Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2007:BB5560

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
09-10-2007
Datum publicatie
15-10-2007
Zaaknummer
04/650102-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Als penningmeester van het kerkbestuur zich gelden van de kerk toe-eigenen en uit hoofde van zijn persoonlijke diensbetrekking van/als manager private banking of accountmanager van de Rabobank Helden-Kessel-Maasbree gelden verduisteren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Parketnummer : 04/650102-06

Uitspraak d.d. : 9 oktober 2007

TEGENSPRAAK.

VONNIS

van de rechtbank Roermond, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

naam : [verdachte]

voornamen : [voornamen]

geboren op : [geboortedatum en -plaats]

adres : [adres]

plaats : [woonplaats]

1. Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 25 september 2007.

2. De tenlastelegging

De verdachte staat terecht ter zake dat:

1.

hij meermalen, althans eenmaal, in of omstreeks de periode van 1 januari 2001 tot en met 27 september 2006 in de gemeente(n) Kessel en/of Helden, in elk geval in Nederland, (telkens) opzettelijk een hoeveelheid geld (tot vermoedelijk een totaal bedrag van Euro 356.408,99), geheel of ten dele toebehorende aan de R.K. Parochie Onze Lieve Vrouw Geboorte te Kessel, in elk geval (telkens) aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk geld verdachte (telkens) anders dan door misdrijf, te weten als penningmeester van het kerkbestuur van die Parochie, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

(artikel 321 Wetboek van Strafrecht)

2.

hij meermalen, althans eenmaal, in of omstreeks de periode van 23 februari 2006 tot en met 01 september 2006, in elk geval in het jaar 2006, te Panningen, althans in de gemeente Helden, in elk geval in Nederland, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een hoeveelheid geld (tot een totaal bedrag van Euro 44000.-), in elk geval enig goed, (telkens) geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde], in elk geval (telkens) aan een ander of anderen dan aan verdachte;

(artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht)

Althans indien terzake het vorenstaande onder 2 geen veroordeling zou volgen:

hij meermalen, althans eenmaal, in of omstreeks de periode van 23 februari 2006 tot en met 01 september 2006, in elk geval in het jaar 2006, te Panningen, althans in de gemeente Helden, in elk geval in Nederland, (telkens) opzettelijk een hoeveelheid geld (tot een totaal bedrag van Euro 44000.-), dat (telkens) geheel of ten dele toebehoorde aan [benadeelde], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk geld verdachte (telkens) uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking van/als manager private banking of accountmanager van de Rabobank Helden-Kessel-Maasbree, in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

(artikel 322 van het Wetboek van Strafrecht)

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3. De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4. De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5. De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen.

6. Schorsing der vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

7. Bewijsoverwegingen

7.1 Standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 25 september 2007 gevorderd dat het onder 1 en 2 primair ten laste gelegde zal worden bewezen verklaard.

De verdediging heeft naar voren gebracht dat feit 1 en feit 2 primair kan worden bewezen verklaard.

7.2 Bewijsmiddelen en overwegingen van de rechtbank

De overtuiging van de rechtbank dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de volgende bewijsmiddelen.

De hieronder vermelde bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit, waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

De genoemde geschriften zijn slechts gebruikt in verband met de inhoud van de overige bewijsmiddelen.

7.3.1 De bewijsmiddelen, standpunt van de rechtbank en bewezenverklaring

Gelet op de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van

25 september 2007, de aangifte van [aangever] d.d. 29 september 2006 en de mede aan die aangifte ten grondslag liggende geschriften (feit 1) en de aangifte van de heer [benadeelde] d.d. 29 september 2006 (feit 2) acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het sub 1 en sub 2 primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij meermalen in de periode van 1 januari 2001 tot en met 27 september 2006 in Nederland, telkens opzettelijk een hoeveelheid geld (tot een totaal bedrag van Euro 356.408,99) toebehorende aan de R.K. Parochie Onze Lieve Vrouw Geboorte te Kessel, welk geld verdachte telkens anders dan door misdrijf, te weten als penningmeester van het kerkbestuur van die Parochie, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

2.

hij meermalen in de periode van 23 februari 2006 tot en met 01 september 2006, in elk geval in het jaar 2006, te Panningen, telkens met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een hoeveelheid geld (tot een totaal bedrag van Euro 44.000.-), telkens toebehorende aan [benadeelde].

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen.

Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

8. Kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het ten laste van verdachte bewezenverklaarde levert op de navolgende misdrijven:

Ten aanzien van feit 1:

verduistering

ten aanzien van feit 2:

diefstal

Het misdrijf sub 1 is strafbaar gesteld bij artikel 321 van het Wetboek van Strafrecht.

Het misdrijf sub 2 is strafbaar gesteld bij artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht.

9. De strafbaarheid van verdachte

De verdachte is strafbaar voor het bewezenverklaarde nu niet is gebleken van enige omstandigheid die verdachtes strafbaarheid opheft.

10. De straffen en/of maatregelen

10.1 De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij gelegenheid van de terechtzitting op 25 september 2007 met betrekking tot de op te leggen hoofdstraffen gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1 en onder 2 primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de tijd van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en een onvoorwaardelijke werkstraf voor de duur van 240 uur subsidiair 120 dagen hechtenis met aftrek ex artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

10.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van de gevorderde straf aangevoerd dat de verdediging van mening is dat de officier van justitie en goed overwogen eis heeft geformuleerd.

10.3 De overwegingen van de rechtbank

Ten laste van verdachte zijn bewezen verklaard het verduisteren van gelden waarover hij kon beschikken, gedurende een periode van ruim vijf jaren en het meermalen wegnemen van gelden die in eigendom waren van een hem bevriende zakelijke relatie. In totaal is er ongeveer € 356.000,00 door verdachte verduisterd en heeft hij een bedrag van € 44.000,00 gestolen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is verder gebleken dat verdachte, alvorens hij overging tot het verduisteren van gelden van de kerk en later tot het wegnemen van gelden van de bevriende zakenrelatie, eerst gelden van de spaarrekeningen van zijn echtgenote en kinderen heeft weggenomen. Uit het onderzoek ter terechtzitting is verder naar voren gekomen dat hij de door hem weggenomen gelden heeft gebruikt om zijn gokverslaving te kunnen bekostigen en in stand te houden. Tijdens de terechtzitting heeft verdachte aangegeven dat hij dagelijkse de wens had om te stoppen met gokken, doch dat het hem niet lukte dat op eigen kracht te doen. Pas toen zijn handelen, het verduisteren en wegnemen van geld, bekend werd heeft verdachte hulp gezocht om van zijn verslaving af te komen.

Verdachte kon over de gelden van de kerk beschikken in zijn hoedanigheid van penningmeester van het kerkbestuur en heeft van meerdere rekeningen van het kerkbestuur geld verduisterd. Het bestuur en ook het bisdom Roermond had zoveel vertrouwen in verdachte dat hij in de functie van penningmeester werd benoemd.

Uit hoofde van deze functie was verdachte op de hoogte van de financiële situatie van de parochie en wist hij ook dat er een rekening was die bij slechts weinigen bekend was, de zogenaamde ‘zwarte’ rekening; hij wist ook dat de mutaties van deze rekening niet werden gecontroleerd omdat deze rekening niet in de boekhouding van de kerk terug te vinden was. Om ontdekking te voorkomen heeft verdachte er bewust voor gekozen om met name gebruik te maken van deze rekening. Nadat de gelden van deze rekening waren opgemaakt, diende verdachte een andere geldbron aan te boren. Verdachte wist dat mutaties van de andere rekeningen van de parochie ter kennis kwamen van bestuursleden van het kerkbestuur, zodat verdachte besloot geen gelden van rekeningen van de kerk te gebruiken voor het bekostigen van zijn verslaving.

Verdachte had al jaren vanuit zijn functie als accountmanager van de Rabobank zakelijke en uiteindelijk vriendschappelijke contacten met de heer [benadeelde].

Blijkens de aangifte van de heer [benadeelde] had deze veel vertrouwen in verdachte. Binnen het gezin [benadeelde] werd verdachte zelfs gezien als een vertrouwens-persoon: bij alle zakelijke/financiële activiteiten werd verdachte betrokken.

Door het handelen van verdachte zoals bewezen verklaard, is het vertrouwen dat veel personen in verdachte hadden, zeer ernstig geschaad. Niet alleen het kerkbestuur, de parochianen en de familie [benadeelde], doch ook zijn vrouw en kinderen zullen hevig in hem teleurgesteld zijn. Zijn vrouw en kinderen zijn hun huis, spaargeld, inkomen en maatschappelijke status kwijtgeraakt en de kerk is een behoorlijke financiële reserve kwijtgeraakt.

Het ontdekken van verdachtes handelen heeft ook voor hem de nodige gevolgen gehad. Verdachte is zijn goedbetaalde baan en zijn huis kwijtgeraakt, en min of meer ook zijn gezin. Verdachte heeft inmiddels weer werk, doch op een beduidend lager niveau dan in het verleden. Het inkomen dat hij uit dat werk genereert, is zelfs niet voldoende om de rente die hij over zijn schulden moet betalen, te voldoen. Verdachte zal nog vele jaren geconfronteerd worden met de gevolgen van zijn strafbaar handelen.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op de ernst en de aard van de feiten, mede gelet op het door verdachte toegebrachte financiële nadeel, in beginsel een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van enige omvang op zijn plaats is.

Gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals hierboven omschreven zal de rechtbank van de op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf het grootste deel voorwaardelijk opleggen. De rechtbank houdt hierbij ook rekening met het feit dat verdachte zichzelf uiteindelijk gemeld heeft bij de politie, hij volledige openheid van zaken heeft gegeven en inzicht heeft getoond in de verwerpelijkheid van zijn handelen. Tevens heeft hij zich ingezet om een overzicht van de ontvreemde gelden op te zetten en een terugbetalingsregeling te treffen en heeft hij jegens de slachtoffers spijt betuigd. Bovendien is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf tot gevolg zou hebben dat verdachte zijn gezin niet meer financieel kan ondersteunen en niet meer kan werken aan de aflossing van zijn schulden, hetgeen niet wenselijk is.

Met het opleggen van een deels voorwaardelijke vrijheidsstraf wordt de strafoplegging ook dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Om verdachte te steunen in zijn voornemen niet meer in herhaling te vervallen - verdachte gaf tijdens de terechtzitting aan dat de drang om te gaan gokken met enige regelmaat nog aanwezig is - zal de rechtbank aan de voorwaardelijke straf een bijzondere voorwaarde verbinden, namelijk de voorwaarde dat verdachte

zich gedurende maximaal de periode van de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen en voorschriften die hem zullen worden gegeven door of namens de GGZ Groep Noord- en Midden-Limburg, Justitiële Verslavingszorg Limburg, zolang deze instelling dat noodzakelijk acht.

De rechtbank is van oordeel dat naast de gevangenisstraf een taakstraf in de vorm van een werkstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, een gepaste bestraffing vormt en in dit geval een bijdrage kan leveren aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

De rechtbank zal het aantal te werken uren onbetaalde arbeid stellen op 240 en bevelen dat, voor het geval de taakstraf niet naar behoren wordt verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 dagen.

11. Toepasselijke wetsartikelen

Na te melden beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 9, 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 27, 57, 310, 321

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 en 2 primair ten laste gelegde feiten zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

verstaat dat het aldus bewezenverklaarde de hiervoor vermelde strafbare feiten oplevert en verklaart verdachte ter zake strafbaar;

veroordeelt verdachte tot een taakstraf, te weten een werkstraf voor de duur van tweehonderdveertig uren, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid;

beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, vervangende hechtenis voor de duur van honderdtwintig dagen zal worden toegepast;

verstaat dat de taakstraf uiterlijk 1 jaar nadat dit vonnis onherroepelijk is geworden, zal zijn voltooid;

veroordeelt verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde voorts tot een gevangenisstraf voor de tijd van honderdtweeëntachtig dagen;

beveelt dat van deze gevangenisstraf honderdtachtig dagen niet zullen worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt bepaald op twee jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel gedurende die proeftijd de hierna te melden bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende maximaal de periode van de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen en voorschriften die hem zullen worden gegeven door of namens de GGZ Groep Noord- en Midden-Limburg, Justitiële Verslavingszorg Limburg, zolang deze instelling dat noodzakelijk acht, met opdracht aan die instelling aan de verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze bijzondere voorwaarde.

Vonnis gewezen door mrs. L.P. Bosma, Y.J.C.A. Roeffen en C.C.W.M. Aretz, rechters, van wie mr. Y.J.C.A. Roeffen voorzitter, in tegenwoordigheid van J.A.H. Bicker als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op

9 oktober 2007.