Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2007:BB2609

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
22-08-2007
Datum publicatie
30-08-2007
Zaaknummer
AWB 07 / 122 GEMWT
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank is het na een descente met verweerder eens dat eisers geen belanghebbenden zijn bij een weigering handhavend optreden.

Eisers hebben weliswaar enig zicht op (de top van) de granulaatberg, maar dit zicht is door bebouwing, winterharde begroeiing en een ondoorzichtig doek, mede in aanmerking genomen de afstand tussen het bedrijf van eisers en het prceel war de afvalberg zich bevindt, van dermate geringe betekenis dat niet gezegd kan worden dat zij door het besluit tot weigering handhavend optreden rechtstreeks in hun belangen zijn getroffen. Stank- en stofaspecten zijn in het kader van de milieuvergunning gewogen en maken geen onderdeel uit van het beoordelingskader in de onderhavige procedure (activiteiten strijdig met het bestemmingsplan).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

UITSPRAAK

Procedurenr. : AWB 07 / 122 GEMWT

Inzake : [eiser 1 en 2], h.o.d.n. [eiser handelsnaam], gevestigd te [plaats], eisers,

tegen : het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Weert, gevestigd te Weert, verweerder.

Datum en aanduiding van het bestreden besluit:

de brief van 19 december 2006

Data van behandeling ter zitting: 12 juli 2007.

I. PROCESVERLOOP

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 19 december 2006 heeft verweerder het bezwaar van eisers tegen het primaire besluit van 30 juni 2006 niet-ontvankelijk verklaard. Tegen dit besluit is door eisers bij deze rechtbank beroep ingesteld.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan eisers gezonden.

[derde] Transportbedrijf c.q. [derde] Holding c.q. [BV] International B.V (hierna: [derde]) zijn in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 12 juli 2007, waar eisers zijn verschenen bij C.P.H. Lempens. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door G.J.F.M. Vosdellen. Van de zijde van [derde] zijn verschenen H. Wolters en [BV], bijgestaan door mr. Th.A.G. Vermeulen, advocaat te Rosmalen.

Onder aanhouding van het onderzoek ter zitting, heeft de rechtbank aansluitend met toepassing van artikel 8:50 van de Awb, een onderzoek ter plaatste ingesteld. Alle voornoemde personen waren hierbij aanwezig. Nadat partijen ter plaatse afsluitend het woord hebben gevoerd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

II. OVERWEGINGEN

Eisers exploiteren een bouwmaterialenhandel die is gelegen aan de [straat] 60 62 te [plaats], alwaar tevens een bedrijfswoning is gelegen. Op het naast gelegen perceel gelegen aan de [straat] 58 te [plaats], kadastraal bekend gemeente Weert, sectie [...], nr. [A], is [derde] gevestigd. Sedert 1999 heeft [derde] tevens het perceel, kadastraal bekend gemeente Weert, sectie [...], nr. [D] bij de bedrijfsvoering betrokken. Beide percelen worden door [derde] bedrijfsmatig gebruikt ten behoeve van op en overslag van bedrijfsafval, bouw en sloopafval en bouwstoffen, het sorteren van bedrijfsafval en een milieustraat. Tussen het perceel van eisers en het perceel nr. [A] liggen ter breedte van ± 5 meter de kadastrale percelen sectie nrs. [B] en [C], in eigendom bij verweerders gemeente, die met toestemming voor opslagdoeleinden in gebruik zijn bij eisers.

Op 10 mei 2006 hebben eisers verweerder verzocht om ten aanzien van het perceel nr. [D] een handhavingsbesluit te nemen. Dit verzoek betreft de activiteiten op het bedrijfsterrein van [derde] die in strijd zouden zijn met de gebruiksvoorschriften van het vigerende bestemmingsplan “Bedrijventerreinen Oost en West”.

Bij besluit van 30 juni 2006 heeft verweerder het verzoek om handhaving ten aanzien van het gebruik van het bedrijfsterrein afgewezen. Verweerder is van mening dat geen sprake is van een overtreding van een wettelijk voorschrift en ziet dan ook geen reden om handhavend op te treden.

Bij het onderhavige bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eisers tegen het besluit van 30 juni 2006 niet-ontvankelijk verklaard. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eisers geen zicht hebben op het kadastrale perceel sectie [...] nr. [D] en dat eisers door de bedrijfsactiviteiten op dit perceel niet direct of indirect nadelig worden beïnvloed. Verweerder is derhalve van mening dat eisers niet zijn aan te merken als belanghebbende in de zin van de Awb.

In beroep hebben eisers aangevoerd dat alleen al vanwege het feit dat het bedoelde perceel is gekocht en in gebruik genomen door [derde] en eisers eigenaren en gebruikers zijn (en een van hen bewoner) van het direct naast [derde] gelegen perceel, zij als belanghebbenden moeten worden aangemerkt. Omdat eisers eigenaar zijn van de gronden en opstallen in de directe nabijheid, hebben zij een persoonlijk belang dat hen in voldoende mate van anderen onderscheidt. Eisers zijn voorts van mening dat zij wél zicht hebben op het bedoelde perceel. In het geval dat eisers geen zicht zouden hebben op het bedoelde perceel, zijn zij van mening dat zij, omdat het bedrijfsterrein waarop [derde] de met het bestemmingsplan strijdige activiteiten uitoefent door de ingebruikname van het onderhavige perceel is toegenomen, als directe buren van [derde] een kenmerkend, individualiseerbaar eigen (van anderen onderscheiden) belang hebben bij hun verzoek om handhaving.

De rechtbank dient op basis van de aangevoerde beroepsgronden te beoordelen of het bestreden besluit in strijd is met het geschreven of ongeschreven recht dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel. De beoordeling beperkt zich in het onderhavige geschil tot de vraag of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eisers niet zijn aan te merken als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2 van de Awb. Dienaangaande wordt als volgt overwogen.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

De rechtbank stelt allereerst vast dat, zoals ook ter zitting is gebleken, het verzoek om handhaving uitsluitend betrekking heeft op perceel nr. [D]. De rechtbank zal haar oordeel dan ook uitsluitend relateren aan dit perceel.

Blijkens de Memorie van Toelichting is met de woorden “wiens belang rechtstreeks is betrokken” een zekere begrenzing beoogd. Een louter subjectief gevoel van sterke betrokkenheid bij een bestuursbesluit is, hoe sterk dat gevoel ook moge zijn, niet voldoende om te kunnen spreken van een rechtstreeks bij een besluit betroken belang.

Uit de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) volgt dat om als belanghebbende in de zin van de wet te kunnen worden aangemerkt bepalend is of men in de nabijheid van, in dit geval, het betreffende perceel woonachtig is of zicht heeft op dat perceel. Daarbij moet worden aangemerkt dat het zichtcriterium geen allesbepalende factor is bij de beantwoording van de vraag of iemand als belanghebbende in de zin van de wet moet worden aangemerkt. In specifieke situaties kunnen ook andere omstandigheden leiden tot de conclusie dat de betrokkkene kan worden aangemerkt als belanghebbende.

Uit de gedingstukken, het verhandelde ter zitting en het onderzoek ter plaatse is de rechtbank het navolgende gebleken.

De afstand tussen het bedrijf en de bedrijfswoning van eisers en het perceel bedraagt ongeveer 100 tot 120 meter. Tussen het bedrijf van eisers en het perceel bevinden zich de percelen nrs. [C] en [B], beide in gebruik bij eisers maar in eigendom van verweerders gemeente, en perceel nr. [A], waarop bebouwing, en in eigendom van [derde]. Perceel nr. [D] wordt gebruikt voor opslag van granulaat en het plaatsen van lege containers. Vanaf de gronden van het bedrijf van eisers (uiterste hoek van de in/uitrit) was ten tijde van de schouw sprake van enig zicht op de op dat moment aanwezige granulaatberg, vanaf de bedrijfswoning is geen enkel zicht op het perceel, mede als gevolg van de aldaar aangebrachte winterharde begroeiing. Tijdens het onderzoek ter plaatse is de rechtbank niet gebleken van mogelijke overlast door stof en/of stank.

Gelet op de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eisers niet als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2 van de Awb kunnen worden aangemerkt. Weliswaar moet worden gezegd, zoals hiervoor reeds overwogen, dat eisers vanaf de perceelgrens bij de in/uitrit van hun bedrijventerrein enig zicht hebben op (de top van) de zich op het moment van de schouw op het perceel bevindende granulaatberg, doch dit zicht is, mede als gevolg van de op het perceel nr. [A] aanwezige bebouwing en van een aangebrachte afscherming door middel van een ondoorzichtig doek, als mede in aanmerking genomen de afstand tussen het bedrijf van eisers en het bewuste perceel, zodanig beperkt en van dermate geringe betekenis dat niet gezegd kan worden dat zij door het besluit rechtstreeks in hun belangen worden geraakt. Uitsluitend het gegeven dat er enig zicht is, acht de rechtbank daarvoor onvoldoende. (Zie ook: ABRvS 17-5-2006, LJN AX 2075, AB 2006,212). Niet gesteld is dat de granulaatberg op andere momenten hoger zou zijn dan tijdens het onderzoek ter plaatse.

Voorts overweegt de rechtbank dat, zo er al sprak is van stank- en stofoverlast - zoals uit het voorgaande blijkt is hiervan bij het onderzoek ter plaatse niet gebleken – het eisers vrij staat om in het kader van de aan [derde] verleende milieuvergunning stappen ter handhaving te ondernemen. Stank- en stofaspecten zijn in het kader van die vergunning gewogen en maken geen onderdeel uit van het beoordelingskader in de onderhavige procedure.

Nu voorts is komen vast te staan dat het perceel nr. [D] niet grenst aan de eigendommen van eisers, is ook hierin geen grond gelegen om eisers reeds daarom aan te merken als belanghebbende.

Nu ook overigens gesteld noch gebleken is dat sprake is van andere specifieke omstandigheden op grond waarvan moet worden gezegd dat eisers moeten worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb, is de rechtbank van oordeel dat het beroep van eisers voor ongegrond moet worden gehouden.

Beslist wordt zoals aangegeven in rubriek III.

III. BESLISSING

De rechtbank Roermond;

gelet op het bepaalde in de artikelen 8:70, 8:72, 8:74 en 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht;

verklaart het beroep tegen het besluit van 19 december 2006 ongegrond.

Aldus gedaan door mr. L.M.J.A. barones van Hövell tot Westerflier-Dassen in tegenwoordigheid van L.M.W. Ottenheim als griffier en in het openbaar uitgesproken op 22 augustus 2007.

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

verzonden op: 22 augustus 2007.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Ingevolge artikel 6:5 van de Awb bevat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak en moet een afschrift van de uitspraak bij het beroepschrift worden overgelegd.