Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2007:BB3258

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
31-08-2007
Datum publicatie
10-09-2007
Zaaknummer
05 / 1522 BESLU K1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Berekening van de kosten van de WOZ-waardering in de jaren 1999 tot en met 2002 die het College redelijkerwijs heeft moeten maken.

De rechtbank Roermond wijkt af van LJN AY3946 en oordeelt dat, hoewel verweerder mocht uitgaan van het kasstelsel, dit stelsel niet zo strict mag worden toegepast als verweerder had gedaan. Van een nota van 18- 12-2002, betaald -na correctie- in januari 2003, zegt de rechtbank met eiser dat die niet in redelijkheid in 2002 betaald kon worden en daarmee onder de uitzondering viel.

Wetsverwijzingen
Uitvoeringsbesluit kostenverrekening en gegevensuitwisseling Wet waardering onroerende zaken 2, geldigheid: 2007-08-31
Uitvoeringsbesluit kostenverrekening en gegevensuitwisseling Wet waardering onroerende zaken 4, geldigheid: 2007-08-31
Uitvoeringsbesluit kostenverrekening en gegevensuitwisseling Wet waardering onroerende zaken 4a, geldigheid: 2007-08-31
Wet waardering onroerende zaken 1, geldigheid: 2007-08-31
Wet waardering onroerende zaken 2, geldigheid: 2007-08-31
Wet waardering onroerende zaken 4, geldigheid: 2007-08-31
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK Roermond

enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

UITSPRAAK

Procedurenr. : 05 / 1522 BESLU K1

Inzake : Het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Leudal, voorheen gemeente Heythuysen, eiseres

Tegen : Het bestuur van de Waarderingskamer, gevestigd te 's-Gravenhage, verweerder.

Datum en aanduiding van het bestreden besluit:

de brief d.d. 12 september 2005,

kenmerk: vangnetreg.1999-2002 gemeente Heythuysen.

Datum van behandeling ter zitting: 9 november 2006.

I. PROCESVERLOOP

Bij schrijven van 29 september 2005, ontvangen ter griffie van de rechtbank op 3 oktober 2005, heeft het College beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 12 september 2005. Bij dit besluit heeft verweerder het bezwaar van 11 juli 2005 ongegrond verklaard. Het bezwaar is gericht tegen het bij brief van 8 juni 2005 aan het College toegezonden primaire besluit. Het primaire besluit is bij mandaat genomen door de Commissie beoordeling omvang kosten (de Commissie) van verweerder en is genomen ter zake van de berekening van de kosten van de waardering in de jaren 1999 tot en met 2002 die het College redelijkerwijs heeft moeten maken. De gronden van het beroep zijn kenbaar gemaakt bij schrijven van 2 november 2005.

De Belastingdienst en het Waterschap Peel en Maasvallei (het Waterschap) zijn in de gelegenheid gesteld om als belanghebbende partij aan het geding deel te nemen. Alleen het Waterschap heeft hiervan gebruik gemaakt.

Op 22 november 2005 heeft verweerder de op de procedure betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden. Deze stukken zijn in afschrift aan de gemachtigde van het College als ook aan het Waterschap toegezonden.

Bij brieven van 16 mei 2006 en, in aanvulling daarop, van 26 oktober 2006 heeft het Waterschap zijn standpunt ter zake van het bestreden besluit kenbaar gemaakt.

Als bijlagen bij het schrijven van 30 oktober 2006 heeft verweerder aan partijen en aan de rechtbank voorts nog een aantal uitspraken toegezonden van andere rechtbanken ter zake van vergelijkbare geschillen tussen gemeenten en verweerder als het onderhavige.

Het beroep is op 9 november 2006 ter zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank behandeld. Het College heeft zich aldaar laten vertegenwoordigen door dhr. P.J. Brouns, senior beleidsmedewerker bij de afdeling WOZ/belastingen van de gemeente Heythuysen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.J. Daalder, kantoorgenoot mr. E.C. Pietermaat, gemachtigde van verweerder. Tevens was namens verweerder ter zitting aanwezig ir. R.M. Kathmann. Namens het Waterschap is ter zitting verschenen dhr. J.P.G.M. Geelen, coördinator bestuurlijke en juridische zaken.

II. OVERWEGINGEN

Bij brief van 22 december 2003 is door het College aan de Commissie om een oordeel gevraagd over zijn berekening van de kosten van de waardering voor de jaren 1999 tot en met 2002. Het College heeft in totaal € 501.307,13 gedeclareerd.

Bij brief van 7 januari 2005 heeft de Commissie aan het College als ook aan de overige afnemers meegedeeld voornemens te zijn de berekening van de kosten die het College redelijkerwijs heeft moeten maken te accorderen tot een bedrag van € 462.100,59. De Belastingdienst heeft bij brief van 21 januari 2005 op het voorgenomen besluit gereageerd. Het College heeft op 22 maart 2005 op het voornemen gereageerd. Het Waterschap heeft bij brief van 30 maart 2005 een reactie gegeven.

Bij besluit van 8 juni 2005 heeft de Commissie conform het voorgenomen besluit een bedrag van € 462.100,59 geaccordeerd. Het Waterschap heeft bij schrijven van 4 juli 2005 bezwaar gemaakt tegen dat besluit. Bij brief van 11 juli 2005 heeft het College bezwaar gemaakt. De Belastingdienst heeft geen bezwaar gemaakt.

Bij schrijven van 14 juli 2005 is het College in de gelegenheid gesteld om – evenals het Waterschap en de Belastingdienst – te worden gehoord. Van deze gelegenheid heeft het College geen gebruik gemaakt.

Bij besluit van 12 september 2005 heeft verweerder het bezwaar van het Waterschap ongegrond verklaard. Het Waterschap heeft tegen het besluit op het door haar ingediende bezwaar geen rechtsmiddel aangewend.

Eveneens bij besluit van 12 september 2005 heeft verweerder vervolgens het bezwaar van het College ongegrond verklaard. Tegen dat besluit is door het college het onderhavige beroep ingesteld.

Ter beoordeling van de rechtbank ligt thans voor de vraag of laatstgenoemd besluit van 12 september 2005 de toets in rechte kan doorstaan. Hiertoe wordt als volgt overwogen.

In de op 1 januari 1995 in werking getreden Wet Waardering Onroerende Zaken (Wet WOZ) zijn ten behoeve van de heffing van belastingen regels gesteld met betrekking tot een uniforme bepaling van de waarde van onroerende zaken en de wijze van vaststelling daarvan.

Ingevolge artikel 1, tweede lid, van de Wet WOZ zijn de Colleges van Burgemeester en Wethouders (de Colleges) belast met de uitvoering van deze wet. Dit houdt onder meer in dat zij gegevens dienen te verzamelen waarmee de waarde kan worden bepaald en vastgesteld van de zich binnen de gemeentegrenzen bevindende onroerende zaken.

Op grond van artikel 4, tweede lid, van de Wet WOZ houdt de Waarderingskamer toezicht op de waardebepaling en de waardevaststelling van onroerende zaken en op de overige in de wet geregelde onderwerpen. De Colleges verschaffen de Waarderingskamer desgevraagd tijdig de voor de uitoefening van haar taak noodzakelijke gegevens.

In artikel 3 van de Wet WOZ is bepaald dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld betreffende de verrekening van kosten die verbonden zijn aan de uitvoering van de wet. Het Uitvoeringsbesluit kostenverrekening en gegevensuitwisseling Wet waardering onroerende zaken (het Uitvoeringsbesluit) is een algemene maatregel van bestuur als hiervoor bedoeld.

In artikel 2, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit is bepaald dat de kosten van de waardering, te maken door de gemeenten, ten laste komen van de afnemers, zijnde de gemeenten, het Rijk en de waterschappen.

In artikel 4, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit is bepaald wat onder de kosten van waardering, bedoeld in artikel 2, tweede lid, dient te worden verstaan. Blijkens voornoemd artikellid wordt onder kosten van waardering verstaan:

het opstellen van het bij de Waarderingskamer in te dienen plan van aanpak voor de waardering, het verzamelen van gegevens ten behoeve van de waardebepaling alsmede aan het bijhouden daarvan, het uitvoeren van de waardebepaling, het opstellen en verzenden van beschikkingen en het behandelen van bezwaar- en beroepschriften tegen die beschikkingen.

Blijkens artikel 4, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit worden onder de kosten van de waardering, bedoeld in artikel 2, tweede lid, verstaan de kosten verbonden aan:

1°. het verrichten van algemene werkzaamheden ten behoeve van de waardebepaling;

2°. het verzamelen van gegevens ten behoeve van de waardebepaling alsmede aan het bijhouden daarvan;

3°. het uitvoeren van de waardebepaling;

4°. het opmaken en verzenden van beschikkingen en

5°. het behandelen van bezwaar- en beroepschriften tegen die beschikkingen.

Tot 1 januari 1999 dienden de Colleges bij het desbetreffende Waterschap en de Belastingdienst jaarlijks een declaratie in waarin werd uitgegaan van integrale kostenverrekening. Vanuit de wens tot vereenvoudiging heeft de Waarderingskamer met ingang van 1 januari 1999 de systematiek van kostenberekening en -verrekening aangepast.

Ingevolge artikel 4, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit worden de kosten die een gemeente heeft gemaakt voor de waardering van onroerende zaken in de periode 1999 tot en met 2002 vergoed op basis van een vast bedrag per kalenderjaar per object waarover gegevens aan de afnemers zijn geleverd.

Voor 1999 was het bedrag vastgesteld op € 11,34 (f 25,-). Het vaste bedrag is daarna jaarlijks geïndexeerd, hetgeen voor de kalenderjaren 2000, 2001 en 2002 heeft geresulteerd in een bedrag van respectievelijk € 11,80, € 12,25 en € 13,-.

Het totaal bedrag per object over de periode 1999 tot en met 2002 bedroeg derhalve € 48,39.

Omdat werd voorzien dat het vastgestelde normbedrag niet in alle gevallen volledig de in redelijkheid gemaakte kosten van de gemeenten zou dekken, is de zogenoemde Vangnetregeling in het leven geroepen. Deze regeling is neergelegd in artikel 4a van het Uitvoeringsbesluit. In artikel 4a van het Uitvoeringsbesluit is bepaald dat indien gedurende een tijdvak van vier achtereenvolgende kalenderjaren (waarderingskostentijdvak) het totaal van de in redelijkheid gemaakte kosten van de waardering meer dan 2,5 procent hoger is dan het totaal van de over het desbetreffende waarderingskostentijdvak in rekening gebrachte bedragen, bedoeld in artikel 4, tweede lid, het verschil tussen het totaal van de in redelijkheid gemaakte waarderingskosten en het totaal van de in rekening gebrachte bedragen ten laste van de afnemers komt, mits voldaan is aan de volgende voorwaarden:

a. het totaal van de in redelijkheid gemaakte kosten van de waardering wordt berekend volgens een bij ministeriële regeling vastgesteld rekenmodel en

b. deze berekening is geaccordeerd door de Waarderingskamer die beoordeelt of het College van burgemeester en wethouders de kosten van de waardering redelijkerwijs heeft moeten maken.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van het op 8 juni 2000 door de Waarderingskamer vastgestelde ‘Reglement beoordeling omvang kosten’ worden de kostendeclaraties die in het kader van de Vangnetregeling aan de Waarderingskamer voorgelegd worden, beoordeeld door de door de Waarderingskamer ingestelde ‘Commissie beoordeling omvang kosten’. De Commissie behandelt de verzoeken en besluit daaromtrent krachtens mandaat van de Waarderingskamer.

Bij brief van 19 december 2002 heeft verweerder de gemeenten geïnformeerd over de mogelijkheid van de Vangnetregeling gebruik te maken met behulp van de bij die brief gevoegde ‘Handreiking van de Commissie beoordeling omvang kosten ten behoeve van het op te stellen verzoek om een definitief oordeel over kosten gemaakt in het waarderingskostentijdvak 1999 tot en met 2002’ (de Handreiking).

Uit de op 3 juni 2004 door de Commissie opgestelde “Verantwoording van de Commissie beoordeling omvang kosten”, die als bijlage bij het voorgenomen primaire besluit is gevoegd, blijkt dat de Commissie de door de Colleges ingediende kostenopstellingen voor het tijdvak 1999 tot en met 2002 heeft getoetst op rechtmatigheid en redelijkheid.

Voor de beoordeling van de rechtmatigheid hanteerde de Commissie de vijf navolgende criteria:

1. de rekening moest zijn gebaseerd op het kasstelsel, hetgeen inhoudt dat in de kostendeclaratie alleen betalingen kunnen worden opgenomen die in de jaren van het kostentijdvak zijn gedaan;

2. de facturen zijn in overeenstemming met de opgevoerde bedragen in het rekenmodel en met de onderliggende contracten;

3. de kostendeclaratie klopt rekenkundig;

4. er zijn geen activiteiten/posten afzonderlijk opgevoerd die geacht worden in de opslag voor indirecte kosten te zijn verwerkt en

5. er zijn geen overige onregelmatigheden geconstateerd.

Voor de beoordeling van de redelijkheid hanteerde de Commissie de drie navolgende criteria:

1. kosten die ook ten behoeve van andere gemeentelijke taken waren gemaakt konden niet volledig worden toegerekend aan de waardering;

2. het door de Colleges gehanteerde uurtarief - de som van het uurtarief voor salariskosten plus de opslag voor indirecte kosten en huisvestingskosten - mocht in beginsel het bedrag van € 54,15 niet overschrijden;

3. bij vergelijking van de ingediende kostenopstellingen met kostenopstellingen van acht met elkaar vergelijkbare gemeenten, mocht de kostenopstelling niet méér bedragen dan 125% van het voor die - vergelijkbare - gemeenten voor 2003 vastgestelde, gemiddelde totaalbedrag.

De rechtbank overweegt als volgt.

Het College heeft zich uitsluitend gekeerd tegen de omstandigheid dat de Commissie bij het verrichten van de hiervoor genoemde rechtmatigheidstoets kostenposten heeft geschrapt van over 2002 gemaakte kosten die eerst in 2003 zijn voldaan. Het betreft een drietal nota’s van Grontmij aan het College van

18 december 2002, welke op 7 januari 2003 (deels) zijn voldaan. Het totaalbedrag van de bestreden kosten bedraagt € 33.540,38.

Onder verwijzing naar de meergenoemde Handreiking van 19 december 2002 heeft het College gemotiveerd gesteld dat betaling van de nota’s van Grontmij in het kalenderjaar 2002 redelijkerwijs niet heeft kunnen plaatsvinden. De nota’s zijn eerst op 19 december 2002 ten kantore van het College ontvangen. Op 23 december 2002 zijn de nota’s via de interne post bij de behandelend ambtenaar terechtgekomen. Vervolgens zijn de nota’s gecontroleerd. Volgens de behandelend ambtenaar, de gemachtigde van het College, waren niet alle kosten terecht in rekening gebracht. Hierover heeft deze persoon eerst op 2 januari 2003 van gedachten kunnen wisselen met de desbetreffende medewerker van Grontmij, omdat het kantoor van dit bedrijf 14 dagen gesloten was vanwege de kerstperiode; Kerstmis en Nieuwjaar vielen midden in de week. Dit overleg heeft tot een bijstelling naar beneden van de door Grontmij in rekening gebrachte kosten geleid.

Bovendien was er tussen Kerstmis en Nieuwjaar geen betalingsverkeer mogelijk, zo is in de gronden van het beroep van 2 november 2005 gesteld. Enerzijds omdat de Bank der Nederlandse Gemeentes in die periode geen betalingen zou verwerken; anderzijds vanwege de beperkte openstelling van de gemeente Heythuysen in de kerstperiode.

Ter zitting heeft de gemachtigde van het College dit standpunt genuanceerd, in die zin dat niet wordt ontkend dat in het uiterste geval betaling in 2002 nog mogelijk zou zijn geweest, onder meer door de desbetreffende bevoegde ambtenaren van vakantie te (doen) terugroepen. De gemachtigde van het College heeft evenwel geen aanleiding gezien om deze weg te bewandelen, gelet op de in de Handreiking van 19 december 2002 gecreëerde uitzondering op het kasstelsel.

Volgens verweerder zijn de desbetreffende nota’s van Grontmij van 18 december 2002 daarentegen terecht geschrapt. Hiertoe heeft verweerder – kort gezegd – betoogd dat het enkele bestaan van administratieve belemmeringen er niet toe kan leiden dat een uitzondering wordt gemaakt op het strikte criterium van het kasstelsel. Anders dan de rechtbank Zwolle/Lelystad in de – ter zitting door verweerder in zijn pleitnota genoemde – uitspraak van 11 juli 2006 (LJN AY3946, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl), is de rechtbank thans in de onderhavige zaak van oordeel dat dit standpunt van verweerder de aan de rechtbank toekomende toets niet kan doorstaan.

Overwogen wordt als volgt.

Niet ter discussie staat, dat het uitgangspunt van het in het kader van de Vangnetregeling gehanteerde kasstelsel is, dat door de gemeenten kosten kunnen worden opgevoerd die betrekking hebben op werkzaamheden die in het tijdvak 1999 tot en met 2002 zijn verricht en waarvan de nota ook in dát tijdvak is voldaan. In de Handreiking van 19 december 2002 is over de toepassing van dit kasstelsel het volgende opgemerkt:

“Kosten kunnen worden opgevoerd in de kostenopstelling over het jaar waarin deze kosten zijn voldaan. Wel kunnen voorschotbetalingen die in 1998 zijn verricht voor werkzaamheden die in 1999 werden uitgevoerd, in de berekening van de kosten voor 1999 worden opgenomen. Nota’s die in het waarderingskostentijdvak 1999 tot en met 2002 zijn ontvangen die aantoonbaar uitsluitend betrekking hebben op werkzaamheden of leveringen in dat tijdvak, maar die in redelijkheid niet in 2002 betaald konden worden, kunnen in de berekening van de vangnetregeling worden opgenomen.

Betalingen die in 2002 zijn gedaan voor prestaties die in 2003 of latere kalenderjaren worden verricht, kunnen niet in dit kostentijdvak worden opgevoerd. Hiermee wordt de lijn voortgezet die is gevolgd bij de invoering van de vangnetregeling.”

Uit voornoemde passage volgt niet dat nota’s die in 2002 zijn ontvangen en betrekking hebben op het waarderingskostentijdvak 1999 tot en met 2002 maar betaald zijn in 2003, zonder meer in de berekening van de Vangnetregeling konden worden opgenomen. Blijkens de Handreiking is immers vereist dat de nota’s in redelijkheid niet in 2002 betaald konden worden. Een redelijke uitleg van het hiervoor geciteerde in de Handreiking neergelegde beleid kan er naar dezerzijds oordeel niet toe leiden, dat een gemeente dient aan te tonen dat betaling van de desbetreffende nota’s in het kalenderjaar 2002 absoluut onmogelijk was dan wel dat van gemeentes zonder meer verlangd mocht worden om de gebruikelijke interne procedures voor het accorderen en verrichten van betalingen te doorkruisen teneinde betaling van nota’s over 2002 in het kalenderjaar 2002 te kunnen laten plaatsvinden. Met een dergelijke absolute uitleg gaat verweerder naar dezerzijds oordeel immers de grenzen van een redelijke beleidsuitoefening te buiten.

Het vorenstaande in aanmerking nemend, volgt de rechtbank het standpunt van het College, dat verweerder bij zijn redelijkheidstoets de door eiser genoemde, specifiek voor de periode tussen Kerstmis en Nieuwjaar 2002 relevante, feiten en omstandigheden had dienen te betrekken.

Gezien de beperkte openstelling van de gemeente Heythuysen in die periode van het jaar - en daarmee ook de beperkte aanwezigheid van het ter zake van het accorderen en verrichten van betalingen bevoegde personeel - alsook de omstandigheid dat Grontmij in de door het College bedoelde periode gesloten was waardoor met de desbetreffende medewerker van Grontmij over de (on)juistheid van de nota’s in 2002 geen overleg meer kon plaatsvinden, acht de rechtbank termen aanwezig voor het oordeel dat verweerders standpunt, dat in het geval van het College geen sprake was van een uitzonderingssituatie als bedoeld in de Handreiking, geen stand kan houden. Hierbij merkt de rechtbank op dat zij – anders dan verweerder – de in beroep door het College naar voren gebrachte stelling, dat nog overleg met Grontmij nodig was over de inhoud en hoogte van de factuurbedragen, heeft aanmerkt als een nadere onderbouwing van de reeds eerder in de procedure ingenomen stelling dat nog interne controle op de facturen diende plaats te vinden waardoor betaling in 2002 niet in de rede lag, zulks temeer, daar anders voor een deel (mogelijk) onverschuldigd zou zijn betaald.

Bij haar oordeelsvorming heeft de rechtbank mede in aanmerking genomen dat de Handreiking eerst dateert van 19 december 2002, welke datum is gelegen vlak voor de (verlof)periode tussen Kerstmis en Nieuwjaar. Dientengevolge komt het de rechtbank niet onbegrijpelijk voor dat bij gemeenten de indruk is kunnen ontstaan dat – in tegenstelling tot de jaren 1999 tot en met 2001 – over 2002 ruimte was voor een betaling na 31 december 2002 die onder omstandigheden kon worden toegerekend naar het jaar 2002.

De stelling van verweerder dat voor het jaar 2003 eveneens een regeling voor vergoeding van de kosten bestaat en dat het College de nota’s van 18 december 2002 – gelet op het kasstelsel – alsnog voor dat jaar in aanmerking kan brengen, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. In dit verband overweegt de rechtbank dat met ingang van 1 januari 2003 het systeem van vergoeding van kosten van waardering wederom is gewijzigd door een forfaitair plafond te stellen aan die kosten. Aan de hand van een vaste formule wordt de vergoeding per te waarderen object jaarlijks vastgesteld. De Waterschappen en de Belastingdienst nemen een vast aandeel van het totaalbedrag voor hun rekening, de gemeenten betalen de resterende kosten. Dit systeem maakt dat bij toerekening van het bedrag van de nota’s van 18 december 2002 aan het kalenderjaar 2003, gelet op het forfaitair plafond, dat bedrag de facto in het jaar 2003 (mogelijk) niet voor vergoeding in aanmerking komt.

Gelet op het vorenstaande kan naar dezerzijds oordeel het bestreden besluit niet in stand blijven en dient dit besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb te worden vernietigd.

De rechtbank acht verder termen aanwezig om verweerder op grond van het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten die het College redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van dit beroep, een en ander overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten toegekend. Het gewicht van de zaak wordt bepaald op gemiddeld, hetgeen correspondeert met de wegingsfactor 1.

De rechtbank acht verder termen aanwezig om verweerder op grond van het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten die eiser redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met deze procedure, een en ander overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden twee punten toegekend (één punt voor het indienen van het beroepschrift en één punt voor het verschijnen ter zitting) met een waarde van € 322, per punt. Het gewicht van de zaak wordt bepaald op gemiddeld, hetgeen correspondeert met de wegingsfactor één.

Tevens bepaalt de rechtbank dat het door het College betaalde griffierecht ad € 276,- door verweerder dient te worden vergoed.

Mitsdien wordt beslist als volgt.

III. BESLISSING

De rechtbank te Roermond:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het besluit van 12 september 2005;

bepaalt dat verweerder een nieuw besluit dient te nemen op het bezwaar van 11 juli 2005, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van het College begroot op € 644, (zijnde de kosten van rechtsbijstand);

bepaalt, dat verweerder aan het College het gestorte griffierecht ten bedrage van € 276,00 volledig vergoedt.

Aldus gedaan door mrs. F.H. Machiels (voorzitter), V.P. van Deventer en L.M.J.A. barones van Hövell tot Westerflier-Dassen in tegenwoordigheid van mr. W.A.M. Bocken als griffier en in het openbaar uitgesproken op 31 augustus 2007.

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

verzonden op: 4 september 2007

KS

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Ingevolge artikel 6:5 van de Awb bevat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak en moet een afschrift van de uitspraak bij het beroepschrift worden overgelegd.