Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2007:BC0104

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
17-09-2007
Datum publicatie
13-12-2007
Zaaknummer
05 / 2072 BESLU K1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Beoordeling kostendeclaratie in waarderingszaak Wet Waardering Onroerende Zaken. De rechtbank onderschrijft de gekozen systematiek voor de beoordeling van de redelijkheid van de gemaakte kosten, meer specifiek de maximeringstoets. In de feitelijke toepassing van de maximeringstoets acht de rechtbank aanleiding gelegen voor gegrondverklaring van het beroep en vernietiging van het bestreden besluit omdat verweerder bij de samenstelling van de vergelijkingsgemeenten één gemeente heeft betrokken waarvan bekend was dat de bijdrage over 2003 onjuist was. Als die gemeente was vervangen door een andere vergeklijkingsgemeente zou dat hebben geresulteerd in een gunstigere uitkomst voor eiseres. De rechtbank gaat voorts, met verwijzing naar de eigen verantwoordelijkheid van het bestuur van de waarderingskamer, voorbij aan een niet kenbare afspraak met de minister van financiën, waarvan haar bovendien de ratio ontgaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2008/743

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Procedurenr. : 05 / 2072 BESLU K1

Inzake : het College van Burgemeester en Wethouders van de

gemeente Venray, eiseres,

tegen : het bestuur van de Waarderingskamer,

gevestigd te 's-Gravenhage, verweerder.

Datum en aanduiding van het bestreden besluit:

de brief d.d. 24 november 2005,

kenmerk: vangnetregeling WOZ 1999-2002.

Datum van behandeling ter zitting: 9 november 2006.

I. PROCESVERLOOP

Bij schrijven van 21 december 2005, ontvangen ter griffie van de rechtbank op 22 december 2005, heeft het College beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 24 november 2005. Bij dit besluit heeft verweerder het bezwaar van het College van 13 juli 2005 ongegrond verklaard. Het bezwaar was gericht tegen het bij brief van 8 juni 2005 aan het College toegezonden besluit. Dit primaire besluit is bij mandaat genomen door de Commissie beoordeling omvang kosten (de Commissie) van de Waarderingskamer en is genomen ter zake van de berekening van de kosten van de waardering in de jaren 1999 tot en met 2002 die het College redelijkerwijs heeft moeten maken. De gronden van het beroep zijn kenbaar gemaakt bij schrijven van 20 januari 2006.

De Belastingdienst en het Waterschap Peel en Maasvallei (het Waterschap) zijn in de gelegenheid gesteld om als belanghebbende partij aan het geding deel te nemen. Alleen het Waterschap heeft hiervan gebruik gemaakt.

Op 10 januari 2006 heeft verweerder de op de procedure betrekking hebbende stukken ingezonden. Op 3 oktober 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingezonden. Vorenvermelde stukken zijn in afschrift aan de gemachtigde van het College en het Waterschap verzonden.

Bij brieven van 16 mei 2006 en, in aanvulling daarop, van 26 oktober 2006 heeft het Waterschap zijn standpunt ter zake van het bestreden besluit kenbaar gemaakt.

Bij het schrijven van 30 oktober 2006 heeft verweerder aan partijen en aan de rechtbank voorts nog een aantal uitspraken toegezonden van andere rechtbanken ter zake van vergelijkbare geschillen.

Het beroep is op 9 november 2006 ter zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank behandeld. Het College heeft zich aldaar laten vertegenwoordigen door mr. R.P.M.M. Mols en mr. drs. J.C. Scherff. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.J. Daalder, kantoorgenoot van de gemachtigde van het College mr. E.C. Pietermaat. Tevens was namens verweerder ter zitting aanwezig ir. R.M. Kathmann. Namens het Waterschap is ter zitting verschenen dhr. J.P.G.M. Geelen, coördinator bestuurlijke en juridische zaken.

II. OVERWEGINGEN

Bij brief van 17 november 2003 is de Commissie om een oordeel gevraagd over de berekening van de kosten van de waardering voor de jaren 1999 tot en met 2002. Het College heeft in totaal € 2.934.164,81 gedeclareerd.

Bij brief van 7 januari 2005 heeft de Commissie aan het College als ook aan de overige afnemers meegedeeld voornemens te zijn de berekening van de kosten die het College redelijkerwijs heeft moeten maken te accorderen tot een bedrag van € 1.922.857,71. Het College heeft op 22 maart 2005 op het voornemen gereageerd. Het Waterschap heeft bij brief van 30 maart 2005 een reactie gegeven.

Bij besluit van 8 juni 2005 heeft de Commissie een bedrag van € 1.933.276,11 geaccordeerd.

Op 4 november 2005 is het College gehoord, waarna verweerder bij besluit van

24 november 2005 het bezwaar van het College ongegrond heeft verklaard.

Ter beoordeling van de rechtbank ligt thans voor de vraag of laatstgenoemd besluit van 24 november 2005 in het licht van de aangevoerde beroepsgronden de toets in rechte kan doorstaan. Hiertoe wordt als volgt overwogen.

In de op 1 januari 1995 in werking getreden Wet Waardering Onroerende Zaken (Wet WOZ) zijn ten behoeve van de heffing van belastingen regels gesteld met betrekking tot een uniforme bepaling van de waarde van onroerende zaken en de wijze van vaststelling daarvan.

Ingevolge artikel 1, tweede lid, van de Wet WOZ zijn de Colleges van Burgemeester en Wethouders (de Colleges) belast met de uitvoering van deze wet. Dit houdt onder meer in dat zij gegevens dienen te verzamelen waarmee de waarde kan worden bepaald en vastgesteld van de zich binnen de gemeentegrenzen bevindende onroerende zaken.

Op grond van artikel 4, tweede lid, van de Wet WOZ houdt de Waarderingskamer toezicht op de waardebepaling en de waardevaststelling van onroerende zaken en op de overige in de wet geregelde onderwerpen.

De Colleges verschaffen de Waarderingskamer desgevraagd tijdig de voor de uitoefening van haar taak noodzakelijke gegevens.

In artikel 3 van de Wet WOZ is bepaald dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld betreffende de verrekening van kosten die verbonden zijn aan de uitvoering van de wet. Het Uitvoeringsbesluit kostenverrekening en gegevensuitwisseling Wet waardering onroerende zaken (het Uitvoeringsbesluit) is een algemene maatregel van bestuur als hiervoor bedoeld.

In artikel 2, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit is bepaald dat de kosten van de waardering, te maken door de gemeenten, ten laste komen van de afnemers, zijnde de gemeenten, het Rijk en de waterschappen.

In artikel 4, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit is bepaald wat onder de kosten van waardering, bedoeld in artikel 2, tweede lid, dient te worden verstaan. Blijkens voornoemd artikellid wordt onder kosten van waardering verstaan:

het opstellen van het bij de Waarderingskamer in te dienen plan van aanpak voor de waardering, het verzamelen van gegevens ten behoeve van de waardebepaling alsmede aan het bijhouden daarvan, het uitvoeren van de waardebepaling, het opstellen en verzenden van beschikkingen en het behandelen van bezwaar- en beroepschriften tegen die beschikkingen.

Tot 1 januari 1999 dienden de Colleges bij het desbetreffende waterschap en de Belastingdienst jaarlijks een declaratie in waarin werd uitgegaan van integrale kostenverrekening. Vanuit de wens tot vereenvoudiging heeft de Waarderingskamer met ingang van 1 januari 1999 de systematiek van kostenberekening en -verrekening aangepast.

Ingevolge artikel 4, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit worden de kosten die een gemeente heeft gemaakt voor de waardering van onroerende zaken in de periode 1999 tot en met 2002 vergoed op basis van een vast bedrag per kalenderjaar per object waarover gegevens aan de afnemers zijn geleverd. Voor 1999 was het bedrag vastgesteld op € 11,34 (f 25,--). Het vaste bedrag is daarna jaarlijks geïndexeerd, hetgeen voor de kalenderjaren 2000, 2001 en 2002 heeft geresulteerd in een bedrag van respectievelijk € 11,80, € 12,25 en € 13,--. Het totaal bedrag per object over de periode 1999 tot en met 2002 bedroeg derhalve € 48,39.

Omdat werd voorzien dat het vastgestelde normbedrag niet volledig de in redelijkheid gemaakte kosten van de gemeenten zou dekken, is de zogenoemde Vangnetregeling in het leven geroepen. Deze regeling is neergelegd in artikel 4a van het Uitvoeringsbesluit. In artikel 4a van het Uitvoeringsbesluit is bepaald dat indien gedurende een tijdvak van vier achtereenvolgende kalenderjaren (waarderingskostentijdvak) het totaal van de in redelijkheid gemaakte kosten van de waardering meer dan 2,5 percent hoger is dan het totaal van de over het desbetreffende waarderingskostentijdvak in rekening gebrachte bedragen, bedoeld in artikel 4, tweede lid, het verschil tussen het totaal van de in redelijkheid gemaakte waarderingskosten en het totaal van de in rekening gebrachte bedragen ten laste van de afnemers komt, mits voldaan is aan de volgende voorwaarden:

a. het totaal van de in redelijkheid gemaakte kosten van de waardering wordt berekend volgens een bij ministeriële regeling vastgesteld rekenmodel en

b. deze berekening is geaccordeerd door de Waarderingskamer die beoordeelt of het College van burgemeester en wethouders de kosten van de waardering redelijkerwijs heeft moeten maken.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van het op 8 juni 2000 door de Waarderingskamer vastgestelde ‘Reglement beoordeling omvang kosten’ (het Reglement) worden de kostendeclaraties die in het kader van de Vangnetregeling aan de Waarderingskamer voorgelegd worden, beoordeeld door de door de Waarderingskamer ingestelde ‘Commissie beoordeling omvang kosten’. De Commissie behandelt de verzoeken en besluit daaromtrent krachtens mandaat van de Waarderingskamer.

Bij brief van 19 december 2002 heeft verweerder de gemeenten geïnformeerd over de mogelijkheid van de Vangnetregeling gebruik te maken met behulp van de bij die brief gevoegde ‘Handreiking van de Commissie beoordeling omvang kosten ten behoeve van het op te stellen verzoek om een definitief oordeel over kosten gemaakt in het waarderingskostentijdvak 1999 tot en met 2002’ (de Handreiking).

Uit de op 3 juni 2004 door de Commissie opgestelde “Verantwoording van de Commissie beoordeling omvang kosten” (de Verantwoording), die als bijlage bij het voorgenomen primaire besluit is gevoegd, blijkt dat de Commissie de door de Colleges ingediende kostenopstellingen voor het tijdvak 1999 tot en met 2002 heeft getoetst op rechtmatigheid en redelijkheid.

Voor de beoordeling van de rechtmatigheid hanteerde de Commissie de vijf navolgende criteria:

1. de rekening moest zijn gebaseerd op het kasstelsel, hetgeen inhoudt dat in de kostendeclaratie alleen betalingen kunnen worden opgenomen die in de jaren van het kostentijdvak zijn gedaan;

2. de facturen zijn in overeenstemming met de opgevoerde bedragen in het rekenmodel en met de onderliggende contracten;

3. de kostendeclaratie klopt rekenkundig;

4. er zijn geen activiteiten/posten afzonderlijk opgevoerd die geacht worden in de opslag voor indirecte kosten te zijn verwerkt en

5. er zijn geen overige onregelmatigheden geconstateerd.

Voor de beoordeling van de redelijkheid hanteerde de Commissie de drie navolgende criteria:

1. kosten die ook ten behoeve van andere gemeentelijke taken waren gemaakt konden niet volledig worden toegerekend aan de waardering;

2. het door de Colleges gehanteerde uurtarief - de som van het uurtarief voor salariskosten plus de opslag voor indirecte kosten en huisvestingskosten - mocht in beginsel het bedrag van € 54,15 niet overschrijden;

3. bij vergelijking van de ingediende kostenopstellingen met kostenopstellingen van acht met elkaar vergelijkbare gemeenten, mocht de kostenopstelling niet méér bedragen dan 125% van het voor die - vergelijkbare - gemeenten voor 2003 vastgestelde, gemiddelde totaalbedrag.

Het College heeft zich allereerst gekeerd tegen – kort gezegd – de door verweerder gehanteerde waarderingssystematiek. In dit verband heeft het College, samengevat weergegeven, het volgende gesteld.

De keuze van de Commissie om een objectivering toe te passen bij de beoordeling van de redelijkheid van de gemaakte kosten is in strijd met het uitgangspunt van integrale kostenverrekening. Gezien laatstgenoemd uitgangspunt en het feit dat de bestuurlijke verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de Wet WOZ in volle omvang bij de gemeenten ligt, ligt een subjectieve toetsing van de kosten die de gemeente redelijkerwijs heeft moeten maken meer in de rede, aldus het College.

Voorts is er volgens het College maar één criterium dat de Commissie heeft gebruikt bij de vergelijking met andere gemeenten, namelijk het bijdragebedrag over 2003. Volgens het College kan niet gezegd worden dat de door de Commissie hierbij gehanteerde formule een verantwoorde inschatting is van de kosten die de gemeente redelijkerwijs heeft moeten maken. Het College bestrijdt het standpunt van de Commissie dat de formule voor de berekening van de bijdrage over 2003 geacht wordt het beste rekening te houden met de karakteristieke eigenschappen van de gemeente. In dit verband heeft het College er op gewezen dat de hoeveelheid werk die een gemeente moet verzetten niet zozeer afhankelijk is van het aantal objecten in een gemeente, maar juist van het aantal mutaties dat zich voordoet. De systematiek van de Commissie richt zich echter louter op het aantal objecten.

Verder heeft het College gesteld dat de keuze van de acht gemeenten geen enkele relatie heeft met de beoordeling van de redelijkheid van de gedeclareerde kosten, waardoor de gehanteerde systematiek van de Commissie berust op willekeur. De door de Commissie gekozen samenstelling van de vergelijkingsgemeenten is in het geval van het College van groot belang voor de hoogte van het bedrag van de maximaal redelijke kosten. Het besluit is bovendien in strijd met het gelijkheidsbeginsel omdat de gehanteerde systematiek tot gevolg heeft dat voor gemeenten die wél goed vergelijkbaar met elkaar zijn, grote verschillen bestaan tussen de berekende maximale kosten. In dit verband heeft het College een aantal alternatieve berekeningen gemaakt.

Ook kan het College zich niet vinden in het uitzonderen van de twee extremen bij het berekenen van de maximaal redelijke kosten. Binnen de relatief kleine groep van acht vergelijkingsgemeenten met een grote spreiding rond het gemiddelde neemt statistisch gezien de nauwkeurigheid van de berekening niet toe door de gemeente met de hoogste en die met de laagste kosten uit te zonderen. Bij het beoordelen van de redelijkheid van kosten aan de bovenkant van het kostenniveau – in plaats van het spiegelen aan de ‘best practice’ gemeente – moet alleen de gemeente met het kleinste procentuele verschil ten opzichte van de bijdrage over 2003 uit de berekening worden verwijderd, aldus het College.

Tevens heeft het College betoogd dat een oordeel over de redelijkheid van de gemaakte kosten alleen mogelijk is indien er een relatie met de kwaliteit van de uitvoering van de Wet WOZ wordt gelegd. De Commissie heeft op geen enkele wijze aandacht geschonken aan deze relatie door als enig criterium te hanteren de vergelijkbaarheid in de kostenverrekening volgens de systematiek van 2003. Dit nalaten leidt volgens het College tot willekeur.

Daarnaast blijkt volgens het College uit het hanteren van het opslagpercentage van 25% dat de Commissie zelf ook erkent dat de bijdrage over 2003 niet de juiste norm is om te beoordelen of de gemeente de waarderingskosten redelijkerwijs heeft moeten maken. Volgens het College had het op de weg van de Commissie gelegen om nader onderzoek te doen naar de twee aspecten die aanleiding hebben gegeven tot het hanteren van dit ophogingspercentage, te weten de verschillen in uitgangspunt bij het begin van het kostentijdvak en de verschillen die niet tot uitdrukking komen in de bijdrage over 2003. Door bij het College geen onderzoek te doen naar de achtergronden van de overschrijding van de 25%-norm, is er sprake van onzorgvuldige voorbereiding en is het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd. Volgens het College berust de gekozen norm van 25% als afwijzingsgrond bovendien op willekeur. Het had voor de hand gelegen dat de 25%-norm als indicator zou zijn gebruikt om in het specifieke geval van overschrijding van die norm een nader onderzoek te verrichten.

Het College heeft uit de handelwijze van verweerder voorts geconcludeerd dat er klaarblijkelijk sprake moet zijn van een overmachtsituatie, wil er binnen de gehanteerde systematiek sprake zijn van bijzondere feiten en omstandigheden. Een dergelijke toets is volgens het College onredelijk zwaar. Nu het College bovendien niet beschikt over kennis van de namens de andere gemeenten ingediende verzoeken in het algemeen en over informatie met betrekking tot de acht door de Commissie gekozen vergelijkingsgemeenten in het bijzonder, ligt het bovendien niet op de weg van het College om te onderbouwen waarom de gemeente meer kosten heeft gemaakt ten opzichte van de vergelijkings-gemeenten. Die bewijslast rust bij verweerder, zo heeft het College tot slot gesteld ter onderbouwing van het standpunt dat de gekozen systematiek niet redelijk is.

Voorts heeft het College naar voren gebracht dat, zo de gekozen systematiek de redelijkheidstoets al kan doorstaan, deze systematiek niet juist is toegepast.

Zo is er volgens het College in zijn geval sprake van bijzondere feiten en omstandigheden die verweerder ertoe hadden dienen te brengen af te wijken van de door laatstgenoemde gehanteerde maximering. De gemeente Venray was immers een wetsfictiegemeente, waardoor er achterstanden bestonden. Bovendien is eind 1998 aan de Waarderingskamer gemeld dat de kwaliteit van de objectgegevens onvoldoende waren. Dientengevolge heeft het College in het waarderingskostentijdvak 1999-2002 hoge kosten gemaakt om een inhaalslag te maken, zo is gesteld.

Daarnaast heeft het College gemotiveerd gesteld dat ten onrechte de gemeente Vlagtwedde als één van de vergelijkingsgemeenten heeft gediend, omdat voor Vlagtwedde een onjuist bedrag aan bijdrage over 2003 is gehanteerd.

De rechtbank oordeelt als volgt.

Allereerst overweegt de rechtbank dat eiseres ter zitting het door verweerder gehanteerde uurtarief niet langer bestrijdt. Verder is ter zitting door de rechtbank toegelicht waarom de door eiseres gedane verzoeken, ingediend voor de behandeling ter zitting, niet zijn gehonoreerd. Vervolgens overweegt de rechtbank als volgt.

Op grond van artikel 4a, onder b, van het Uitvoeringsbesluit, zoals dat van kracht was gedurende het waarderingskostentijdvak, diende de Waarderingskamer te beoordelen of de Colleges de voor dat tijdvak opgevoerde kosten van waardering redelijkerwijs hebben moeten maken. Nu verder niet in enige wettelijke regeling is vastgelegd wat onder ‘redelijkerwijs’ in deze zin verstaan dient te worden, heeft de wetgever de Waarderingskamer een grote mate van beoordelingsvrijheid gelaten. De rechtbank heeft het gebruik van deze vrijheid slechts terughoudend te toetsen.

De rechtbank is van oordeel dat in hetgeen door het College naar voren is gebracht geen aanleiding bestaat voor de conclusie dat verweerder vanwege de gekozen systematiek voor de beoordeling van de redelijkheid van de gemaakte kosten, meer specifiek de maximeringstoets, de hem toekomende beoordelingsvrijheid heeft overschreden.

Uit het bestreden besluit en de daarvan deel uitmakende Verantwoording blijkt dat de onder verantwoordelijkheid van de Waarderingskamer werkzame Commissie ter uitvoering van artikel 4a van het Uitvoeringsbesluit bij het bepalen van de kosten van de waardering die een gemeentebestuur redelijkerwijs moet maken een vaste werkwijze hanteert. De Commissie selecteert een groep van acht gemeenten die wat betreft het berekende 'totaalbedrag, gebaseerd op de bijdrage 2003', het meest vergelijkbaar zijn met de gemeente die om toepassing van de vangnetregeling heeft gevraagd. De samenstelling van de vergelijkingsgroep is gebaseerd op de bijdragen die de gemeenten vanaf 2003 ontvangen voor de uitvoering van de Wet WOZ, welke verdeling is geschied aan de hand van drie kostenbepalende factoren, te weten het aantal woningen, het aantal niet-woningen en het aantal adressen in het buitengebied. Van ieder van die gemeenten wordt het percentage hogere kosten in de periode 1999-2002 ten opzichte van het (omgerekende) bijdragebedrag 2003 vastgesteld. Na verwijdering van de twee extremen wordt een gemiddeld percentage hogere kosten bepaald. Bij de toetsing van de redelijkheid van de gemaakte kosten heeft de Commissie als criterium gesteld dat de gedeclareerde kosten, behoudens bijzondere omstandigheden, niet hoger mogen zijn dan 125% van het totaalbedrag, gebaseerd op de bijdrage 2003 van de betrokken gemeente vermeerderd met het gemiddelde percentage hogere kosten ten opzichte van het bedrag gebaseerd op bijdrage 2003.

Door deze vergelijking uit te voeren is naar het oordeel van de rechtbank een verantwoorde berekening gemaakt van de kosten die de gemeenten redelijkerwijs hebben moeten maken. Dat het hanteren van andersoortige criteria mogelijkerwijs meer recht kan doen aan de situatie van een individuele gemeente, maakt de maximeringstoets op zichzelf niet onredelijk. Van willekeur is daarmee evenmin sprake.

De rechtbank ziet zich in haar oordeel gesteund door een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 27 juni 2007 (zaaknummer 200609310/1, LJN BA8165, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl). Hierin is, voor zover thans relevant, geoordeeld dat de gekozen waarderingssystematiek een redelijk uitgangspunt vormt voor de beoordeling van de redelijkheid van de door een gemeente gemaakte waarderingskosten.

In dit verband volgt de rechtbank verweerder in zijn standpunt dat uit artikel 4a, aanhef en onder b, van het Uitvoeringsbesluit niet volgt dat sprake zou zijn van integrale kostenverrekening. Hierbij verwijst eveneens naar meergenoemde uitspraak van de Afdeling van 27 juni 2007, waarin is overwogen dat de Vangnetregeling een overgangsfase vormt naar een forfaitaire regeling die en wettelijke basis heeft in het Uitvoeringsbesluit.

Voorts kan de rechtbank zich vinden in verweerders standpunt dat er geen sprake is van willekeur. Alle gemeenten zijn gelijk behandeld en met de gekozen systematiek is zoveel mogelijk rekening gehouden met zowel de belangen van de gemeenten als met die van de andere afnemers. Hierbij heeft verweerder erop gewezen dat het systeem is gebaseerd op objectieve factoren die op basis van overleg tussen redelijk handelende partijen – de in de Waarderingskamer verenigde partijen – tot stand is gekomen.

Verder moet volgens verweerder het beroep van het College op het gelijkheidsbeginsel falen. Gekozen is om de vergelijkingsgroepen te baseren op het bijdragebedrag 2003, welk bedrag is gebaseerd op de tot op heden enige vastgestelde objectieve kostenbepalende factoren. Daardoor wordt in de opvatting van verweerder in voldoende mate recht gedaan aan het gelijkheidsbeginsel. Bij de samenstelling van de vergelijkingsgemeenten is volgens verweerder terecht geen rekening gehouden met de door de gemeenten gemaakte feitelijke kosten, aangezien deze kosten ook – soms in hoge mate – worden bepaalde door niet-objectieve factoren, zoals bijvoorbeeld achterstanden in de te hanteren bestanden. Daardoor houden de feitelijk gemaakte kosten ook niet per definitie gelijke tred met het bijdragebedrag over 2003. Aldus kan het voorkomen dat in bepaalde gevallen een gemeente met een hoger bijdragebedrag over 2003 een lager berekend bedrag aan maximaal redelijke kosten heeft dan een gemeente met een lager bijdragebedrag over 2003. In het door eiser gestelde ziet de rechtbank geen grond op voormeld standpunt van verweerder niet te volgen.

De rechtbank is tevens van oordeel dat verweerder ook geen aanleiding heeft hoeven zien om wegens bijzondere omstandigheden de maximeringstoets achterwege te laten. Niet gezegd kan worden dat met de door eiser naar voren gebrachte omstandigheden, waaronder onder meer de omstandigheid dat de gemeente Venray een zogenoemde wetsfictiegmeente is en de kwaliteit van de objectgegevens achterstand kende, niet reeds voldoende rekening is gehouden door het bepalen van de opslag van 25%.

Desondanks is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven, nu er volgens haar anderszins sprake is geweest van een gebrekkige uitvoering van de maximeringstoets.

Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt.

Zoals reeds overwogen heeft het College ook gesteld dat ten onrechte de gemeente Vlagtwedde als één van de vergelijkingsgemeenten heeft gediend, daar voor Vlagtwedde een onjuist bijdragebedrag over 2003 is gehanteerd.

Verweerder heeft dit gegeven blijkens het bestreden besluit en het verweerschrift irrelevant geacht, omdat de gemeente Vlagtwedde als extreme gemeente buiten aanmerking is gebleven.

Dit standpunt van verweerder volgt de rechtbank niet.

Indien wordt uitgegaan van de juiste bijdragenbedragen over 2003, wijzigt de samenstelling van de acht vergelijkingsgemeenten. Bijgevolg kunnen, afhankelijk van de hoogte van de desbetreffende bijdragenbedragen over 2003, andere gemeenten als extreme buiten de berekening worden gelaten, hetgeen uiteindelijk weer van invloed is op de hoogte van de maximaal redelijke kosten. Alleen indien de vervangende gemeente eveneens als extreme buiten aanmerking moet worden gelaten, wijzigt de hoogte van de maximaal redelijke kosten niet. Deze laatste situatie doet zich in het geval van het College evenwel niet voor. In dit verband heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat zijdens verweerder ter zitting desgevraagd is erkend dat het op gegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek gebaseerde bijdragebedrag 2003 voor de gemeente Vlagtwedde, waarvan bij de maximeringstoets is uitgegaan, onjuist is. Tevens is zijdens verweerder desgevraagd ter zitting bevestigd dat de gemeente Huizen in casu als vervangende vergelijksgemeente dient te worden gehanteerd, indien de gemeente Vlagtwedde ten onrechte als vergelijkingsgemeente in de maximeringstoets is meegenomen. Voorts is zijdens verweerder bevestigd dat de door het College uitgevoerde berekening met de gemeente Huizen als vergelijkingsgemeente in plaats van de gemeente Vlagtwedde (bijlage 18 bij de gronden van het beroep) correct is en in dat geval sprake is van een voor het College gunstigere uitkomst.

Verweerder heeft ter zitting nog naar voren gebracht dat met de desbetreffende bewindspersoon (de Minister van Financiën) is afgesproken bij de maximeringstoets de oorspronkelijke bijdragenbedragen over 2003 te blijven hanteren, ook al zijn deze bedragen deels onjuist. Deze afspraak zou volgens verweerders gemachtigde zijn neergelegd in een niet nader genoemde Ministeriële regeling. De rechtbank acht het allereerst laakbaar dat verweerder zolang in de procedure heeft volgehouden dat is uitgegaan van correcte bedragen, terwijl dit – gelet op vorenvermelde afspraak – niet geheel het geval was en verweerder dit ook wist. Verweerder miskent naar dezerzijds oordeel met deze opvatting ook volstrekt dat hij een eigen verantwoordelijkheid heeft in deze en dat het op de weg van verweerder ligt zijn handelwijze in deze deugdelijk te motiveren. Het zich enkel beroepen op een, bovendien voor derden niet kenbare afspraak, acht de rechtbank in dit verband volstrekt onvoldoende. De rechtbank vermag ook niet in te zien welke ratio voor een dergelijke handelwijze is te bedenken indien immers duidelijk is wat wel de juiste bijdragebedragen zijn.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat aan het bestreden besluit een zorgvuldigheidsgebrek en een motiveringsgebrek kleven en het besluit bijgevolg vernietigd dient te worden.

De rechtbank acht verder termen aanwezig om verweerder op grond van het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten die het College redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van dit beroep, een en ander overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

Door het College is verzocht om verweerder op grond van het bepaalde in artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht te veroordelen in de volledige proceskosten van het geding, zijnde in totaal € 16.224,92.

Van bijzondere omstandigheden als bedoeld in vorenvermeld artikellid is naar dezerzijds oordeel evenwel geen sprake. Dat het College, zoals ter zitting desgevraagd naar voren is gebracht, bijzonder teleurgesteld is over de wijze waarop verweerder het bezwaar heeft afgehandeld, wat hier verder ook van zij, is geen bijzondere omstandigheid als bedoeld in die bepaling. Voor zover de opgevoerde kosten betrekking hebben op de bezwaarfase, komen deze bovendien niet voor vergoeding in aanmerking omdat hierom niet reeds in de bezwaarfase is gevraagd. Blijkens artikel 7:15, derde lid, van de Awb moet het verzoek om vergoeding van die kosten immers worden gedaan voordat het bestuursorgaan op het bezwaar heeft beslist.

Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen in beroep worden twee punten toegekend (één punt voor het indienen van het beroepschrift en één punt voor het verschijnen ter zitting) met een waarde van € 322, per punt. Het gewicht van de zaak wordt bepaald op zwaar, hetgeen correspondeert met de wegingsfactor anderhalf.

Voorts acht de rechtbank termen aanwezig verweerder te veroordelen tot terugbetaling van het door het College gestorte griffierecht ad € 276,-.

Mitsdien wordt beslist als volgt.

III. BESLISSING

De rechtbank te Roermond:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit van 24 november 2005;

bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt op het bezwaar van 13 juli 2005 met in achtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van het College begroot op € 966, (zijnde de kosten van rechtsbijstand) te vergoeden door verweerder;

bepaalt dat verweerder aan het College het gestorte griffierecht ten bedrage van € 276,- volledig vergoedt.

Aldus gedaan door mrs. F.H. Machiels (voorzitter), V.P. van Deventer en L.M.J.A. barones van Hövell tot Westerflier-Dassen in tegenwoordigheid van mr. W.A.M. Bocken als griffier en bij afwezigheid van voornoemde griffier in aanwezigheid van L.M.W. Ottenheim als griffier in het openbaar uitgesproken op 17 september 2007.

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

verzonden op:

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Ingevolge artikel 6:5 van de Awb bevat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak en moet een afschrift van de uitspraak bij het beroepschrift worden overgelegd.