Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2007:BC0330

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
06-12-2007
Datum publicatie
17-12-2007
Zaaknummer
07 / 564 WWB K
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank spreekt zich uit over langdurigheidstoeslag (in kader WWB) waarbij bijzonder is dat de aanvraagster van status wisselt (van gehuwd naar ongehuwd) op een datum tussen de vroegst mogelijke en de laatst mogelijke peildatum. Aan de hand van de datum van statuswisseling bepaalt de rechtbank de peildatum. Tevens wordt besproken wat dat betekent voor de beoordeling van de referteperiode (inkomsten uit de gehuwdenperiode wel meenemen voor zover het aan eisers is toe te rekenen).

Met betrekking tot de hoogte van de aan eiseres toe te rekenen inkomsten uit zelfstandige arbeid oordeelt de rechtbank dat verweerder mede rekening had moeten houden met de levensvatbaarheid en de reden van beëindiging van het bedrijf, alsmede de ontwikkelingen daarna, zoals het feit dat aan de voormalige partner van eiseres wel een langdurigheidstoeslag zal worden toegekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

UITSPRAAK

Procedurenr. : 07 / 564 WWB K1

Inzake : [eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

tegen : het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Beesel, gevestigd te Reuver, verweerder.

Datum en aanduiding van het bestreden besluit:

de brief d.d. 13 maart 2007,

kenmerk: 2005-58.

Datum van behandeling ter zitting: 11 oktober 2007.

I. PROCESVERLOOP

Bij besluit van 13 maart 2007 heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen de afwijzing van de aanvraag van een langdurigheidstoeslag ongegrond verklaard.

Tegen dat besluit is bij deze rechtbank beroep ingesteld.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan de gemachtigde van eiseres gezonden.

De gedingstukken uit de zaak met registratienummer 2006/743 zijn ad informandum aan de onderhavige zaak toegevoegd. Aan partijen is daarvan op 17 augustus 2007 kennisgegeven.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 11 oktober 2007, waar eiseres is verschenen bijgestaan door mr. P. Ograjensek, en waar verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. E.E.M.C. Muris.

II. OVERWEGINGEN

In de periode van 1 augustus 1996 tot en met 14 december 2003 heeft eiseres met haar voormalige partner ([voormalig partner]) een bijstandsuitkering ontvangen.

In de periode van 15 december 2003 tot en met 6 juli 2005 heeft [voormalig partner] een internetwinkel geëxploiteerd. Over deze periode heeft eiseres geen uitkering ontvangen.

Met de internetwinkel is over de periode van 1 januari 2004 tot en met 31 december 2004 een omzet gegenereerd tot een bedrag van EUR 19.508,70

Sinds 6 juli 2005 ontvangt eiseres een uitkering in het kader van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder.

De aanvraag van 5 december 2005 van eiseres om een langdurigheidstoeslag heeft verweerder bij besluit van 7 december 2005 afgewezen.

Het tegen dit besluit door eiseres gemaakte bezwaar is door verweerder bij besluit van 14 maart 2006 ongegrond verklaard.

Tegen deze beslissing op bezwaar heeft eiseres beroep ingesteld bij de rechtbank.

De rechtbank heeft verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen en bij het nemen van dit nieuwe besluit rekening te houden met de verruiming van artikel 36, eerste lid, onder b, van de WWB.

In zijn nieuwe besluit op bezwaar heeft verweerder het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard. Verweerder heeft daartoe overwogen dat gezien de hoogte van de inkomsten uit de internetwinkel en de duur waarover ze verworven zijn, niet kan worden gesproken van zeer geringe inkomsten gedurende een geringe periode. Van een feitelijke afwezigheid van een arbeidsmarktperspectief is zodoende geen sprake. Eiseres voldoet naar de mening van verweerder niet aan de voorwaarden zoals die zijn gesteld in artikel 36, eerste lid, onder b, van de WWB

Eiseres heeft de beroepsgrond aangevoerd dat zij geen arbeidsmarktperspectief heeft en dat de aanvraag ten onrechte is afgewezen. De internetwinkel van [voormalig partner] heeft meer kosten gehad dan inkomsten waardoor schulden ontstonden. Eiseres heeft in de referteperiode onder bijstandsniveau geleefd. De belastingdienst heeft vastgesteld dat over het jaar 2004 geen sprake was van loon uit tegenwoordige of vroegere arbeid. Volgens eiseres is er dan ook geen sprake geweest van daadwerkelijke inkomsten uit arbeid, danwel van zeer geringe, marginale inkomsten uit arbeid.

Eiseres beroept zich verder op artikel 26 van het IVBPR omdat naar haar mening een ongerechtvaardigd onderscheid wordt gemaakt tussen arbeidsongeschikte bijstandsgerechtigden die tijdens de referteperiode in het geheel geen betaalde arbeid verricht hebben en bijstandsgerechtigden die, zoals eiseres, slechts een zeer gering inkomen hebben ontvangen.

Tenslotte heeft eiseres aangevoerd dat verweerder in strijd heeft gehandeld met artikel 3:2 van de Awb.

De rechtbank dient op basis van de aangevoerde beroepsgronden te beoordelen of het bestreden besluit in strijd is met het geschreven of ongeschreven recht dan wel enig algemeen rechtsbeginsel.

Artikel 36 van de WWB luidt –voor zover van belang- (vanaf 1 januari 2006):

1. Het college verleent op aanvraag een langdurigheidstoeslag aan een persoon van 23 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar die:

a. gedurende een ononderbroken periode van 60 maanden een inkomen heeft dat niet hoger is dan de bijstandsnorm en geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in artikel 34 heeft;

b. gedurende de in onderdeel a bedoelde periode geen inkomsten uit of in verband met arbeid heeft ontvangen of ten aanzien van wie het college van oordeel is dat, gelet op de zeer geringe hoogte van de inkomsten uit of in verband met arbeid in die periode en de zeer geringe duur van deze arbeid, in redelijkheid niet gesproken kan worden van een feitelijke aanwezigheid van arbeidsmarktperspectief;

Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres voldoet aan de in artikel 36, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB gestelde vereisten.

Artikel 36, derde lid, van de WWB bepaalt dat de langdurigheidstoeslag wordt verleend met ingang van de datum waarop een periode als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, is bereikt.

Een en ander houdt in dat de ingangsdatum van de langdurigheidstoeslag de peildatum is waarop de periode van 60 maanden is bereikt (hierna: referteperiode).

Deze datum hoeft niet samen te vallen met de datum van de aanvraag van de langdurigheidstoeslag en kan dus voor de datum van aanvraag liggen. Gelet op de jaarlijkse systematiek van de langdurigheidstoeslag gaat de peildatum niet verder terug dan tot 1 januari van het jaar waarin de aanvraag wordt gedaan. De toetsing van het besluit op bezwaar strekt zich zodoende uit over de periode van 1 januari van het jaar van aanvraag tot aan de datum van het besluit op bezwaar (Centrale Raad van Beroep, 4 juli 2006, JWWB 2006, 246).

Nu de aanvraag van eiseres in 2005 is gedaan, heeft in dit geval 1 januari 2005 als vroegst mogelijke peildatum te gelden en 13 maart 2007 (datum van het besluit op bezwaar) als laatst mogelijke peildatum. De inkomsten in 2004 die verweerder heeft betrokken in de toetsing van de aanvraag van de langdurigheidstoeslag, vallen binnen de referteperiode ongeacht of van de vroegst mogelijke peildatum danwel de laatst mogelijke peildatum wordt uitgegaan.

Eiseres ontvangt vanaf 6 juli 2005 een bijstandsuitkering naar de norm voor alleenstaande ouder en was derhalve vanaf die datum in het kader van de WWB niet als gehuwd aan te merken. Deze datum valt binnen de periode gelegen tussen de vroegst mogelijke peildatum en de laatst mogelijke peildatum. Nu de aanvraag van eiseres er kennelijk toe strekt om op basis van de status van alleenstaande ouder een langdurigheidstoeslag aan te vragen, dient naar het oordeel van de rechtbank, mede gelet op de strekking van de desbetreffende wettelijke regeling en op voormelde uitspraak van de Centrale Raad van Beroep, van 6 juli 2005 als peildatum te worden uitgegaan.

Dat eiseres voordien gehuwd was, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat voor haar eerst op 6 juli 2005 de referteperiode is gaan lopen, maar wel dat voor de inkomenseis van artikel 36, eerste lid, onder a van de WWB, mede naar het inkomen van de ex-echtgenoot had moeten worden gekeken. Voor de in onderdeel b van die bepaling gestelde eis van arbeidsmarktperspectief vloeit naar het oordeel van de rechtbank evenwel uit de strekking van de wettelijke regels voort dat slechts het arbeidsmarktperspectief van de alleenstaande aanvrager zelf in aanmerking wordt genomen.

Verweerder had in het kader van de beoordeling van de aanvraag van een langdurigheidstoeslag door eiseres dan ook enkel te bezien of uit de inkomsten uit de internetwinkel van [voormalig partner], arbeidsmarktperspectief kan worden afgeleid voor eiseres zelf.

Verweerder heeft in zijn besluit op bezwaar het standpunt ingenomen dat de met de internetwinkel gegenereerde inkomsten, gezien de hoogte van de inkomsten en de duur waarover ze verworven zijn, niet duiden op afwezigheid van arbeidsmarktperspectief. Naar het oordeel van de rechtbank had verweerder niet kunnen volstaan met een enkele verwijzing naar de hoogte van de gegenereerde omzet, zonder in te gaan op hetgeen eiseres heeft aangevoerd ten aanzien van het gebrek aan levensvatbaarheid van het bedrijf en het om die reden afwijzen van een aanvraag om een uitkering op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen. Uit de parlementaire geschiedenis (TK, vergaderjaar 2005-2006, 30 484, nr. 3) volgt dat het college van burgemeester en wethouders bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van arbeidsmarktperspectief rekening kan houden met aspecten als de reden van de beëindiging van de werkzaamheden en de ontwikkelingen nadien. Niet gebleken is of en in hoeverre verweerder dit aspect in zijn beslissing heeft betrokken.

Verder is niet gebleken dat verweerder onderzoek heeft verricht naar de omvang van het aandeel van de werkzaamheden van eiseres in de internetwinkel.

Ter zitting heeft eiseres gesteld slechts incidenteel, bijvoorbeeld wanneer [voormalig partner] ziek was, in de internetwinkel heeft gewerkt. Deze verklaring komt de rechtbank niet ongeloofwaardig voor.

Op de zitting heeft eiseres voorts naar voren gebracht dat haar ex-partner [voormalig partner] van verweerder heeft vernomen dat verweerder de door [voormalig partner] aangevraagde landurigheidstoeslag zal gaan verlenen. Verweerders gemachtigde heeft dit bevestigd.

De rechtbank leidt hier uit af dat verweerder kennelijk ervan uitgaat dat [voormalig partner], ondanks de met de internetwinkel in 2004 gegenereerde omzet, geen arbeidsmarktperspectief heeft.

Ook is daarin reden gelegen om te oordelen dat verweerder zonder nadere motivering niet mocht vasthouden aan de aanwezigheid van arbeidsmarktperspectief bij eiseres. Immers, mede gelet op de verklaring van eiseres ter zitting, moet het ervoor worden gehouden dat haar inbreng in het bedrijf aanzienlijk geringer was dan die van [voormalig partner].

De rechtbank acht het beroep van eiseres dan ook gegrond en zal het besluit van 13 maart 2007 vernietigen.

De rechtbank acht verder termen aanwezig om verweerder op grond van het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten die eiseres redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van dit beroep, een en ander overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen wordt 2 punten toegekend. Het gewicht van de zaak wordt bepaald op gemiddeld hetgeen correspondeert met de wegingsfactor 1.

Aangezien er een toevoeging is verleend aan eiser dient het bedrag van de proceskosten op grond van artikel 8:75, tweede lid, van de Awb aan de griffier te worden betaald.

III. BESLISSING

De rechtbank Roermond;

gelet op het bepaalde in de artikelen 8:70, 8:72, 8:74 en 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht;

verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

bepaalt dat verweerder een nieuwe beslissing op bezwaar moet nemen met inachtneming van deze uitspraak;

veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eiseres begroot op € 644,00 (zijnde de kosten van rechtsbijstand) te vergoeden door de gemeente Beesel aan de griffier der gerechten in het arrondissement Roermond;

bepaalt dat de gemeente Beesel aan eiseres het door deze gestorte griffierecht ten bedrage van € 39,00 volledig vergoedt.

Aldus gedaan door mr. Th.M. Schelfhout in tegenwoordigheid van mr. C.H.M. Bartholomeus als griffier en in het openbaar uitgesproken op 6 december 2007.

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

Verzonden op: 6 december 2007.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Ingevolge artikel 6:5 van de Awb bevat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak en moet een afschrift van de uitspraak bij het beroepschrift worden overgelegd.