewijsmiddelen.

7.2.1 (Samenvatting van de) bewijsmiddelen en overwegingen van de rechtbank

In een onderzoek naar de illegale invoer en het toepassen van niet-toegelaten bestrijdingsmiddelen in de pluimveesector, gebruikt in de bestrijding van bloedluis bij pluimvee, is (onder meer) gebleken dat het bestrijdingsmiddel nicotine vanuit Nederland in Duitsland is besteld, binnen Nederland is gebracht, in Nederland is gebruikt en voorhanden is geweest.

Ten aanzien van feit 1:

Uit de verklaringen van verdachte blijkt dat op 29 maart 2006 door de mannen van [bedrijf S] 90 liter nicotine bij hem is achtergelaten, waarvoor hij – inclusief het gedeelte nicotine dat op zijn bedrijf is gebruikt – € 4.400,-- heeft betaald; genoemd bedrag is opgebouwd uit € 2.800,-- voor de stalreiniging en € 1.800,-- voor de nicotine, maar verdchte heeft maar € 4.400,-- betaald. Op 29 maart 2006 is door die mannen van [bedrijf S] ongeveer anderhalf uur gespoten in de stallen van zijn pluimveebedrijf. De in beslag genomen nicotine, afkomstig van [bedrijf S], geleverd als desinfecteringsmiddel, is bemonsterd en geanalyseerd en bleek inderdaad nicotine te zijn .

Ten aanzien van feit 2:

Verdachte heeft daarnaast verklaard over het meermalen gebruiken, de toepassing van nicotine door de medewerkers van [bedrijf S] op zijn bedrijf, op 29 maart 2006, op 17 december 2004 en ergens in november 2005; de manier van werken was die eerdere keren, net zo als op 29 maart 2006. In hetzelfde verhoor verklaart hij dat de 100 kg Baythionsvormisschung die op de factuur van [bedrijf S] d.d. 17 december 2004 aan Interbroed betreffende ‘Desinfektion’ van verdachtes bedrijf staat, niets anders kan zijn dan het bruine spul uit de blauwe jerrycans, soortgelijk aan de jerrycans die op 31 maart 2006 bij hem in beslag zijn genomen. Verdachte heeft naar eigen zeggen met [persoon H] afgesproken dat het bedrag verrekend zou worden met aan- of verkoop van dieren door verdachtes bedrijf bij Interbroed, omdat verdachte de factuur van [bedrijf S] niet in de boekhouding wilde ter voorkoming van controleerbaarheid.

In het dossier bevindt zich een rapport van de politie te Oss d.d. 31 maart 2006 , waaruit blijkt dat de nicotine was opgeslagen bij een familielid van verdachte. Op 31 maart 2006 worden bij de zus van verdachte in Nistelrode 2 vaatjes met vermoedelijk nicotine aangetroffen; deze zijn in beslag genomen en monsters zijn naar het Rikilt te Wageningen gestuurd voor onderzoek . Het blijkt inderdaad te gaan om nicotine. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij het “spul” bij zijn zuster had opgeslagen en dat hij een vermoeden had dat het een niet toegelaten bestrijdingsmiddel was.

Algemeen:

[[getuige M] verklaart op 29 maart 2006 met anderen voor [bedrijf S] te hebben samengewerkt en over de afleveringen van 5 tot 6 blauwe kannen zonder opschrift in Nederland. Voorts verklaart hij over het desinfecteren van een kippenstal, vanwaar zij om 16.15 uur vertrokken zijn en over de plek waar hij en de andere twee zijn gearresteerd, alsmede over een bruin middel dat gebruikt wordt voor de desinfectering. Op laatstbedoeld adres hebben zij zes jerrycans uitgeladen. Ook verklaart hij over de ontsmetting van de pluimveestal van [verdachte] te Heesch. [getuige M] verklaart over [medeverdachte], de chef bij [bedrijf S], die hij ongeveer anderhalf jaar geleden bezig heeft gezien met het overgieten van een middel uit een groot vat in kleinere vaten en over het gebruik van dat middel in de pluimveehouderij, alsmede over het feit dat [medeverdachte K] hem gezegd had dat het een middel was op nicotinebasis. Daarbij verklaart [getuige M] tevens te weten dat zij werken met een middel op nicotinebasis en dat als zij ergens gaan ontsmetten, zij dat desinfecteren noemen. Verder heeft [getuige M] verklaard over de werkzaamheden in de stal in Heesch. [persoon H] heeft eveneens verklaard over de aanpak van het bloedluisprobleem bij [verdachte] en de behandeling van die stal en de kosten daarvan, die volgens [medeverdachte K] contant betaald moesten worden.

Nicotine, waarmede bedoeld wordt de stof die in de chemie bekend staat als (S)-3-1-methyl-2-pyrrolidinylpyridine, is in Nederland niet toegelaten .

De rechtbank acht het een feit van algemene bekendheid dat Heesch en Nistelrode deel uitmaken van de gemeente Bernheze.

De rechtbank acht gezien het vorengaande, in onderlinge samenhang bezien, bewezen dat bij de drie toepassingen door medewerkers van [bedrijf S] op het bedrijf van verdachte steeds hetzelfde middel is gebruikt. Nu vaststaat dat bij de laatste toepassing dit middel nicotine was, acht de rechtbank bewezen dat dit middel ook in december 2004 en november 2005 is gebruikt.

7.4 Bewezenverklaring

Op grond van voormelde bewijsmiddelen en overwegingen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het sub 1 en het sub 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1 a

hij op 29 maart 2006 in de gemeente Bernheze, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk een bestrijdingsmiddel, te weten 90 liter nicotine, waarvan niet bleek, dat dat bestrijdingsmiddel ingevolge de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 was toegelaten, binnen Nederland heeft gebracht;

1 b

hij in de periode van 29 maart 2006 tot en met 31 maart 2006 in de gemeente

Bernheze, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk een bestrijdingsmiddel, te weten 90 liter nicotine, waarvan niet bleek, dat dat bestrijdingsmiddel ingevolge de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 was toegelaten, voorhanden heeft gehad;

2.

hij in de periode van 1 december 2004 tot en met 29 maart 2006 in de gemeente

Bernheze, tezamen en in vereniging met een ander, meermalen, opzettelijk een bestrijdingsmiddel, te weten nicotine, waarvan niet bleek, dat dat bestrijdingsmiddel ingevolge de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 was toegelaten, heeft gebruikt.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen.

Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

8. Kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het ten laste van verdachte bewezenverklaarde levert op de navolgende misdrijven:

T.a.v. feit 1 a:

medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 2, eerste lid van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962, opzettelijk begaan.

T.a.v. feit 1 b:

medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 2, eerste lid van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962, opzettelijk begaan.

T.a.v. feit 2:

medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 2, eerste

lid van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd.

De misdrijven zijn telkens strafbaar gesteld bij artikel 6 juncto artikel 1a van de Wet op de economische delicten.

9. De strafbaarheid van verdachte

De raadsman heeft gepleit tot ontslag van alle rechtsvervolging van verdachte vanwege het bestaan van overmacht c.q. vanwege het ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid.

De rechtbank overweegt dienaangaande dat verdachte de door [bedrijf S] geleverde nicotine binnen Nederland heeft gebracht, voorhanden heeft gehad en heeft gebruikt, zonder enige informatie te vragen en zonder enig onderzoek te doen naar de schadelijkheid van het middel of de schadelijke gevolgen die het gebruik van het middel zouden kunnen hebben. Het is niet vast komen te staan dat er geen enkel ander – legaal en dus geoorloofd – voldoende doeltreffend middel te verkrijgen was. Reeds hierom is de rechtbank van oordeel dat een beroep op het ontbreken van materiële wederrechtelijkheid als bedoeld in het door de raadsman aangehaalde Veeartsarrest (NJ 1933, 918) niet opgaat. Bovendien was verdachte niet deskundig op het gebied van (het toepassen van) nicotine ten behoeve van de bloedluisbestrijding.

De verdachte is strafbaar voor het bewezenverklaarde nu overigens niet is gebleken van enige omstandigheid die verdachtes strafbaarheid opheft.

10. De straffen en/of maatregelen

10.1 De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij gelegenheid van de terechtzitting op 28 november 2007 met betrekking tot de op te leggen straffen gevorderd dat verdachte ter zake van de feiten 1 en 2 zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 5.000,--, subsidiair 55 dagen hechtenis, alsmede een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de tijd van één maand, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

10.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van de gevorderde straf aangevoerd dat volstaan zou dienen te worden met schuldigverklaring zonder straf, aangezien verdachte niet veel economisch voordeel heeft gehad, verdachte al schade heeft geleden en hij zijn pluimveestapel wilde behandelen.

10.3 De overwegingen van de rechtbank

Verdachte heeft samen met een ander een bestrijdingsmiddel, nicotine, binnen Nederland gebracht. Daarnaast is bewezen verklaard dat verdachte nicotine voorhanden heeft gehad en dit meermalen heeft gebruikt. Het middel nicotine is in Nederland niet toegelaten, zulks gelet op de gevaren voor het milieu, de volksgezondheid en voedselveiligheid. Los van de risico’s voor consument en pluimvee, heeft nicotine daarnaast de nodige risico’s voor degenen die het gebruiken. Uit het dossier blijkt dat toepassing van nicotine gevaarlijk kan zijn indien geen afdoende beschermingsmiddelen gebruikt worden door de gebruikers.

Ter terechtzitting is de rechtbank gebleken dat bij verdachte geen sprake is geweest van een winstoogmerk, en dat hij de feiten begaan heeft omdat hij zijn pluimveestapel wilde behandelen tegen bloedluis, waarbij het lastig was dit te bestrijden. Daarnaast heeft verdachte ter terechtzitting inzicht getoond in de onjuistheid van zijn handelwijze. Blijkens het uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister is verdachte niet eerder veroordeeld.

Nu geen sprake is van een winstoogmerk acht de rechtbank een hoge geldboete niet op zijn plaats en gezien de overige hierboven genoemde omstandigheden ziet de rechtbank evenmin aanleiding tot oplegging van een vrijheidsstraf, ook niet in voorwaardelijke vorm.

De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, alsmede met het belang van een juiste normhandhaving.

De rechtbank is van oordeel dat een taakstraf in de vorm van een werkstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, een gepaste bestraffing vormt. Door deze deels voorwaardelijk op te leggen kan deze bestraffing tevens een bijdrage leveren aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

De rechtbank zal het aantal te werken uren onbetaalde arbeid stellen op 100 uren en bevelen dat, voor het geval de taakstraf niet naar behoren wordt verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 50 dagen. Daarnaast zal de rechtbank een gedeelte van 40 uren onbetaalde arbeid, subsidiair 20 dagen hechtenis voorwaardelijk opleggen.

11. Toepasselijke wetsartikelen

Na te melden beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 57, 91.

Wet op de economische delicten art. 1a, 2, 6.

Bestrijdingsmiddelenwet 1962 art. 2.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het sub 1 en 2 ten laste gelegde zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

verstaat dat het aldus bewezenverklaarde de hiervoor vermelde strafbare feiten oplevert en verklaart verdachte ter zake strafbaar;

veroordeelt verdachte tot een taakstraf, te weten een werkstraf voor de duur

van 100 uren, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid;

beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 50 dagen zal worden toegepast;

bepaalt dat van deze taakstraf een gedeelte, groot 40 uren, bij niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 20 dagen vervangende hechtenis, niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 2 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

verstaat dat het onvoorwaardelijke gedeelte van de taakstraf uiterlijk 1 jaar nadat dit vonnis onherroepelijk is geworden, zal zijn voltooid;

beveelt dat de tijd door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht en bepaalt dat de aftrek aldus zal geschieden dat tegenover één dag inverzekeringstelling hechtenis welke verdachte heeft ondergaan twee uren taakstraf worden gesteld.

Vonnis gewezen door mrs. Y.J.C.A. Roeffen, F.A.G.M. Vluggen en N.I.B.M. Buljevic, rechters, van wie mr. Y.J.C.A. Roeffen voorzitter, in tegenwoordigheid van C. van Est als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op

12 december 2007.

Mr. F.A.G.M. Vluggen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.