Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2007:BB5355

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
02-10-2007
Datum publicatie
11-10-2007
Zaaknummer
07/619 GEMWT K1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afzien van handhavend optreden op grond van onevenredigheid is in het onderhavige geval, waarin de vestiging van de coffeeshops in het bewuste pand in strijd is met het bestemmingsplan, de overtreding voortdurend plaatsvindt en sprake is van beduidende ruimtelijke effecten, en niet kan worden gesproken van een zogeheten 'bagatelovertreding', in strijd met de jurisprudentie. Ook in de door verweerder gestelde negatieve gevolgen van sluiting van de betrokken coffeeshops ziet de rechtbank onvoldoende grond om onevenredigheid als eerder bedoeld aanwezig te achten, zulks reeds omdat verweerder geen onderzoek heeft uitgevoerd waaruit blijkt dat thans geen enkele alternatieve locatie voor de coffeeshops beschikbaar is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Horeca 2007/2135
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK Roermond

meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

UITSPRAAK

Procedurenr.: 07 / 619 GEMWT K1

Inzake : [Eisers], wonende te Venlo, eisers,

tegen: het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Venlo, verweerder.

Datum en aanduiding van het bestreden besluit:

de brief d.d. 6 maart 2007,

kenmerk: COBMJ/07-4051.

Datum van behandeling ter zitting: 23 augustus 2007.

I. PROCESVERLOOP

Bij brief van 25 april 2005 heeft mr. G.L.M. Teeuwen zich namens eisers tot verweerder gewend met het verzoek om handhavend op te treden tegen de exploitatie van twee coffeeshops in het pand aan de [adres] te Venlo (verder: het pand), nu deze exploitatie in strijd is met het vigerende bestemmingsplan (verder: het bestemmingsplan). Bij besluit van 4 juli 2005 heeft verweerder het verzoek tot handhaving afgewezen. Het tegen dit besluit ingediende bezwaarschrift is bij besluit van 5 oktober 2005 ongegrond verklaard.

Tegen dat laatste besluit is bij deze rechtbank beroep ingesteld.

Bij uitspraak van 28 maart 2006 heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat verweerder een nieuw besluit moest nemen. Tegen deze uitspraak is hoger beroep ingesteld door verweerder.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) heeft vervolgens bij uitspraak van 21 februari 2007 de aangevallen uitspraak bevestigd, waarna verweerder bij besluit van 6 maart 2007 de bezwaren enerzijds gegrond heeft verklaard en anderzijds heeft besloten van handhaving af te zien.

Tegen het nieuw genomen besluit op bezwaar is beroep ingesteld op 27 april 2007, aangevuld met nadere gronden op 2 mei 2007.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan de gemachtigde van eisers gezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 23 augustus 2007, waar eiseres is verschenen, bijgestaan door mr. G.L.M. Teeuwen en waar verweerder zich heeft laten vertegenwoordigen door J.M.G. Vincken.

II OVERWEGINGEN

Eisers wonen aan de Bevrijdingsweg 32 te Venlo. Op 17 juli 2004 heeft de burgemeester van Venlo vergunning verleend voor de exploitatie van 2 coffeeshops aan de [adres] te Venlo, ook wel genoemd het “Schwanenhaus”.

Bij brief van 25 april 2005 hebben eisers aan verweerder verzocht om handhavend op te treden tegen de met het bestemmingsplan strijdige situatie die volgens eisers wordt veroorzaakt door de exploitatie van de coffeeshops. Aan hun verzoek legden eisers ten grondslag dat ter plaatse een agrarische bestemming geldt. Volgens eisers doet het feit dat reeds in 1985 vergunning werd verleend tot het exploiteren van een wegrestaurant in het pand hier niet aan af.

Verweerder heeft besloten niet over te gaan tot handhaving. Aan dit besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat in 1985 vrijstelling van het bestemmingsplan is verleend voor het in gebruik nemen van de locatie voor horecadoeleinden. Nu ook een coffeeshop valt onder het begrip horecadoeleinden, valt het exploiteren van twee coffeeshops in het pand onder de vrijstelling. Het exploiteren van coffeeshops in het pand is derhalve toegestaan.

In het kader van het tegen het besluit van verweerder ingestelde beroep, heeft de rechtbank bij uitspraak van 28 maart 2006 onder meer geoordeeld dat de omstandigheid dat een wegrestaurant is geëxploiteerd nadat toepassing was gegeven aan artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, niet wegneemt dat ten aanzien van het pand het bestemmingsplan is blijven gelden, zij het dat op grond van de krachtens artikel 19 verleende vrijstelling mag worden afgeweken van dat plan, mits binnen de grenzen die zijn aangegeven of geïmpliceerd in deze vrijstelling. Enkel indien het nieuwe gebruik geacht kan worden rechtstreeks voort te vloeien uit deze vrijstelling, kan het er naar het oordeel van de rechtbank onder vallen.

De rechtbank oordeelde voorts dat een coffeeshop niet op een lijn is te stellen met een wegrestaurant. De ruimtelijke uitstraling van een coffeeshop, waaronder de aard van de daaruit mogelijk voortvloeiende overlast, is een heel andere dan die van een wegrestaurant. Het gebruik van het pand als coffeeshop kan dan ook niet worden geacht rechtstreeks voort te vloeien uit de verleende vrijstelling. Derhalve levert het zonder vrijstelling exploiteren van twee coffeeshops in het pand volgens de rechtbank een met het bestemmingsplan strijdige situatie op.

De Afdeling heeft de uitspraak van de rechtbank vervolgens op 21 februari 2007 bevestigd en was eveneens van oordeel dat niet staande kan worden gehouden dat op basis van de eerder verleende vrijstelling in het bewuste pand tevens coffeeshops mogen worden geëxploiteerd.

Nu het besluit tot afzien van handhaving in hoogste instantie onrechtmatig is geacht en is vastgesteld dat het exploiteren van de coffeeshops in het pand een met het bestemmingsplan strijdige situatie oplevert, heeft verweerder vervolgens een nieuw besluit op bezwaar genomen, waarbij de bezwaren enerzijds gegrond zijn verklaard en anderzijds is besloten om op basis van een belangenafweging (wederom) niet over te gaan tot handhaving, omdat volgens verweerder de positieve effecten voor de omwonenden niet opwegen tegen de negatieve gevolgen voor de openbare orde. Tevens is een legalisatieprocedure in gang gezet.

In het beroepschrift spreken eisers hun verbazing en ongenoegen uit over de radicale ommezwaai in de zienswijze van verweerder en menen ze op basis hiervan ten eerste dat ze gehoord hadden moeten worden alvorens het bestreden besluit genomen werd, hetgeen eisers aanmerken als een zorgvuldigheidsgebrek en een grond voor vernietiging van het besluit.

Inhoudelijk kunnen ze zich niet verenigen met het standpunt van verweerder dat het algemeen belang van het handhaven van de openbare orde voorgaat boven het belang van eisers bij handhaving. De veronderstellingen worden niet onderbouwd door enig nader onderzoek en zijn naar de mening van eisers inhoudelijk onjuist. Ook wordt verwezen naar het huidige kabinetsbeleid op het gebied van drugs, dat volgens eisers streng is en juist tot handhavend optreden noopt. Tenslotte stellen eisers thans meer (over)last te ondervinden van de coffeeshops dan destijds van het wegrestaurant. Het besluit ontbeert volgens eisers een draagkrachtige motivering.

De rechtbank dient op basis van de aangevoerde beroepsgronden thans de vraag te beantwoorden of het onderhavige bestreden besluit in rechte stand kan houden. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

Uit de eerder aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 21 februari 2007 kan worden geconcludeerd dat de vestiging van de coffeeshops in het litigieuze pand aan de [adres] te Venlo in strijd is met de ter plaatse vigerende bestemming en ook niet te scharen is onder de eerder door verweerder verleende vrijstelling, zodat verweerder bevoegd was om handhavend op treden.

Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag het bestuursorgaan weigeren dit te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

Nu niet betwist wordt dat van legalisatie op korte termijn geen sprake is, vormt de kern van het onderhavige geschil de vraag of verweerder heeft kunnen afzien van handhavend optreden met als motivering dat handhaven onevenredig zou zijn aangezien de positieve effecten voor de omwonenden bij optreden niet opwegen tegen de negatieve gevolgen bij sluiting van de bewuste coffeeshops.

De rechtbank overweegt, mede gelet op vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak in dit kader, dat het afzien van handhavend optreden op grond van onevenredigheid slechts bij hoge uitzondering aan de orde is en zulks met name indien sprake is van overtredingen die van geringe aard en ernst zijn dan wel wanneer sprake is van incidentele overtredingen. In het onderhavige geval, waarin de vestiging van de coffeeshops in het bewuste pand in strijd is met het bestemmingsplan, de overtreding voortdurend plaatsvindt en sprake is van beduidende ruimtelijke effecten, kan niet worden gesproken van een zogeheten ‘bagatelovertreding’, waarbij op basis van een belangenafweging gesteld zou kunnen worden dat handhavend optreden in een concreet geval onevenredig is. Ook in de door verweerder gestelde negatieve gevolgen van sluiting van de betrokken coffeeshops ziet de rechtbank onvoldoende grond om onevenredigheid als eerder bedoeld aanwezig te achten, zulks reeds omdat verweerder geen onderzoek heeft uitgevoerd waaruit blijkt dat thans geen enkele alternatieve locatie voor de coffeeshops beschikbaar is.

De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat verweerder in het onderhavige geval niet op goede gronden heeft afgezien van handhavend optreden. Het beroep is derhalve gegrond en het besluit komt wegens strijd met het motiveringsbeginsel, zoals neergelegd in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb, reeds hierom voor vernietiging in aanmerking. Aan een bespreking van de overige gronden van beroep wordt derhalve niet meer toegekomen.

Tenslotte merkt de rechtbank nog op dat namens eisers ter zitting is verzocht om verweerder op te dragen een nieuw besluit, gericht op handhaving, te nemen, zulks onder dreiging van een dwangsom. Gelet op het feit dat verweerder na de onderhavige vernietiging binnen de wettelijke termijn van zes weken een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen, ziet de rechtbank voorshands geen reden om verweerder thans al een dwangsom op te leggen en te laten verbeuren voor zover niet beslist mocht worden binnen genoemde termijn. Bij het uitblijven van een besluit op bezwaar staan eisers de gebruikelijke rechtsmiddelen ter beschikking.

De rechtbank acht voorts nog verder termen aanwezig om verweerder op grond van het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten die eisers redelijkerwijs hebben moeten maken in verband met de behandeling van dit beroep, een en ander overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden twee punten toegekend (schrijven van een beroepschrift en het verschijnen ter zitting). Het gewicht van de zaak wordt bepaald op gemiddeld, hetgeen correspondeert met de wegingsfactor 1.

Mitsdien wordt beslist als volgt.

III. BESLISSING

De rechtbank Roermond;

gelet op het bepaalde in de artikelen 8:70, 8:72, 8:74 en 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht;

verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

bepaalt dat verweerder opnieuw beslist op het bezwaar van eisers met inachtneming van het bepaalde in deze uitspraak;

veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eisers begroot op € 644,00 (zijnde de kosten van rechtsbijstand) te vergoeden door de verweerders gemeente;

bepaalt dat verweerder aan eisers het door of namens hen gestorte griffierecht ten bedrage van € 143,00 volledig vergoedt.

Aldus gedaan door mr. Th. M. Schelfhout, mr. V.P. van Deventer en mr. drs. E.J. Govaers (voorzitter) in tegenwoordigheid van mr. F.A. Timmers als griffier en in het openbaar uitgesproken op 2 oktober 2007.

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

verzonden op: 2 oktober 2007.

MV

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Ingevolge artikel 6:5 van de Awb bevat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak en moet een afschrift van de uitspraak bij het beroepschrift worden overgelegd.