Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2007:BB9664

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
31-10-2007
Datum publicatie
07-12-2007
Zaaknummer
183165 \ PZ VERZ 06-5
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Pachtzaak. Inhoud: toepassing overgangsrecht 1995 en 2007 op perceel groter dan 0,25 maar kleiner dan 1 ha. Toepassing billijkheidsregel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector kanton

Zaaknummer: 183165 \ PZ VERZ 06-5

Beschikking van de pachtkamer te Venlo d.d. 31 oktober 2007

in de zaak van:

[verzoeker], wonende te [adres],

verzoeker,

gemachtigde: A.A.T. Stoffels,

tegen:

1. [verweerder], wonende te [adres],

2. [verweerder], wonende te [adres],

verweerders,

1. Het verloop van de procedure

De pachtkamer doet recht op:

• het verzoek pachtverlenging van [verzoeker] d.d. 13 december 2006;

• het verweerschrift van [verweerder] d.d. 15 juni 2006;

• de pleitnota van [verzoeker] d.d. 23 augustus 2007;

• de pleitnota van [verweerder] d.d. 23 augustus 2007;

• de mondelinge behandeling van 23 augustus 2007;

• de door partijen overgelegde producties.

De zaak is daarna op beschikking gesteld, waarvan de uitspraak is bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten:

Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, alsmede op grond van de niet betwiste inhoud van de overlegde bescheiden staat – voor zover thans van belang – het navolgende vast:

2.1. [verzoeker] heeft met ingang van 1 juli 1983 van [verweerder] c.s. (de rechtsvoorganger) schriftelijk gepacht het perceel tuinland groot 31 a 50 ca, kadastraal bekend [kadastrale gegevens] tegen (toen: fl. 100 per jaar. Deze pachtovereenkomst is aangegaan voor zes jaren en vijf maanden, ingaande 1 juli 1983 en eindigende 30 november 1989. Deze pachtovereenkomst is op 24 augustus 1983 door de Grondkamer goedgekeurd onder nr. 89191. De pachtovereenkomst eindigt, na verlengingen, per 30 november 2007.

2.2. [verweerder] c.s. ([verweerder sub 1] als [HJ]) heeft bij aangetekende brief d.d. 15 november 2006 kenbaar gemaakt dat zij de verlenging van de pachtovereenkomst niet wil.

2.3. [verzoeker] heeft hiertegen geprotesteerd en bij de pachtkamer te Venlo een verzoek om verlenging ingediend.

3. Het verzoek van [verzoeker]:

[verzoeker] verzoekt verlenging van de pachtovereenkomst. Daartoe voert [verzoeker] zakelijk samengevat het volgende aan.

3.1. Het gepachte dient voor de uitloop van paarden van zijn paardenstalling en voor de winning van gras; voor een wezenlijk deel van zijn exploitatie is [verzoeker] op het pachtperceel aangewezen.

3.2. [verweerder] c.s. geeft op geen enkele wijze aan wat zij met het perceel wil. [verweerder] c.s. heeft geen agrarisch belang.

3.3. Het perceel “tuinland” is al decennia lang in gebruik als weiland; tegen dit gebruik is nimmer bezwaar gemaakt.

3.4. Het perceel is niet verontreinigd.

4. Het verweer van de [verweerder] c.s.:

[verweerder] c.s. voert tegen het verlengingsverzoek het volgende aan.

4.1. [verweerder] c.s. ([verweerder sub 2]) wil als VUT-gerechtigde het perceel in gebruik nemen en daardoor inkomsten verwerven.

4.2. Het gebruik van het perceel als paardenuitloop in plaats van tuinland is zeer slecht voor de grond.

4.3. De tuinbouwkas wordt voor caravanstalling gebruikt.

4.4. In 2003 zijn er verbrandingsresten aangetroffen.

4.5. De toegang tot het perceel is afgesloten.

4.6. Het perceel is niet nodig voor de bedrijfsvoering van [verzoeker].

5. De beoordeling van het verzoek

5.1. Ambtshalve stelt de pachtkamer vast dat er twee overgangsrechtelijke problemen zijn: de wetswijziging van 2007 en die van 1995. Kortweg gezegd gaat het hier om de vraag of onder de oude Pachtwet (geldig tot 1 september 2007) de oude verlengingsprocedure van toepassing is omdat het pachtperceel kleiner is dan 1 ha, maar de pachtovereenkomst dateert van voor 1995 (rov. 5.2 – 5.7). De tweede te beantwoorden overgangsvraag is of de nieuwe Pachtbepalingen (1 september 2007) processuele en / of materiële consequenties hebben voor deze zaak (rov. 5.8 – 5.10).

5.2. Artikel 58 lid 1 Pachtwet oud (vervallen op 1 september 1 augustus 2007) bepaalde dat de bepalingen van de artikelen 2-15, 16, 19 (de vorm van de pachtovereenkomst, haar toetsing, de niet schriftelijk vastgelegde en niet ter goedkeuring ingezonden pachtovereenkomsten, de duur van de pachtovereenkomst, de pachtprijs), 30, 31, derde lid, 31, 33 (overige rechten en plichten uit de pachtovereenkomst), 36-49a (de verlenging van de pachtovereenkomst), 54, tweede t/m twaalfde lid (einde van de pachtovereenkomst), en 56a-56i (het voorkeursrecht van de pachter) niet van toepassing zijn op pachtovereenkomsten betreffende los land, hetwelk niet groter is dan één hectare.

5.3. Het pachtperceel is 31 a 50 ca groot. De pachtovereenkomst dateert van 1 juli 1983.

5.4. Vóór de wetswijziging van 31 oktober 1995 was de oppervlaktegrens 0,25 ha. Na die datum was de oppervlakte 1 ha. De overgangsregeling luidt: 'Pachtovereenkomsten, die lopen op het tijdstip van inwerking¬treding van deze wet en na dit tijdstip vallen onder de termen van artikel 58 zoals dit dan luidt, blijven beheerst worden door de Pachtwet zoals deze luidde vóór de inwerkingtreding van deze wet, met uitzondering van de artikelen 19 en 56i.'

5.5. Art. 58 lid 1 Pw oud luidde van 01-11-1984 tot 30-10-1995: De bepalingen van de artikelen …. 36-49 (pachtkamer: de verlenging van de pachtovereenkomst) ….. zijn niet van toepassing op pachtovereenkomsten betreffende los land, hetwelk niet groter is dan 25 are”.

5.6. De pachtkamer overweegt dat gelet op art. 58 lid Pachtwet oud van 1 november 1984 tot 1 november 1995 de verlengingsprocedure op de onderhavige pachtovereenkomst van toepassing was.

5.7. Gelet op de overgangswetgeving (rov. 5.4) is art. 58 lid 1 Pachtwet oud van kracht gebleven, zodat de verlengingsprocedure na 1 november 1995 nog steeds gold ook al was het perceel kleiner dan 1 ha maar groter dan 25 ca..

5.8. Bij Wet van 26 april 2007, Stb. 163 is de titel 7.5 (pacht) met ingang van 1 september 2007 in het Burgerlijk Wetboek ingevoerd. De Pachtwet is afgeschaft. De nieuwe pachttitel kent geen eigen overgangsrecht. Daarom zijn de algemene bepalingen Overgangswet nieuw BW van toepassing. De vraag is of het nieuwe (huidige) recht zonder verlengingsprocedure of het oude recht met verlengingsprocedure geldt.

5.9. Art. 74 lid Overgangswet luidt: “Het van toepassing worden van de wet heeft geen gevolg voor de bevoegdheid van de rechter voor wie voordien een geding is aangevangen, noch voor de aard van het geding en voor de rechtsmiddelen tegen de uitspraak.” Art. 74 Overgangswet bevat zowel procesrecht als materieel recht. De “aard van het geding” verwijst zowel naar het procesrecht (de verlengingsprocedure) als de materiële rechten (de pacht, de opzegging, de verlenging) die daaraan ten grondslag liggen. De pachtkamer sluit zich aan bij de inhoud van de brief d.d. 2 april 2007 van regeringscommissaris mr. P. Neleman aan de Minister van Justitie naar aanleiding van dit overgangsrechtelijke probleem (Handelingen EK).

5.10. Het onderhavige verzoekschrift is ingediend voor 1 september 2007. Het verweerschrift is ingediend voor 1 september 2007. De procedure liep nog op 1 september 2007. Gelet op rov. 5.9. is het oude recht (de Pachtwet oud zoals die luidde van 1995 tot 1 september 2007) van toepassing op deze zaak.

5.11. Onder dit oude pachtrecht zijn voor beslechting van deze zaak de artikelen 38, 39 en 41 Pw van belang.

5.12. Art. 38 Pw oud:” De pachtkamer beslist op een verzoek om verlenging naar billijkheid, met inachtneming evenwel van de bepalingen van deze paragraaf. “

5.13. Beslissen naar billijkheid betekent in de praktijk dat de belangen van pachter en verpachter tegen elkaar worden afgewogen. Daarbij gaat het zwaarstwegende voor. Daarbij vallen onder meer af te wegen:

• of het verlies van het gepachte pachters maatschappelijke bestaan bedreigt;

• zijn positieve bij de beoordeling naar billijkheid af te wegen belang bij het genot

van de opbrengst;

• of dit belang opweegt tegen dat van de verpachter bij het pachtvrij worden;

• het belang van de pachter om de (geringe) inkomsten uit zijn bedrijf te behouden;

• het concrete en duidelijke belang van de pachter: een zeer aanmerkelijke

vermindering van zijn bedrijfsopbrengst;

• of de pachter bij verlies van het gepachte de grondslag van zijn

maatschappelijke bestaan in feite geheel ontnomen worden;

• het economische te verwaarlozen belangen van de pachter;

• het onzekere belang van de verpachter om door het voorgenomen gebruik een

oudedagsvoorziening te krijgen, waarvan de nood¬zaak bovendien niet is vastgesteld;

• economisch aanmerkelijke belangen aan de kant van de verpachter.

5.14. Op de billijkheidsregel van art. 38 Pw oud bestaan een aantal principiële uitzonderingen: art. 38a Pw oud (bereiken 65-jarige leeftijd; niet gehandhaafd na 1 september 2007), art. 39 Pw oud (onbetamelijke bedrijfsvoering), 40 Pw oud (bestemming niet-agrarisch) en 41 Pw oud (persoonlijk gebruik door verpachter).

Art. 41 Pw oud: “De pachtkamer wijst, behoudens het in het volgende lid bepaalde, het verzoek af, indien de verpachter of de echtgenoot of geregistreerde partner, een bloed- of aanverwant in de rechte lijn of een pleegkind van de verpachter het verpachte persoonlijk voor een tot de landbouw betrekkelijk doel in gebruik wil nemen.

2. Nochtans beslist de pachtkamer naar billijkheid, indien:

(…..)

b. door het verlies van het gepachte de grondslag van het maatschappelijk bestaan van de pachter ernstig zou worden aangetast en het persoonlijk gebruik voor de verpachter, voor zijn echtgenoot of geregistreerde partner, voor zijn bloed- of aanverwant of voor zijn pleegkind niet van overwegende betekenis is.”

Art. 39 Pw oud: “De pachtkamer wijst het verzoek af, indien de bedrijfsvoering van de pachter niet geweest is, zoals het een goed pachter betaamt of het optreden van de pachter jegens de verpachter in de afgelopen pachtperiode aanleiding heeft gegeven tot gegronde klachten.”

5.15. [verzoeker] heeft aan zijn verzoek onder meer ten grondslag gelegd dat hij voor een wezenlijk deel van zijn exploitatie op het pachtperceel aangewezen. Deze stelling wordt door [verweerder] c.s. bestreden. De pachtkamer stelt vast dat [verzoeker] geen exploitatiecijfers waaruit zijn stelling kan worden afgeleid, heeft overgelegd. Bijgevolg kan de pachtkamer ook moeilijk beoordelen aan wiens kant het gelijk ligt.

5.16. De pachtkamer zal [verzoeker] dan ook opdragen zijn exploitatiecijfers van de laatste drie jaren over te leggen. [verzoeker] zal daarbij voldoende duidelijk moeten aangeven welk deel van de exploitatie het onderhavige gepachte bijdraagt.

5.17. In afwachting van de over te leggen cijfers houdt de pachtkamer iedere verdere beslissing aan.

BESCHIKKENDE:

De pachtkamer:

Draagt [verzoeker] op de exploitatiecijfers als vermeld in rov. 5.16 in tweevoud over te leggen uiterlijk op 28 november 2007;

Houdt iedere verdere beslissing aan.

Aldus gegeven op 31 oktober 2007 door de pachtkamer voornoemd, bestaande uit de heren mr. O.M. de Lange, kantonrechter-voorzitter, H.W.M. Suilen en R. Verhoeven, leden, in tegenwoordigheid van de griffier.