Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2007:BB3251

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
31-07-2007
Datum publicatie
10-09-2007
Zaaknummer
07 / 358 WAO K1
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Winstverdeling voortvloeiend uit vennootschapscontract voor de toepassing van artikel 44 WAO niet gevolgd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK Roermond

enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

UITSPRAAK

Procedurenr. : 07 / 358 WAO K1

Inzake : [eiser], wonende te [woonplaats], eiser.

tegen : de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (locatie Venlo), gevestigd te Amsterdam, verweerder.

Datum en aanduiding van het bestreden besluit:

de brief d.d. 29 januari 2007,

kenmerk: B&B 300.0089.24 AB.

Datum van behandeling ter zitting: 20 juni 2007.

I. PROCESVERLOOP

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van eiser tegen een besluit van 1 augustus 2006 ter zake de toepassing van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).

Tegen dat besluit is namens eiser door mr. drs. M.J.C. Hooijmakers, werkzaam bij Vista accountants & belastingadviseurs te Horst, bij deze rechtbank beroep ingesteld.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan de gemachtigde van eiser gezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 20 juni 2007, waar eiser is verschenen bij genoemde gemachtigde, en waar verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door P.J.L.H. Coenen.

II. OVERWEGINGEN

Eiser ontvangt eiser sedert een uitkering ingevolge de WAO, die laatstelijk is berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Eiser verricht onder meer -sedert 1 juli 1999 in een vennootschap onder firma met zijn echtgenote- werkzaamheden in aan- en verkoop van onroerend goed, en daarnaast nog werkzaamheden als zelfstandig adviseur. In het vennootschapscontract is onder artikel 5, derde lid, bepaald dat uitsluitend ter bepaling van de winstverdeling, de eventuele uitkering van arbeidsongeschiktheidsverzekeringen bij de winst dienen te worden geteld. Op grond van de jaarstukken van de VOF en de aanslag inkomstenbelasting over 2003 heeft verweerders arbeidsdeskundige gerapporteerd over de mogelijke toepassing van artikel 44 van de WAO en geconcludeerd, dat eisers inkomsten over het jaar 2003 niet in overeenstemming zijn met de indeling in de arbeidsongeschiktsheidsklasse van 25 tot 35%. Volgens hem dient de uitkering over het jaar 2003 niet te worden uitbetaald. Bij besluit van 1 augustus 2006 heeft verweerder daarop over die periode wegens inkomsten uit arbeid een korting toegepast alsof eiser niet arbeidsongeschikt is en aangegeven dat de uitkering niet wordt uitbetaald.

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder eisers bezwaar daartegen gegrond verklaard en op basis van een herberekening van het inkomstenverlies bepaald dat de uitkering over 2003 uitbetaald moet worden naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

De rechtbank dient op basis van de aangevoerde beroepsgronden te beoordelen of het bestreden besluit de rechterlijke toets kan doorstaan.

Verweerder heeft voor de toepassing van artikel 44 van de WAO en voor de berekening van eisers aandeel in de winst van de VOF de winst volgens de jaarrekening over 2003 genomen. Volgens eiser zou voor de berekening van zijn aandeel overeenkomstig het hierboven genoemde artikel 5, derde lid van de vennootschapsovereenkomst eerst de arbeidsongeschiktheidsuitkering bij de winst volgens de jaarrekening moeten worden geteld. Van het aldus berekende aandeel zou vervolgens de ontvangen arbeidsongeschiktheidsuitkering moeten worden afgetrokken.

Zoals blijkt uit vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (zie onder meer de uitspraak van 21 oktober 2005, LJN: AU5218) dient voor de toepassing van artikel 44 van de WAO in beginsel doorslaggevende betekenis toe te komen aan de in het kader van de fiscale wetgeving door de verzekerde gemaakte -en door de belastingdienst gehonoreerde- keuze. Van die keuze kan slechts worden afgeweken wanneer sprake is van bijzondere omstandigheden die een uitzondering op deze regel rechtvaardigen. Uit eisers belastingaangifte over 2003 blijkt, dat eiser voor de inkomstenbelastingen het winstaandeel uit de VOF heeft opgegeven zoals dat is vastgesteld als resultaat van de meer genoemde contractsbepaling. Eisers gemachtigde heeft ter zitting verklaard dat de belastingaanslag 2003 geheel overeenkomstig die aangifte is geweest.

Uit de rapportage van de (bezwaar)arbeidsdeskundige en bestreden besluitvorming blijkt niet direct en uitdrukkelijk dat verweerder de onderhavige korting heeft benaderd met inachtneming van de hierboven weergegeven vaste rechtspraak. Uit de verwijzing door de bezwaararbeidsdeskundige naar een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 8 maart 2005, LJN: AT1112, maakt de rechtbank echter op dat dit wel het geval is geweest. In deze uitspraak was er ook sprake van een winstverdeling op grond van een bepaling in een vennootschapsovereenkomst, die een vergelijkbare uitwerking had als in de overeenkomst van eiser, en de rechtbank (’s-Hertogenbosch) had met het UWV voor de toepassing van de korting bijzondere omstandigheden aanwezig geacht die afwijking van de belastingaanslag rechtvaardigden. Bij die opvatting heeft de Centrale Raad van Beroep zich aangesloten en hij heeft zelfs (vóórdat hij overging tot bespreking van de grieven in hoger beroep) uitdrukkelijk in hoofdlijnen de overwegingen van de eerste rechter onderschreven.

De gemachtigde van eiser heeft ter zitting gesteld, dat verweerder zich ten onrechte op die uitspraak van de Centrale Raad van Beroep baseert, omdat de in die casus gehanteerde winstverdeling juist niet door de Belastingdienst zou zijn aanvaard, terwijl dat in geval van eiser wel het geval is. Deze stelling van eisers gemachtigde berust echter op een foutieve lezing van de uitspraak. Immers, de Centrale Raad van Beroep overweegt uitdrukkelijk :

“Uit de door appellants gemachtigde eerst na de kennisgeving van behandeling ter terechtzitting van de Raad ingezonden stukken over het boekenonderzoek van 17 oktober 2003 van de Belastingdienst blijkt duidelijk dat ook de Belastingdienst thans van oordeel is dat de uitkering ingevolge de WAO ten onrechte bij de bepaling en de verdeling van de winst van de vof in aanmerking is genomen in de jaren 1999, 2000 en daarna. Voorts blijkt dat de fiscus de aanslagen over 1999 en 2000 niet heeft herzien omdat er volgens die instantie geen mogelijkheid meer is tot het opleggen van navorderingsaanslagen over die jaren.”

Gezien de inhoud van de casus en de duidelijke uitspraak van de Centrale Raad van Beroep ziet de rechtbank geen aanleiding om in het onderhavige beroep anders te oordelen. Ook nu zou het onjuist zijn voor de vaststelling van de arbeidsinkomsten die de uitbetaling van de WAO-uitkering bepalen een systeem van winstverdeling te hanteren waarbij die op juistheid te toetsen uitbetaling deel uitmaakt van de grondslag van de verdeling. Omdat verder gegevens over loonwaarde en duur van werkzaamheden van de beide vennoten ontbreken, heeft verweerder terecht de winst volgens de jaarrekening 2003 (vóór bijtelling van de arbeidsongeschiktheidsuitkering) genomen en daarvan eisers aandeel toegerekend volgens de sleutel die per 1 januari 2001 in de firmaovereenkomst was aangegeven. Samen met de inkomsten die eiser als zelfstandig adviseur heeft verworven leverde dat over 2003 een zodanig resultaat op dat toepassing van artikel 44 van de WAO leidde tot uitbetaling naar de klasse van 15 tot 25%.

De rechtbank acht het beroep dus ongegrond.

III. BESLISSING

De rechtbank Roermond;

gelet op het bepaalde in artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht;

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. P.J. Voncken, in tegenwoordigheid van J.J.M. Roeters als griffier en in het openbaar uitgesproken op 31 juli 2007

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

verzonden op: 14 augustus 2007

JS

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Ingevolge artikel 6:5 van de Awb bevat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak en moet een afschrift van de uitspraak bij het beroepschrift worden overgelegd.