Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2007:BB3265

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
10-09-2007
Datum publicatie
10-09-2007
Zaaknummer
07 / 806 WSW K1
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank is het niet eens met de niet ontvankelijkheid verklaring van eiser in zijn bezwaar omdat hij volgens verweerder geen procesbelang zou hebben. Eiser heeft volgens de rechtbank wel procesbelang bij het besluit dat eiser tot de doelgroep van de WSW behoort.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

UITSPRAAK

Procedurenr. : 07 / 806 WSW K1

Inzake : [eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

tegen : De Raad van bestuur Centrale organisatie werk en inkomen, gevestigd te ‘s-Hertogenbosch, verweerder.

Datum en aanduiding van het bestreden besluit:

de brief d.d. 26 april 2007,

kenmerk: CWI/JZ/B.2./.

Datum van behandeling ter zitting: 30 augustus 2007.

I. PROCESVERLOOP

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit heeft verweerder eisers bezwaarschrift tegen het besluit van15 augustus 2006, waarbij is besloten dat eiser tot de doelgroep van de Sociale Werkvoorziening behoort, niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende procesbelang. Tegen dit besluit is namens eiser bij deze rechtbank beroep ingesteld.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan eisers gemachtigde gezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 30 augustus 2007, waar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. P.H.E. Bloemer. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.L.A.M. Stapert.

II. OVERWEGINGEN

Naar aanleiding van een aanvraagformulier herindicatie Wet Sociale Werkvoorziening (WSW) heeft verweerder bij besluit van 15 augustus 2006 aan eiser meegedeeld dat is besloten dat eiser tot de doelgroep van de Sociale Werkvoorziening behoort. In bezwaar tegen dit besluit stelt eiser zich op het standpunt dat hij niet geschikt is om in een WSW-instelling te werken, wat in het verleden is gebleken bij de Westrom. Eiser is van mening dat het besluit om hem aan ter merken als behorend tot de doelgroep ongemotiveerd en onzorgvuldig is genomen.

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder besloten eisers bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren omdat er onvoldoende bestuursrechtelijk procesbelang aanwezig is.

In beroep wordt verwezen naar de in bezwaar aangevoerde gronden. Met betrekking tot het procesbelang wordt opgemerkt dat de indicatie WSW loopt tot 15 augustus 2008. Dit betekent volgens eiser dat hij tenminste tot die datum te werk gesteld wordt in de Sociale Werkvoorziening. In het verleden is echter gebleken dat eiser dit niet kan. Eiser stelt zich op het standpunt dat zijn belang erin is gelegen dat het CWI alsnog moet vaststellen dat hij niet tot de doelgroep van Sociale Werkvoorziening behoort.

De rechtbank dient te beoordelen of het bestreden besluit de rechterlijke toets kan doorstaan. Daarbij mag de rechtbank enkel beoordelen of verweerder terecht het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk heeft verklaard en terecht niet is overgegaan tot inhoudelijke behandeling van het bezwaar. Deze vraag beantwoordt de rechtbank ontkennend. Daartoe wordt het volgende overwogen.

Artikel 11, eerste lid, onder a, van de WSW bepaalt dat de Centrale organisatie werk en inkomen van personen, die voor indicatie zijn aangemeld dan wel die zich daartoe hebben aangemeld bij beschikking vaststelt of deze behoren tot de doelgroep. In het tweede lid is bepaald dat de Centrale organisatie werk en inkomen periodiek herindicatie verricht van personen die tot de doelgroep behoren overeenkomstig de krachtens artikel 6, tweede lid, onderdeel a, gestelde regels. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 6 van het Besluit uitvoering sociale werkvoorziening en begeleid werken luidt als volgt:

1. Telkens uiterlijk 16 weken voor het verstrijken van de geldigheidsduur van een indicatie wordt:

a. bij een geïndiceerde die op de wachtlijst staat door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar de geïndiceerde woonachtig is, of

b. bij een geïndiceerde die arbeid verricht door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente die voor de geïndiceerde in het kader van de wet subsidie van het Rijk ontvangt, een herindicatie aangevraagd bij de Centrale organisatie werk en inkomen.

De rechtbank stelt allereerst vast dat het in de onderhavige procedure gaat om een aanvraag voor herindicatie voor de Sociale Werkvoorziening.

Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de WSW gelezen in samenhang met artikel 6, eerste lid van het Besluit uitvoering sociale werkvoorziening begeleid werken, dient een dergelijke aanvraag te worden ingediend door de gemeente of door het SW-bedrijf. In het onderhavige geval is de aanvraag ingediend door het SW-bedrijf Westrom. Zoals eiser tijdens de behandeling ter zitting heeft verklaard heeft hij de aanvraag slechts mede-ondertekend om aan te geven dat het formulier naar waarheid is ingevuld. De rechtbank volgt dan ook niet verweerders standpunt dat eiser geen procesbelang heeft omdat eisers aanvraag met het besluit dat eiser tot de doelgroep van de WSW behoort volledig is gehonoreerd.

De rechtbank kan verweerder evenmin volgen in zijn overweging dat eiser geen procesbelang heeft omdat hij zijn plaatsing op de wachtlijst door middel van een schriftelijk verzoek bij het college van burgemeester en wethouders kan beëindigen wanneer hij van het recht op plaatsing geen gebruik meer wenst te maken. Het besluit van 15 augustus 2006, voor zover inhoudende dat eiser behoort tot de doelgroep van de WSW, betekent niet alleen dat eiser geschikt geacht wordt voor werk in WSW-verband maar heeft ook andere (rechts)gevolgen, waartoe de rechtbank wijst op artikel 11 van de WSW. Die gevolgen worden niet volledig ongedaan gemaakt als eiser zich laat afvoeren van de wachtlijst bij de gemeente.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat niet gezegd kan worden dat eiser geen enkel belang heeft bij een inhoudelijk besluit op bezwaar. Verweerder heeft eiser ten onrechte wegens het ontbreken van procesbelang, niet ontvankelijk in zijn bezwaar verklaard.

Het vorenstaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven en dient te worden vernietigd. Verweerder zal een nieuw besluit op bezwaar moeten nemen.

De rechtbank acht verder termen aanwezig om verweerder op grond van het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten die eiser redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van dit beroep, een en ander overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten toegekend. Het gewicht van de zaak wordt bepaald op gemiddeld, hetgeen correspondeert met de wegingsfactor 1.

III. BESLISSING

De rechtbank Roermond;

gelet op het bepaalde in de artikelen 8:70, 8:72, 8:74 en 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht;

verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eiser begroot op € 644,= (zijnde de kosten van rechtsbijstand) te vergoeden door de Raad van bestuur Centrale organisatie werk en inkomen aan de griffier der gerechten in het arrondissement Roermond;

bepaalt dat verweerder aan eiser het door deze gestorte griffierecht ten bedrage van € 39,= volledig vergoedt.

Aldus gedaan door mr. Th.M. Schelfhout in tegenwoordigheid van C.M.E. Geraedts als griffier en in het openbaar uitgesproken op 10 september 2007.

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

verzonden op 10 september 2007.

MV

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Ingevolge artikel 6:5 van de Awb bevat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak en moet een afschrift van de uitspraak bij het beroepschrift worden overgelegd.