Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2007:BB3244

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
06-09-2007
Datum publicatie
10-09-2007
Zaaknummer
07 / 9 WWB K1
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank is van oordeel dat, nu niet alsnog het recht op bijstand naar de gehuwdennorm kon worden vastgesteld als gevolg van het niet verstrekken van (voldoende) inlichtingen, verweerder bevoegd was om hetgeen aan bijstand naar de alleenstaandennorm is betaald terug te vorderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

UITSPRAAK

Procedurenr. : 07 / 9 WWB K1

Inzake : Mw. [eiseres] & dhr. [eiser], wonende te [woonplaats], eisers.

tegen : het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Venlo, verweerder.

Datum en aanduiding van het bestreden besluit:

de brief d.d. 5 december 2006,

kenmerk: PFZSJ/MB/163807.

Datum van behandeling ter zitting: 21 juni 2007

I. PROCESVERLOOP

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit heeft verweerder de bezwaren van eisers tegen het besluit van 21 juli 2006, inzake de toepassing van de Wet werk en bijstand (WWB), ongegrond verklaard. Tegen dat besluit heeft mr. J.H.M. Verstraten, advocaat te Venlo, namens eisers beroep ingesteld bij deze rechtbank.

De stukken en het verweerschrift, die verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft ingezonden, zijn in afschrift aan de gemachtigde van eisers gezonden. De gedingstukken uit de zaken met procedurenummers 06/572 en 06/707 zijn ad informandum aan de onderhavige zaak toegevoegd. Aan partijen is daarvan op 22 januari 2007 kennisgegeven.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 21 juni 2007, waar eisers in persoon zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde mr. J.H.M. Verstraten. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door J.H.M.S. Crienen.

II. OVERWEGINGEN

Eiseres heeft vanaf 28 november 1994 een bijstandsuitkering naar de norm van een alleenstaande ouder ontvangen. In verband met een vermoeden van samenwoning met de heer [eiser] (eiser) is door de regionale recherche Limburg-Noord een onderzoek ingesteld naar de woon- en leefsituatie van eiseres. De bevindingen daarvan zijn neergelegd in het Rapport van Onderzoek van 10 maart 2006.

Op grond van de bevindingen van dat onderzoek heeft verweerder op 21 juli 2006 met toepassing van artikel 54 van de WWB besloten het recht op uitkering te herzien, in die zin dat het besluit tot toekenning van bijstand met ingang van 1 mei 2001 wordt ingetrokken omdat eiseres niet heeft voldaan aan de inlichtingenplicht door geen opgave te doen van het feit dat haar echtgenoot, de heer [eiser], vanaf 1 mei 2001 weer in het gezin is teruggekeerd en dat zij en haar echtgenoot inkomsten hadden in die tijd.

Als gevolg van de herziening van het recht op uitkering heeft eiseres € 69.366,16 bruto te veel uitkering ontvangen, welk bedrag wordt teruggevorderd en waarvoor eisers op grond van artikel 59, eerste en derde lid, van de WWB beiden hoofdelijk aansprakelijk worden gesteld.

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat gezien de bevindingen van het onderzoek van de sociale recherche, niet kan worden gesproken van duurzaam gescheiden leven als bedoeld in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de WWB. Dit betekent dat eiseres en de heer [eiser] vanaf 1 mei 2001 als gehuwd moeten worden beschouwd, zodat eiseres niet als zelfstandig subject van bijstand recht had op een uitkering naar de norm van een alleenstaande ouder.

Doordat eiseres verweerder niet heeft meegedeeld dat eiser vanaf 1 mei 2001 zijn hoofdverblijf bij haar heeft, heeft zij gehandeld in strijd met de op haar rustende inlichtingenplicht.

In beroep is aangevoerd dat eisers van oordeel zijn dat eiseres wel degelijk recht heeft op een uitkering krachtens de WWB omdat zij haar gezin moet verzorgen en niet onderhouden wordt door de heer [eiser]. Eiseres betwist verweerders standpunt dat er sprake zou zijn van het voeren van een gemeenschappelijke huishouding. Ontkend wordt dat er sprake is geweest van samenwoning in de periode mei 2001 tot en met december 2005. Vóór januari 2006 had eiser zijn hoofdverblijf bij vrienden en kennissen, althans ergens anders dan in de woning van eiseres. Dat uit het onderzoek van de sociale recherche blijkt dat eiser sinds enige tijd regelmatig op het adres van eiseres gesignaleerd wordt, kan worden verklaard uit het feit dat eiser regelmatig op visite komt om zijn zoon te zien. Omdat er sinds enige jaren problemen zijn tussen de zoon en justitie heeft de heer [eiser] eiseres bijgestaan in deze kwestie.

Eisers stellen zich op het standpunt dat de door de buurtbewoners afgelegde verklaringen in strijd zijn met de waarheid. Eisers zijn niet goed bevriend met hun buren en hebben weinig tot geen contact, zodat deze buurtbewoners onmogelijk concrete verklaringen kunnen afleggen over hun gezinssituatie.

Ten aanzien van de terugvordering wordt opgemerkt dat er dringende redenen zijn om hiervan af te zien. Gesteld wordt dat de terugvordering onaanvaardbare financiële consequenties voor eisers heeft, nu zij gedurende vele jaren van maximaal 90% van de bijstandsnorm zouden moeten leven aangezien eiseres, mede gelet op haar medische toestand, niet de mogelijkheid heeft om inkomsten te verwerven.

Ter zitting heeft eiseres betoogd dat zij nimmer inkomsten heeft gehad uit het fokken van katten en honden. Ook eiser heeft ter zitting ontkend inkomsten als zelfstandige te hebben gehad.

In het verweerschrift is verweerder gemotiveerd ingegaan op de namens eisers in beroep aangevoerde gronden.

De rechtbank dient op basis van de aangevoerde beroepsgronden te beoordelen of het bestreden besluit in strijd is met het geschreven of ongeschreven recht dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel.

Op 1 januari 2004 is de WWB in werking getreden. Per die datum is de Abw ingetrokken. Uit jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (LJN AT4358) volgt dat verweerder vanaf 1 januari 2004 aan de artikelen 54 en 58 van de WWB voor alle hier in geding zijnde perioden zijn bevoegdheid ontleent om tot intrekking en terugvordering over te gaan, en dat de rechten en verplichtingen van een belanghebbende dienen te worden beoordeeld naar de wetgeving zoals die van kracht was op de datum of gedurende het tijdvak waarop die rechten en verplichtingen betrekking hebben. De afstemmingsverordening van de gemeente Venlo is per 1 juli 2004 van kracht geworden, zodat tot die datum artikel 65 van de Abw zijn gelding heeft behouden. Een redelijke wetsuitleg brengt ingevolge vaste rechtspraak met zich mee dat in artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB tevens naast artikel 17 van de WWB artikel 65 van de Abw wordt ingelezen.

Artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de WWB bepaalt dat als ongehuwd mede wordt aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is.

Zoals blijkt uit de wetsgeschiedenis van de totstandkoming van artikel 3 van de Abw (dat gelijkluidend was aan artikel 3 van de WWB) en ook uit de vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep, is van duurzaam gescheiden levende echtgenoten eerst sprake indien het een door beide betrokkenen, of één van hen gewilde verbreking van de echtelijke samenleving betreft, waardoor ieder van hen afzonderlijk zijn eigen leven leidt als ware hij niet met de ander gehuwd en deze toestand door ten minste één van hen als bestendig is bedoeld (Centrale Raad van Beroep, 26 oktober 2004, 04/4704 (LJN nr.: AR4881).

De rechtbank stelt vast dat eisers nog gehuwd zijn. Voorts blijkt uit de uit het onderzoek van de sociale recherche naar voren gekomen gegevens, in onderlinge samenhang bezien, dat eiser ten tijde hier van belang, zijn hoofdverblijf had in de woning van eiseres op het adres [adres] te [woonplaats]. Dit kan onder meer worden afgeleid uit de politiemutaties, de door eiseres afgelegde verklaringen en de verklaringen van buurtbewoners. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het ervoor moet worden gehouden dat eisers niet duurzaam gescheiden leefden, zodat zij niet als ongehuwd kunnen worden aangemerkt.

Aangezien eiseres heeft verzwegen dat eiser vanaf mei 2001 weer bij haar woonde heeft zij gehandeld in strijd met de ingevolge artikel 17 van de WWB op haar rustende inlichtingenverplichting. Als gevolg daarvan is aan haar over de periode in geding ten onrechte een uitkering naar de norm voor een alleenstaande ouder verleend.

Gelet hierop was verweerder ingevolge artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd de bijstand van eiseres met ingang van 1 mei 2001 in te trekken. In hetgeen namens eiseres is aangevoerd ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Derhalve had eiseres in de periode 1 mei 2001 tot en met 30 januari 2006 niet als een zelfstandig subject van bijstand recht op een uitkering naar de norm voor een alleenstaande ouder (vgl. uitspraak Centrale Raad van Beroep, 19 december 2006, 05/6672 WWB, LJN nr.: AZ5295).

Het mogelijke recht op bijstand van eisers naar de norm voor gehuwden kon niet worden vastgesteld omdat eisers geen inlichtingen hebben verstrekt over het gezinsinkomen in de van belang zijnde periode. Daartoe overweegt de rechtbank dat vaststaat dat eiser in elk geval tot 17 augustus 2003 inkomsten heeft gehad uit de bij de firma [bedrijf] B.V. (later [...]) verrichte arbeid. Voorts staat eiser sinds 1 september 2003 bij de Kamer van Koophandel Noord-Limburg met een eenmanszaak ingeschreven en zijn eisers -eiseres volgens haar eigen verklaring sedert 1999- zeer nauw betrokken bij de activiteiten en/of bestuurslid van kattenvereniging [vereniging] en heeft eiser -blijkens de vermelding ([tekst]) op zijn visitekaartje- zich voorts gepresenteerd als kattenfokker. Eisers hebben geen duidelijkheid verschaft over de financiële opbrengsten van deze activiteiten, terwijl eiser evenmin inzage in de financiële bescheiden met betrekking tot zijn eigen bedrijf heeft verleend.

Met het voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank tevens gegeven dat verweerder bevoegd was om met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB tot terugvordering over te gaan. De rechtbank is niet gebleken dat verweerder bij de uitoefening van zijn terugvorderingsbevoegdheid heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel.

Uit hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen over de intrekking en terugvordering van de bijstand over de periode van 1 mei 2001 tot en met 30 januari 2006 volgt voorts, dat is voldaan aan de voorwaarde van artikel 59, tweede lid, van de WWB voor medeterugvordering van deze kosten van bijstand van eiser. Verweerder kon in redelijkheid van de bevoegdheid op grond van deze wettelijke bepaling gebruik maken.

Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep van eisers voor ongegrond te worden gehouden. Hetgeen namens eisers in beroep is aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank beslist als volgt.

III. BESLISSING

De rechtbank Roermond;

gelet op het bepaalde in artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht;

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. M.M.T. Coenegracht, in tegenwoordigheid van C.M.E. Geraedts als griffier en in het openbaar uitgesproken op 6 september 2007.

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

verzonden op: 6 september 2007.

JS

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Ingevolge artikel 6:5 van de Awb bevat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak en moet een afschrift van de uitspraak bij het beroepschrift worden overgelegd.