Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2007:BB2547

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
29-08-2007
Datum publicatie
29-08-2007
Zaaknummer
04/61004007
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Voorbedachten rade; verminderde toerekeningsvatbaarheid; maximale tijdelijke gevangenisstraf van 20 naar 30 jaar; strafmaatoverwegingen.

De rechtbank van oordeel dat een maatregel terbeschikkingstelling met dwangverpleging in deze gerechtvaardigd is.

Bij het oordeel is tevens in aanmerking genomen dat verdachte kampt met een ernstige persoonlijkheidsstoornis, op basis waarvan gesteld kan worden dat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel eist, alsmede de aard van de door verdachte begane strafbare feiten, op grond waarvan het is toegestaan een dergelijke maatregel op te leggen.

Naast de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging, acht de rechtbank op grond van de hierboven gegeven strafmaatoverwegingen, een gevangenisstraf van lange duur geïndiceerd.

Daarbij overweegt de rechtbank dat de recente wijziging van het wetboek van strafrecht waarbij de maximale tijdelijke gevangenisstraf op het onderhavige delict is verhoogd naar dertig jaar welke er toe dient om het verschil tussen de maximale tijdelijke gevangenisstraf en de levenslange gevangenisstraf te verkleinen en daarmee rechters en officieren van justitie meer armslag te geven zonder dat een levenslange gevangenisstraf behoeft te worden opgelegd . Dit houdt naar oordeel van de rechtbank niet in dat de wetgever heeft beoogd te bevorderen dat een in ernst vergelijkbaar strafbaar feit dat na de invoering gepleegd is zwaarder moet worden bestraft.

In afwijking van de oriëntatiepunten die ten aanzien van de strafoplegging bij moord zijn opgesteld en die wijzen op een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 12 jaren, acht de rechtbank het in deze juist verdachte bij volledige toerekeningsvatbaarheid een beduidend hogere gevangenisstraf dan die 12 jaar op te leggen.

Verdachte heeft geen enkele objectieve invoelbare reden gehad om iets tegen het slachtoffer te ondernemen en zeker geen geweldsmisdrijf. Een zakelijk geschil over de levering van enkele van de sloop gehaalde auto-onderdelen, is daarvoor veel te futiel. Elke vergelijking tussen het gestelde geschil over € 200 en de gepleegde moord gaat mank. Voorts is verdachte heel planmatig en gericht te werk gegaan, gelet op het stelen van de sleutels van de munitiekluis een dag voorafgaand aan de moord, het zich de tijd nemen de sleutels van de grotere kluis te vinden, het schoonvegen van de munitie opdat geen vingerafdrukken gevonden zouden worden, het laden van het magazijn van het pistool met één kogel minder dan het maximum om een weigering van het wapen te voorkomen, het voorafgaand aan de moord telefonisch inseinen van zijn vriend [vriend] en het zich naar het huis van het slachtoffer begeven, terwijl hij geen andere reden gehad kan hebben dan het opzoeken van de confrontatie met het slachtoffer. Verdachte is gelet hierop naar het oordeel van de rechtbank dan ook zeer koelbloedig te werk. In de woning van het slachtoffer zijn geen sporen van een worsteling of verzet aangetroffen, zodat de rechtbank het er voor houdt dat verdachte ten opzichte van het slachtoffer enige afstand gehouden heeft, toen hij begon met schieten. Dat is ook in overeenstemming met de verklaring van verdachte dat hij begon met schieten toen hij bij de computer stond terwijl het slachtoffer bij de aanrecht stond, alsmede met de vondst van een huls bij de salontafel.

Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat verdachte’s intentie enkel en alleen gericht was op de dood van het slachtoffer. Verwonden c.q. uitschakelen was voor verdachte onvoldoende. Zo is hij, na het slachtoffer enkele malen bij het keukenblok beschoten en geraakt te hebben, het gewonde slachtoffer nagezet toen deze de slaapkamer in vluchtte. Vervolgens heeft hij zijn hele magazijn op het slachtoffer leegschoten, terwijl deze in zijn kleine slaapkamer geen kant op kon. Het slachtoffer moet toen hij wegvluchtte naar zijn slaapkamer beseft hebben dat hij letterlijk de dood ingejaagd werd. De pure gerichtheid van verdachte op de dood van het slachtoffer komt het sterkst tot uiting bij het laatste schot. Gewond, mogelijk dodelijk gewond ligt het slachtoffer op het bed; verdachte, die van het slachtoffer op dat moment niets meer te duchten heeft, vult het magazijn van zijn pistool, schiet het slachtoffer nogmaals door het hoofd en controleert als laatste of het slachtoffer niet meer ademt. Verdachte heeft volstrekt geen respect getoond voor het leven van het slachtoffer en met zijn daad ook onnoemlijk leed veroorzaakt bij de mensen die het slachtoffer lief hadden.

Dat zoiets mogelijk is, veroorzaakt ook veel beroering in de gemeenschap van Susteren en de maatschappij als geheel. Een dergelijke niet te begrijpen, koude, gevoelloze en berekende daad, die gevolgd werd door diefstal, dient naar het oordeel van de rechtbank, bij volledige toerekeningsvatbaarheid van de dader, dan ook bestraft te worden met een beduidend hogere gevangenisstraf dan de hiervoor genoemde 12 jaren.

Er is in deze zaak vast komen te staan dat er bij verdachte sprake is van een stoornis van zijn geestvermogens, van zwakbegaafdheid en van middelenafhankelijkheid, die maken dat de rechtbank op basis van over verdachte opgemaakte rapportages tot de conclusie komt dat verdachte ten tijde van de gepleegde feiten verminderd toerekeningsvatbaar geacht dient te worden. Deze verminderde toerekeningsvatbaarheid bij de strafmaat in beschouwing genomen acht de rechtbank, naast de op te leggen TBS met dwangverpleging, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 12 jaar op zijn plaats.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Parketnummers: 04/610040-07; 04/850468-07

Uitspraak d.d.: 29 augustus 2007

TEGENSPRAAK

VONNIS van de rechtbank Roermond, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

naam : [verdachte]

voornamen : [voornamen]

geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats]

adres : [straatnaam]

plaats : [woonplaats]

thans gedetineerd in P.I. HvB Grave (Unit A + B), Muntlaan 1 Grave.

1. Het onderzoek van de zaak.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 15 augustus 2007.

2. De tenlastelegging.

De verdachte staat terecht ter zake dat:

1.

hij op of omstreeks 21 februari 2007 te Susteren, in elk geval in de gemeente Echt-Susteren, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een pistool (meermalen) een kogel(s) geschoten in het lichaam en/of hoofd van die [slachtoffer], tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

artikel 289 Wetboek van Strafrecht

Tenlastelegging bij gevoegde verdachte met parketnummer: 850468-07

1.

hij op of omstreeks 21 februari 2007 te Susteren, gemeente Echt-Susteren, voorhanden heeft gehad:

a.

een vuurwapen van de categorie III onder 1, te weten een pistool (merk Browning FN, kaliber 22 LR, serienummer [nummer]);

b.

munitie van de categorie III, te weten 15, in elk geval een aantal, patronen;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

artikel 26 Wet wapens en munitie.

2.

hij op of omstreeks 21 februari 2007 te Susteren, in elk geval in de gemeente Echt-Susteren, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen:

a.

een laptop en/of een hoeveelheid sieraden, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [bestolene 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

b.

een personenauto (merk Volkswagen, kenteken [kenteken]), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [beslolene 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

artikel 310 Wetboek van Strafrecht.

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3. De geldigheid van de dagvaarding.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4. De bevoegdheid van de rechtbank.

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5. De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen.

6. Schorsing der vervolging.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

7. Bewijsoverwegingen.

7.1 Standpunten van het openbaar ministerie en de verdediging.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 15 augustus 2007 gevorderd dat het ten laste gelegde zal worden bewezen verklaard.

De raadsman refereert zich voor wat betreft de bewezenverklaring aan het oordeel van de rechtbank. De verdachte verklaart ter terechtzitting dat ten aanzien van het ten laste gelegde bij de dagvaarding met parketnummer 610040-07, hij gehandeld heeft vanuit een panieksituatie, in reactie op het gedrag van het slachtoffer.

7.2 Bewijsmiddelen.

De overtuiging van de rechtbank dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de volgende bewijsmiddelen. De hieronder vermelde bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit, waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

De genoemde geschriften zijn slechts gebruikt in verband met de inhoud van de overige bewijsmiddelen.

Ten aanzien van de ten laste gelegde feiten.

Ter terechtzitting verklaart verdachte dat hij op 21 februari 2007 met schoten uit een pistool, dat hij uit de kluis van zijn moeder heeft weggenomen, [slachtoffer] in zijn woning aan de [adres 1] te Susteren om het leven heeft gebracht, waarbij hij na afloop een laptop, sieraden, autosleutel en autopapieren uit de woning van het slachtoffer heeft meegenomen en met de auto van het slachtoffer, een zwarte Volkswagen Golf, is weggereden .

Op 21 februari 2007 is [een politieagent], naar aanleiding van een melding vanuit de ambulancemeldkamer, naar [adres 1] te Susteren gegaan, alwaar hij een man op bed aantrof die geen enkel teken van leven meer gaf .

Op 22 februari 2007 is aan [adres 1] te Susteren het stoffelijk overschot in beslag genomen van [slachtoffer].

Dr. V. Soerdjbalie - Maikoe, arts en patholoog, heeft op 23 februari 2007 de uit- en inwendige schouwing verricht op het lijk van [slachtoffer] (verder te noemen slachtoffer), die op 21 februari 2007 dood in zijn woning aan [adres 1] te Susteren is aangetroffen. Het rapport naar aanleiding van het pathologisch onderzoek betreffende [slachtoffer] d.d. 20 april 2007, wijst uit dat er bij sectie tekenen waren van bij leven opgelopen inwerking van uitwendig mechanisch perforerend geweld, passend bij 2 doorschoten en 8 inschoten, waarvan 3 in het hoofd van het slachtoffer. Het intreden van de dood van [slachtoffer] wordt verklaard door weefselschade in combinatie met bloedverlies door inwerking van uitwendig mechanisch perforerend geweld, namelijk schotletsels .

[bestolene 1] doet op 27 maart 2007 aangifte van diefstal uit haar woning aan [adres 1] te Susteren d.d. 21 februari 2007, waarbij sieraden, een laptop, autosleutels en autopapieren zijn weggenomen . Tevens is door de dader een zwarte Volkswagen Golf meegenomen .

[beslolene 2] doet op dinsdag 13 maart 2007 aangifte van diefstal van een zwarte Volkswagen Golf, voorzien van kenteken [kenteken], die op 21 februari 2007 is weggenomen bij de woning van het slachtoffer aan [adres 1] te Susteren. De auto staat op naam van aangever, terwijl het slachtoffer de feitelijke gebruiker was van deze auto .

[naam], de moeder van verdachte, verklaart dat zij in het bezit is van twee wapens, waaronder een pistool 22 longrifle merk Browning. Op 21 februari 2007 ontdekte zij dat het hiervoor vermelde wapen uit de wapenkluis in haar woning was verdwenen .

Zij constateerde tevens dat de reservehouder, behorende bij het wapen, weg was. Op de bijlage bij de wapenvergunning ten name van de moeder van verdachte, staat het desbetreffende wapen vermeld onder nummer [nummer] .

Verdachte is op zaterdag 24 februari 2007 aangehouden in de woning aan [adres 2] te Geleen . Hierbij werd verdachte gevraagd of hij in bezit is van een wapen. Hij deelde de politie toen mede dat er in een jas, die over een stoel in de woonkamer hing, een vuurwapen zat . In de jas werd een vuurwapen met patroonhouder aangetroffen, met hierin 4 scherpe patronen. Het vuurwapen en de houder met de patronen, alsmede de jas waarin het vuurwapen is aangetroffen, zijn vervolgens veilig gesteld, in beslag genomen en later voorzien van een identiteitszegel .

Op woensdag 28 februari 2007 is er technisch onderzoek verricht aan het vuurwapen, de patroonhouder en de patronen. Het vuurwapen betrof een pistool, kaliber 22, merk Browning FN, nummer [nummer] .

In de woning van het slachtoffer zijn hulzen aangetroffen, veilig gesteld, in beslag genomen en voorzien van een identiteitszegel. Onderzoek door het Nederlands Forensisch Instituut wijst uit dat de in de woning van het slachtoffer aangetroffen hulzen, met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid verschoten zijn met bovenvermeld pistool. Op de 4 patronen die nog in de houder van het wapen aanwezig waren, alsmede op de jas waarin het wapen is aangetroffen, is bij onderzoek door het Nederlands Forensisch Instituut DNA materiaal van verdachte aangetroffen, waarvan de kans dat een willekeurig gekozen persoon hetzelfde DNA-profiel bezit als dat van het onderzochte spoor, kleiner is dan 1 op 1 miljard.

Ten aanzien van het onder 1 sub b bij de dagvaarding met parketnummer 850468 -07 ten laste gelegde aantal patronen, merkt de rechtbank op dat het niet 15 maar 14 patronen betreft (9 patronen in het magazijn en 5 reserve patronen) die verdachte voorhanden heeft gehad, op grond waarvan de rechtbank een aantal patronen in plaats van 15 bewezen zal verklaren.

Ten aanzien van de voorbedachte rade.

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij heeft gehandeld vanuit een paniekreactie op het gedrag van het slachtoffer. Voor zover verdachte daarmee heeft willen betogen dat er geen sprake is van moord wegens het ontbreken van voorbedachten rade, is de rechtbank van oordeel dat dit verweer gelet op het geheel van feiten en omstandigheden zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, geen doel treft.

Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.

Verdachte heeft een probleem met het slachtoffer [slachtoffer] over een door hem voorgeschoten geldbedrag van ongeveer € 200,--, bestemd voor door verdachte aan te schaffen onderdelen voor de auto van [slachtoffer]. Verdachte heeft [slachtoffer] leren kennen, omdat zijn vriend [vriend] (verder te noemen [vriend]) in dezelfde woning een appartement heeft en verdachte daar regelmatig verblijft. Bij uitblijven van de levering van de auto-onderdelen, wenst [slachtoffer] het voorgeschoten geldbedrag terug te ontvangen en heeft hij verdachte daarover aangesproken .

[slachtoffer] heeft de eigenaar van het pand van deze ontwikkelingen telefonisch op de hoogte gesteld met de mededeling dat als er iets zou gebeuren, hij, de eigenaar, er in ieder geval vanaf zou weten.

Verdachte verklaart voorts over enige bedreigende confrontaties met [slachtoffer] en dat hij [slachtoffer] zal neersteken als deze probeert hem een pak slaag te geven.

Verdachte verklaart ter terechtzitting dat hij wist dat zijn moeder, die lid is van de schietvereniging, twee wapens in een kluis in huis bewaart en dat zich in die kluis tevens een afgesloten munitiesafe bevindt. Ter voorbereiding van de confrontatie met het slachtoffer heeft verdachte, zoals hij ook ter terechtzitting heeft verklaard, een dag voor de moord reeds de sleutel van de munitiesafe uit de jaszak van zijn moeders jas gehaald. Verdachte heeft volgens zijn verklaring ter terechtzitting, de ochtend van de moord, een tot anderhalf uur in het huis van zijn moeder naar de sleutel van de wapenkluis gezocht. Nadat hij de sleutel had gevonden, heeft hij het pistool uit de kluis genomen en het magazijn welbewust met 9 in plaats van 10 patronen uit de munitiesafe gevuld, daar hij uit zijn diensttijd weet dat bij een vol magazijn de kans bestaat dat het pistool bij gebruik zal blokkeren. Daarnaast heeft hij nog 5 patronen extra uit de kluis genomen. Verdachte heeft vervolgens, zoals hij eveneens ter terechtzitting verklaart, de 9 patronen nog eens uit het magazijn gehaald om deze met een doek van eventuele vingerafdrukken te ontdoen.

[Getuige 1] verklaart dat hij verdachte op 21 februari 2007 rond 10.00 uur heeft gezien in de woning van de moeder van verdachte. Verdachte had toen een wapen in zijn handen. Hij zag dat verdachte het magazijn uit zijn wapen haalde en dat deze vol met kogels zat. Op de vraag van [Getuige 1] wat hij met het pistool wilde doen, antwoordde verdachte dat hij even iets moest oplossen. Toen [Getuige 1] zei dat hij de persoon in kwestie gewoon op zijn gezicht moest slaan, zag hij verdachte alleen maar een beetje lachen.

Ter terechtzitting verklaart verdachte dat hij op 21 februari 2007 vanuit zijn woning met het wapen, rechtstreeks naar de woning van [slachtoffer] is gefietst en zijn fiets achterom bij het huis van [slachtoffer] heeft neergezet. De rechtbank stelt naar aanleiding van deze verklaring van verdachte ter terechtzitting vast, dat verdachte ook geen andere reden had om op dat moment naar de woning van [slachtoffer] te gaan. Weliswaar verklaart verdachte aanvankelijk dat hij zijn fiets bij de woning heeft neergezet, omdat hij met de trein naar een sollicitatiegesprek moest. Echter, zo verklaart verdachte ter terechtzitting, toen hij zich naar de woning van [slachtoffer] begaf, was de tijd voor die afspraak reeds verstreken en was hij bovendien de advertentie met het adres kwijtgeraakt.

Verdachte heeft over de wijze waarop vervolgens aldaar het contact met [slachtoffer] tot stand is gekomen en over de wijze waarop hij in de woning van het slachtoffer is geraakt, verschillende verklaringen afgelegd. Tijdens het verhoor bij de politie verklaart verdachte onder meer dat toen [slachtoffer] het pistool in de broek van verdachte zag, deze naar binnen is gerend, verdachte achter hem aan is gegaan, [slachtoffer] de deur nog heeft dicht geduwd en verdachte die toen heeft opengeduwd.

Ter terechtzitting verklaart verdachte dat [slachtoffer] vanuit de woning op het raam van de benedenetage klopte, opdat [slachtoffer] naar binnen zou komen. [slachtoffer] heeft daartoe toen de centrale deur open gemaakt en verdachte binnengelaten.

Ter terechtzitting verklaart verdachte dat hij op enig moment voordat hij naar de woning van het slachtoffer is gegaan, zijn vriend [vriend] heeft gebeld. Wat de inhoud van dit gesprek betreft, beroept verdachte zich ter terechtzitting op zijn zwijgrecht. Uit de in het dossier gevoegde opgevraagde historische printlijsten blijkt dat dit telefoongesprek is gevoerd om 11.54.15 uur, vanaf de vaste telefoon op het adres van de moeder van verdachte alwaar verdachte zich die ochtend bevond, als ook dat er is gebeld naar het GSM-nummer van [vriend]. Bij zijn verhoor bij de politie verklaart verdachte dat hij voordat hij het slachtoffer heeft doodgeschoten, [vriend] reeds telefonisch heeft medegedeeld dat hij “hem (het slachtoffer) kapot geschoten had”; “Terwijl dit nog niet gebeurd was”.

[vriend] bevestigt in zijn verklaring bij de politie dit telefonisch contact met verdachte, waarin deze mededeelt dat hij het slachtoffer heeft neergeschoten. [vriend] belt vervolgens om 12:08 vanaf het toestel van zijn werkgever naar zijn moeder, mw. [naam]. De moeder van [vriend] bevestigt op haar beurt dat hij haar heeft verteld dat verdachte iemand heeft neergeschoten en dat [vriend] haar in dat verband verzocht heeft naar zijn appartement te gaan, waar [slachtoffer] eveneens woonachtig is, om poolshoogte te nemen.

Uit technisch onderzoek blijkt tevens dat om 11.58.30 uur een Sms-bericht is verstuurd van de GSM van [slachtoffer] en dat [slachtoffer] om 12:05:08 tijdens een chatsessie heeft geantwoord. Hieruit concludeert de rechtbank dat verdachte nog voor de uitvoering van de moord, zijn vriend [vriend] hiervan op de hoogte heeft gesteld.

Vervolgens overweegt de rechtbank met betrekking tot het schieten zelf het volgende.

Verdachte verklaart verschillend over de directe aanleiding voor het trekken van het pistool en het schieten in de woning van het slachtoffer. Zijn meest gehanteerde verklaring is dat hij zijn wapen trok toen [slachtoffer] zich omdraaide om iets van de aanrecht te pakken. Ter zitting verklaart verdachte dat hij iets zwarts in de hand van verdachte zag en daarop heeft gereageerd met schieten. Bij de politie verklaart verdachte onder meer dat hij niet gezien heeft of en zo ja wat [slachtoffer] heeft gepakt, maar dat hij niet heeft afgewacht. Bij technisch onderzoek is evenwel geen openstaande keukenlade of een op de aanrecht of grond liggend keukenartikel als een mes aangetroffen. Wat er verder ook zij van de verklaring van verdachte, de rechtbank is van oordeel dat, zo [slachtoffer] zich al heeft omgedraaid om iets te pakken, dit in het geheel van het vooropgezette plan van verdachte, zoals dat uit bovenstaande blijkt, enkel beschouwd dient te worden als de directe aanleiding om op dat moment zijn daadwerkelijke plan uit te voeren, te weten het schieten op [slachtoffer]. Dit blijkt de rechtbank ook uit het vervolg van de gang van zaken.

Ter terechtzitting verklaart verdachte dat hij het slachtoffer daarop heeft beschoten. Dit vond aanvankelijk plaats in de keuken/woonkamer en toen het slachtoffer probeerde te vluchten naar de direct aangrenzende slaapkamer, is verdachte vervolgens achter hem aangegaan en heeft verdachte het magazijn in de slaapkamer op het slachtoffer leeggeschoten. Uit het Wapen- en munitieonderzoek blijkt dat er 4 hulzen in de woonkamer/keuken zijn aangetroffen en 6 hulzen in de slaapkamer.

Terwijl verdachte schoot is het slachtoffer uiteindelijk voorover op zijn bed gevallen. Door het geluid dat het slachtoffer maakte tijdens de ademhaling, wist verdachte, volgens zijn verklaring ter terechtzitting, dat deze nog leefde. Verdachte heeft vervolgens het wapen opnieuw geladen met de vijf patronen die hij eveneens had meegenomen en heeft toen het slachtoffer gericht door zijn hoofd geschoten om, zoals verdachte heeft verklaard, het slachtoffer uit zijn lijden te verlossen. Verdachte stelt ter terechtzitting gecontroleerd te hebben, dat het slachtoffer niet meer ademde na het laatste schot.

Vervolgens heeft verdachte, zo verklaart hij ter terechtzitting, alvorens de woning te verlaten een laptop, sieraden en de autosleutels met de autopapieren in de woning gepakt, met de intentie deze later te verkopen ten behoeve van de aankoop van heroïne. Verdachte heeft, volgens zijn verklaring bij de politie, de woning nog afgesloten met de sleutel die bij de autosleutels hing en is met de auto van het slachtoffer weggereden. Hij lacht en zwaait bij het voorbij rijden naar de inmiddels vlak bij het appartement gearriveerde moeder van [vriend].

Daarna heeft verdachte door tussenkomst van zijn dealer de gestolen spullen zo snel mogelijk ten gelde proberen te maken, teneinde aan zijn heroïnebehoefte te voldoen.

Uit vorenstaande feiten en omstandigheden in hun onderlinge samenhang bezien, oordeelt de rechtbank dat verdachte na kalm overleg en bedaard nadenken naar het appartement van het slachtoffer is gegaan, met het doel om het slachtoffer om het leven te brengen en zijn voornemen ook daadwerkelijk heeft uitgevoerd en zelfs daartoe ook nog, wederom na kalm overleg en bedaard nadenken het slachtoffer, ten einde zijn voornemen geheel te voltooien, een extra kogel in het hoofd heeft geschoten.

7.3 Bewezenverklaring.

Op grond van voormelde bewijsmiddelen en overwegingen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 21 februari 2007 te Susteren, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een pistool meermalen kogels geschoten in het lichaam en het hoofd van die [slachtoffer], tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

Tenlastelegging bij gevoegde verdachte met parketnummer: 850468-07:

1.

hij op 21 februari 2007 te Susteren, voorhanden heeft gehad:

a.

een vuurwapen van de categorie III onder 1, te weten een pistool merk Browning FN, kaliber 22 LR, serienummer [nummer];

b.

munitie van de categorie III, in elk geval een aantal patronen;

2.

hij op 21 februari 2007 te Susteren, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen:

a.

een laptop en een hoeveelheid sieraden, toebehorende aan [bestolene 1];

b.

een personenauto merk Volkswagen, kenteken [kenteken], toebehorende aan [beslolene 2].

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

8. Kwalificatie van het bewezenverklaarde.

Het ten laste van verdachte bewezenverklaarde levert op de navolgende misdrijven:

Ten aanzien van het ten laste gelegde bij de dagvaarding met parketnummer 610040-07: Moord.

Het misdrijf is strafbaar gesteld bij artikel 289 Wetboek van Strafrecht.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde bij de dagvaarding met parketnummer 850468-07:

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit is begaan met een vuurwapen van de categorie III en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie.

Het misdrijf is strafbaar gesteld bij artikel 55 juncto artikel 26 van de Wet wapens en Munitie.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde bij de dagvaarding met parketnummer 850468-07:

Diefstal, meermalen gepleegd

Het misdrijf is strafbaar gesteld bij artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht.

9. De strafbaarheid van verdachte.

De verdachte is strafbaar voor het bewezenverklaarde, nu niet is gebleken van enige omstandigheid die verdachtes strafbaarheid opheft. In dit kader heeft de rechtbank kennis genomen van een psychiatrisch rapport Pro Justitia d.d. 15 mei 2007, opgemaakt door J.R. Nijdam, zenuwarts, alsmede een psychologisch rapport Pro Justitia d.d. 26 mei 2007, opgemaakt door M.M. van der Veer, Gz-psycholoog, waarin beide deskundigen concluderen tot een verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte.

10. De straffen en/of maatregelen.

10.1 De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft bij gelegenheid van de terechtzitting op 15 augustus 2007 met betrekking tot de op te leggen straf gevorderd, dat verdachte ter zake van het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 15 jaren, met aftrek ex artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarbij tevens de maatregel terbeschikkingstelling met dwangverpleging zal worden opgelegd.

Bij de strafvordering heeft de officier van justitie in aanmerking genomen, de wetswijziging van 1 februari 2006, waarbij de maximale tijdelijke gevangenisstraf voor moord is verhoogd van 20 naar 30 jaren, het doel van de bestraffing in het bijzonder de vergelding, dat tevens inhoudt dat bij het bepalen van de straf de gevoelens van het slachtoffer en de maatschappij ten aanzien van het misdrijf tot uitdrukking dienen te komen, de (brute) wijze waarop het misdrijf is gepleegd als ook de afwezigheid van enig berouw bij verdachte, alsmede de resultaten omtrent het onderzoek naar de geestvermogens van verdachte en het oordeel van de deskundigen hieromtrent, dat het delict verdachte in verminderde mate kan worden toegerekend.

10.2 Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft ten aanzien van de gevorderde straf aangevoerd dat hij gezien de rapportages van de deskundigen, een terbeschikkingstelling met dwangverpleging van verdachte noodzakelijk acht, mede ter voorkoming van verdere misdrijven. Verdachte is bovendien gemotiveerd behandeling in het kader van terbeschikkingstelling met dwangverpleging te ondergaan.

Een langdurige gevangenisstraf impliceert dat de noodzakelijke behandeling lange tijd uitblijft en derhalve contraproductief zal uitwerken op die behandeling van verdachte. Daarnaast zal het uitblijven van behandeling van gedetineerden in het algemeen, een negatieve uitwerking hebben op het interne gevangenisklimaat. De raadsman bepleit dan ook de behandeling van verdachte in het kader van terbeschikkingstelling met dwangverpleging zo spoedig mogelijk te doen aanvangen en derhalve af te zien van een gevangenisstraf dan wel deze beperkt van duur te laten zijn.

Het aspect vergelding komt in de optiek van de raadsman evenzeer tot uitdrukking bij een terbeschikkingstelling met dwangverpleging, als bij een gevangenisstraf. Immers wordt deze maatregel door diegene die het aangaat, over het algemeen, als een zware straf aangemerkt. Daarnaast biedt terbeschikkingstelling met dwangverpleging volgens de raadsman voldoende waarborgen om te voorkomen dat verdachte voortijdig wordt vrijgelaten.

10.3 De strafmaatoverwegingen van de rechtbank.

Verdachte heeft op 21 februari 2007, naar aanleiding van een conflict om ongeveer €200,-, het slachtoffer op koelbloedige wijze middels kogelschoten om het leven gebracht. Moord is een van de ernstigste delicten die een persoon kan begaan. Immers daardoor wordt iemand beroofd van het kostbaarste dat hij bezit: zijn leven.

De rechtbank heeft tevens kennis genomen van een psychiatrische rapport Pro Justitia d.d. 15 mei 2007, opgemaakt door dr. J.D. Nijdam, zenuwarts, omtrent zijn bevindingen betreffende een psychiatrisch onderzoek ten aanzien van verdachte.

Uit het rapport blijkt dat er bij verdachte sprake is van een ernstige gemengde persoonlijkheidsstoornis met vooral antisociale, maar ook borderline kenmerken. Sterk emotionele wisselingen, een gebrekkige gewetensfunctie, impulsiviteit, gebrekkige eigen identiteit, structuurloosheid en chaos ten aanzien van het levenspatroon zijn de kenmerkende verschijnselen die aan deze persoonlijkheidsstoornis kunnen worden toegeschreven. Ook zijn er bij verdachte stoornissen met betrekking tot de realiteitszin vastgesteld, waardoor realiteit en fantasie door elkaar lopen. Bij verdachte is er eveneens sprake van ernstig misbruik en afhankelijkheid van drugs en benzodiazepines. Voorts blijkt verdachte qua intelligentie op zwak begaafd niveau te presteren. Een voorgeschiedenis van affectieve verwaarlozing en mishandeling en mogelijk ook kenmerken van ADHD, worden door de deskundige als de oorzakelijke factoren hiervan aangemerkt.

Volgens de deskundige beïnvloedde de persoonlijkheidsstoornis, de zwakbegaafdheid als ook de afhankelijkheid van middelen, verdachtes gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het ten laste gelegde. Tengevolge van de bovenvermelde kenmerken behorende bij deze persoonlijkheidsstructuur is verdachte verminderd in staat sturing te geven aan zijn leven en aan zijn gedragingen en is hij onvoldoende in staat om met frustraties, angst en andere negatieve gevoelens om te gaan, zoals die voorafgaande en ten tijde van het ten laste gelegde aanwezig waren.

De risicotaxatie wijst uit dat er bij betrokken veel factoren aanwezig zijn, zowel gerelateerd aan de persoonlijkheidsstoornis als aan de zwakbegaafdheid en de afhankelijkheid van middelen, die een duidelijk verhoogd recidiverisico ten aanzien van geweldsdelicten met zich meebrengen.

Volgens de deskundige is gezien de ernst van de persoonlijkheidsstoornis als ook de afhankelijkheid van middelen, een langdurige behandeling van verdachte noodzakelijk om de kans op recidive te verminderen. Mede gezien de ernst van de tenlastegelegde feiten, kan volgens de desbetreffende deskundige niet anders worden geadviseerd dan terbeschikkingstelling met dwangverpleging.

Daarnaast heeft de rechtbank kennis genomen van een psychologisch rapport Pro Justitia d.d. 26 mei 2007, opgemaakt door drs. M.M. van der Veer, gz-psycholoog, omtrent zijn bevindingen betreffende een psychologisch onderzoek ten aanzien van verdachte.

Uit het rapport blijkt dat er bij verdachte sprake is van een gebrekkige stoornis van zijn geestvermogens. Verdachte leidt volgens de deskundige aan een persoonlijkheidsstoornis NAO cluster B met overwegend borderline en antisociale trekken. Tevens is er sprake van zwakbegaafdheid en middelenafhankelijkheid.

Verdachte kan getypeerd worden als een jongeman die emotioneel labiel is en veel innerlijke boosheid en agressieve gevoelens ervaart. Hij is niet in staat adequate coping strategieën te hanteren, in het geval van problematische situaties. Verdachte heeft een verhoogde krenkbaarheid en een gebrekkige impulscontrole. Hij reageert op stress en krenkingen middels woede en fysieke agressie.

Hiermee gaat een ernstige verslavingsproblematiek gepaard, die hem stuurt in zijn gedrag en waaraan hij al het andere ondergeschikt maakt. Zijn voortdurende financiële nood versterkt zijn impulsiviteit en agressie, met name als zaken hem hieraan in de weg staan.

Deze toestand van verdachte was ook aanwezig ten tijde van het ten laste gelegde en volgens de deskundige kan het ten laste gelegde mede vanuit de pathologie verklaard worden. Op basis van het bovenstaande concludeert de deskundige tot verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte. Behandeling in een stevig juridisch kader is nodig voor zowel zijn persoonlijkheidsproblematiek als ook zijn ernstige verslaving. Zonder de noodzakelijke behandeling wordt de kans op recidive bij verdachte hoog ingeschat. Gezien het vorenstaande als ook de maatschappelijke veiligheid in acht genomen, adviseert de deskundige tot terbeschikkingstelling met dwangverpleging.

Gelet op bovenstaande bevindingen van de deskundigen, die de rechtbank tot de hare maakt, de aard van het bewezenverklaarde en de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, is de rechtbank van oordeel dat een maatregel terbeschikkingstelling met dwangverpleging in deze gerechtvaardigd is en zij zal dan ook conform het advies van de deskundigen deze maatregel opleggen en bevelen dat verdachte van overheidswege zal worden verpleegd.

Bij dit oordeel is naast de geconcludeerde verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte tevens in aanmerking genomen het oordeel van de deskundigen dat verdachte kampt met een ernstige persoonlijkheidsstoornis, op basis waarvan gesteld kan worden dat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel eist, alsmede de aard van de door verdachte begane strafbare feiten, op grond waarvan het is toegestaan een dergelijke maatregel op te leggen.

Naast de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging, acht de rechtbank op grond van de hierboven gegeven strafmaatoverwegingen, een gevangenisstraf van lange duur geïndiceerd.

De rechtbank wijkt af van de vordering van de officier van justitie voor wat betreft de duur van de straf. Daarbij overweegt de rechtbank nog dat de recente wijziging van het wetboek van strafrecht waarbij de maximale tijdelijke gevangenisstraf op het onderhavige delict is verhoogd van twintig naar dertig jaar er toe dient om het te groot geachte verschil tussen de maximale tijdelijke gevangenisstraf en de levenslange gevangenisstraf te verkleinen en daarmee rechters en officieren van justitie meer armslag te geven om recht te doen aan de ernst van bepaalde strafbare feiten zonder dat een levenslange gevangenisstraf behoeft te worden opgelegd . Dit houdt naar oordeel van de rechtbank niet in dat de wetgever heeft beoogd te bevorderen dat een strafbaar feit dat na de invoering gepleegd is en in ernst vergelijkbaar is met een strafbaar feit gepleegd voor de invoering, na de invoering van deze wijziging zwaarder moet worden bestraft.

In afwijking van de oriëntatiepunten die ten aanzien van de strafoplegging bij moord zijn opgesteld en die wijzen op een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 12 jaren, acht de rechtbank het in deze juist verdachte bij volledige toerekeningsvatbaarheid een beduidend hogere gevangenisstraf dan die 12 jaar op te leggen. Verdachte heeft geen enkele objectieve invoelbare reden gehad om iets tegen het slachtoffer te ondernemen en zeker geen geweldsmisdrijf. Een zakelijk geschil over de levering van enkele van de sloop gehaalde auto-onderdelen, is daarvoor veel te futiel. Elke vergelijking tussen het gestelde geschil over € 200 en de gepleegde moord gaat mank. Voorts is verdachte heel planmatig en gericht te werk gegaan, gelet op het stelen van de sleutels van de munitiekluis een dag voorafgaand aan de moord, het zich de tijd nemen de sleutels van de grotere kluis te vinden, het schoonvegen van de munitie opdat geen vingerafdrukken gevonden zouden worden, het laden van het magazijn van het pistool met één kogel minder dan het maximum om een weigering van het wapen te voorkomen, het voorafgaand aan de moord telefonisch inseinen van zijn vriend [vriend] en het zich naar het huis van het slachtoffer begeven, terwijl hij geen andere reden gehad kan hebben dan het opzoeken van de confrontatie met het slachtoffer. Verdachte is gelet hierop naar het oordeel van de rechtbank dan ook zeer koelbloedig te werk. In de woning van het slachtoffer zijn geen sporen van een worsteling of verzet aangetroffen, zodat de rechtbank het er voor houdt dat verdachte ten opzichte van het slachtoffer enige afstand gehouden heeft, toen hij begon met schieten.

Dat is ook in overeenstemming met de verklaring van verdachte dat hij begon met schieten toen hij bij de computer stond terwijl het slachtoffer bij de aanrecht stond, alsmede met de vondst van een huls bij de salontafel. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat verdachte’s intentie enkel en alleen gericht was op de dood van het slachtoffer. Verwonden c.q. uitschakelen was voor verdachte onvoldoende. Zo is hij, na het slachtoffer enkele malen bij het keukenblok beschoten en geraakt te hebben, het gewonde slachtoffer nagezet toen deze de slaapkamer in vluchtte. Vervolgens heeft hij zijn hele magazijn op het slachtoffer leegschoten, terwijl deze in zijn kleine slaapkamer geen kant op kon. Het slachtoffer moet toen hij wegvluchtte naar zijn slaapkamer beseft hebben dat hij letterlijk de dood ingejaagd werd. De pure gerichtheid van verdachte op de dood van het slachtoffer komt het sterkst tot uiting bij het laatste schot. Gewond, mogelijk dodelijk gewond ligt het slachtoffer op het bed; verdachte, die van het slachtoffer op dat moment niets meer te duchten heeft, vult het magazijn van zijn pistool, schiet het slachtoffer nogmaals door het hoofd en controleert als laatste of het slachtoffer niet meer ademt. Verdachte heeft volstrekt geen respect getoond voor het leven van het slachtoffer en met zijn daad ook onnoemlijk leed veroorzaakt bij de mensen die het slachtoffer lief hadden. Dat zoiets mogelijk is, veroorzaakt ook veel beroering in de gemeenschap van Susteren en de maatschappij als geheel. Een dergelijke niet te begrijpen, koude, gevoelloze en berekende daad, die gevolgd werd door diefstal, dient naar het oordeel van de rechtbank, bij volledige toerekeningsvatbaarheid van de dader, dan ook bestraft te worden met een beduidend hogere gevangenisstraf dan de hiervoor genoemde 12 jaren.

Er is in deze zaak vast komen te staan dat er bij verdachte sprake is van een stoornis van zijn geestvermogens, van zwakbegaafdheid en van middelenafhankelijkheid, die maken dat de rechtbank op basis van over verdachte opgemaakte rapportages tot de conclusie komt dat verdachte ten tijde van de gepleegde feiten verminderd toerekeningsvatbaar geacht dient te worden. Deze verminderde toerekeningsvatbaarheid bij de strafmaat in beschouwing genomen acht de rechtbank, naast de op te leggen TBS met dwangverpleging, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 12 jaar op zijn plaats.

Een kortere gevangenisstraf zoals door de raadsman bepleit teneinde zo snel mogelijk de terbeschikkingstelling met dwangverpleging een aanvang te doen nemen, acht de rechtbank mede gelet op het systeem van de wet waarbij de dwangverpleging als een maatregel dient te worden beschouwd, geen recht doen aan de strafmaatoverwegingen.

11. Beslag.

11.1 Onttrekking aan het verkeer.

De rechtbank is van oordeel dat de onderstaande inbeslaggenomen goederen dienen te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien met betrekking tot die voorwerpen het feit is begaan, terwijl die voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang.

07-001169 1 1.00 STK Munitie: huls, DNA-zegel EDA552 TO spoornr. PAB.01

07-001169 2 1.00 STK Munitie: huls, DNA-Zegel EDA553 TO spoornr. PAB.02

07-001169 3 1.00 STK Munitie: huls, DNA-zegel EDA554 TO spoornr PAB.03

07-001169 4 1.00 STK Munitie: huls, DNA-zegel EDA555 TO spoornr. PAB.04

07-001169 5 1.00 STK Munitie: kogelfragm., DNA-zegel EDA557 TO spoornr. PAB.11

07-001169 6 1.00 STK Munitie: DNA-zegel EDA573, TO spoornr. PAC.07 kogelinslag

07-001169 7 1.00 STK Munitie: kogelfragm, DNA-zegel CVA589 TO spoornr. PAC.08

07-001169 8 1.00 STK Munitie: huls, DNA-zegel CVA590 To spoornr. PAC.09

07-001169 9 1.00 STK Munitie: huls, DNA-zegel EDA574 TO spoornr. PAC.16

07-001169 10 1.00 STK Munitie: huls, DNA-zegel EDA575 TO spoornr. PAC.17

07-001169 11 1.00 STK Munitie: huls, DNA-zegel EDA576 TO spoornr. PAC.20

07-001169 12 1.00 STK Wapen: knuppel, TO spoornr. PAC.21

07-001169 37 1.00 STK Pistool: BROWNING FN[nummer], DNA-zegel EDA611 TO spoornr. WB.02

07-001169 38 1.00 STK Patroonhouder: DNA-zegel EDA612 TO spoornr. WB.03

07-001169 39 1.00 STK Patroon: 22 DNA-zegel EDA613 TO spoornr. WB.03.01

07-001169 40 1.00 STK Patroon: DNA-zegel EDA614 TO spoornr. WB.03.02

07-001169 41 1.00 STK Patroon: DNA-zegel EDA615 TO spoornr. WB.03.03

07-001169 42 1.00 STK Patroon: DNA-zegel EDA616 TO spoornr. WB.03.04

07-001169 44 50.00 STK Munitie: PISTOL MATCH 22 TO spoornr. JU15.1.4.2.1 cq WC.03

07-001169 45 24.00 STK Munitie: DYNAMIT NOBEL 22, TO-spoornr. JU15.1.4.2.2 cq WC.02

07-001169 46 50.00 STK Munitie: RWS/SINOXID 22, TO spoornr. JU15.1.4.2.3 cq WC.04

07-001169 47 184.00 STK Munitie: LAPUA 22, TO spoornr. JU15.1.4.2.4 cq WC.01

07-001169 48 1.00 STK Patroonhouder: TO spoornr. JU15.1.4.6.1

07-001169 52 1.00 STK Wapenonderdelen: DNA-zegel EDA601 TO spoornr. WA.02 kolf

11.2 Bewaring,

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat onder meer inbeslaggenomen zijn:

07-001169 13 1.00 STK Vloerbedekking,TO spoornr. S001

07-001169 14 1.00 STK Trui,TO spoornr.LA.02

07-001169 15 1.00 STK Broek,TO spoornr. LA.03

07-001169 16 1.00 STK Schoenen, laarzen,TO spoornr. LA.04

07-001169 17 1.00 STK Jas, TO spoornr. LA.05

07-001169 18 1.00 STK Broek, TO spoornr. LB.02

07-001169 19 1.00 STK Trui, TO spoornr. LB.03

07-001169 20 1.00 STK Schoenen, TO spoornr. LB.04

07-001169 21 1.00 VRZ Kleding: TO spoornr. VA.02 sokken, handschoenen, ondergoed

07-001169 22 1.00 STK Jas: SABO ELECTRO spoornr. VA.03

07-001169 23 1.00 STK Broek, TO spoornr. VA.04

07-001169 24 1.00 STK Trui, TO spoornr. VA.05

07-001169 25 1.00 STK Schoenen, TO spoornr. VA.06

07-001169 26 1.00 STK Schoenen: laarzen, DNA-zegel EDA590 TO spoornr. VB.01

07-001169 27 1.00 VRZ Sieraad: TO spoornr. VB.02 horloge, ketting, beurs

07-001169 28 1.00 STK Sok Kleur wit, TO spoornr. VB.03

07-001169 29 1.00 STK Ondergoed, DON UNDERWEAR,TO spoornr. VB.04

07-001169 30 1.00 STK Pet, TO spoornr. VB.05

07-001169 31 1.00 STK Sweater, PRODIGIOUS, TO spoornr. VB.06

07-001169 32 1.00 STK Kleding: Kleur grijs,T-shirt, TO spoornr. VB.07

07-001169 33 1.00 STK Broek: jeans, DNA-zegel EDA591 TO spoornr. VB.08 met riem

07-001169 34 1.00 STK Tablet: medicijn, TRANXILIUM 50, TO spoornr. VB.08.01 en mesje en snoepjes

07-001169 35 1.00 STK Jas, winter, DNA-zegel EDA610 TO spoornr. WB.01

07-001169 36 1.00 STK Lamp, TO spoornr. WB.01.01

07-001169 43 1.00 DS Doos Kleur zwart, TO spoornr. JU15.1.4.1.1

07-001169 49 1.00 STK Kleding: T-shirt DNA-zegel EDA 580 TO spoornr. PBB.01

07-001169 50 1.00 STK Videoband

07-001169 51 1.00 STK Kleding: Kleur blauw, bodywarmer, TO spoornr. WA.01

07-001169 53 1.00 DS Doos: sigaren,TO spoornr. WA.03

07-001169 54 1.00 STK Tas: laptop.

Nu ten aanzien van deze voorwerpen niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering, dienen deze te worden teruggegeven aan degene aan wie ze toebehoren. Aangezien thans door de rechtbank niet kan worden vastgesteld wie de rechthebbende eigenaar van deze voorwerpen is, gelast de rechtbank op grond van artikel 353, tweede lid en onder c van het Wetboek van Strafvordering, de bewaring hiervan ten behoeve van de rechthebbende.

12. De vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel.

[benadeelde partij], wonende [adres], zus van het slachtoffer, heeft een vordering benadeelde partij ingediend met betrekking tot de kosten lijkbezorging in verband met het ten laste gelegde bij de dagvaarding met parketnummer 04/610040-07, te vermeerderen met de wettelijke rente.

[benadeelde partij] voornoemd heeft de vordering gesteld op een bedrag van € 530.39, waarvan € 45.39 wordt gevorderd als zijnde het bedrag dat als eigen bijdrage voor de uitvaartkosten in rekening is gebracht en € 485,- voor de kosten van de naamplaat ten behoeve van de bijzetting van de asbus.

Namens verdachte is aangegeven dat deze vordering erkend wordt.

Ten laste van verdachte is het hiervoor ten laste gelegde feit bewezen. Het is een strafbaar feit en verdachte zal ter zake worden veroordeeld.

De rechtbank komt tot het oordeel dat de benadeelde partij als draagster kosten lijkbezorging op grond van artikel 51a, lid 2, een schadevergoeding kan worden toegekend van € 530.39, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 maart 2007.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade.

De rechtbank zal over deze vordering benadeelde partij overeenkomstig het hiervoor overwogene, beslissen zoals hierna is vermeld, alsmede over de kosten die door de benadeelde partij zijn gemaakt, thans begroot op nihil.

De rechtbank zal tevens aan verdachte de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van € 530.39 (plus wettelijke rente) te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 10 dagen, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer], wonende [adres].

Voorts heeft [bestolene 1] wonende [adres] een vordering benadeelde partij ingediend met betrekking tot de geleden schade als gevolg van het ten laste gelegde bij de dagvaarding met parketnummer 04/610040-07, alsmede als gevolg van het onder 2 ten laste gelegde bij de dagvaarding met parketnummer 850468-07, te vermeerderen met de wettelijke rente.

[bestolene 1] voornoemd heeft de vordering gesteld op een bedrag van € 5500,-, waarvan € 500,- wordt gevorderd aan materiële schade voor de sieraden die door verdachte uit de woning van de benadeelde zijn ontvreemd en € 5000,- als voorschot voor immateriële schade, door de rechtbank beoordeelt als zogenoemde shockschade als gevolg van het ten laste gelegde.

Namens verdachte is aangegeven dat deze vordering erkend wordt.

Ten laste van verdachte is het hiervoor ten laste gelegde bij de dagvaarding met parketnummer 04/610040-07 alsmede het onder 2 ten laste gelegde bij de dagvaarding met parketnummer 850468-07 bewezen. Het betreft strafbare feiten en verdachte zal ter zake worden veroordeeld.

Ten aanzien van de materiele schade komt de rechtbank tot het oordeel dat de benadeelde partij een schadevergoeding kan worden toegekend van € 500,- , te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 februari 2007.

Ten aanzien van het gevorderde met betrekking tot de immateriële schade is de rechtbank van oordeel dat, ingevolge wetgeving en vaste jurisprudentie, een door de benadeelde partij gevorderde schade in de vorm van shockschade eerst dan voor vergoeding in aanmerking komt, indien de shock dermate ernstig is dat deze bij de benadeelde een aantasting van de gezondheid in de vorm van een psychiatrisch erkend ziektebeeld heeft veroorzaakt, hetgeen in rechte dient te worden vastgesteld.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is de rechtbank niet gebleken dat de benadeelde partij stukken heeft aangevoerd, waaruit blijkt dat zij leidende is aan een dergelijk ziektebeeld. De rechtbank acht derhalve de benadeelde partij niet ontvankelijk ten aanzien van dit onderdeel van de vordering, wegens onvoldoende onderbouwing hiervan.

De rechtbank bepaalt voorts dat de benadeelde partij het deel van de vordering waarin zij niet ontvankelijk is verklaard, bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de toe te wijzen materiële schade.

De rechtbank zal over de vordering benadeelde partij, overeenkomstig het hiervoor overwogene, beslissen zoals hierna is vermeld, alsmede over de kosten die door de benadeelde partij zijn gemaakt, thans begroot op nihil.

De rechtbank zal tevens aan verdachte de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van € 500,- (plus wettelijke rente) te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 10 dagen, ten behoeve van de benadeelde partij [bestolene 1] wonende [adres].

Daarnaast heeft [beslolene 2] wonende [adres] een vordering benadeelde partij ingediend met betrekking tot de geleden schade als gevolg van het ten laste gelegde bij de dagvaarding met parketnummer 04/610040-07, te vermeerderen met de wettelijke rente.

[beslolene 2] voornoemd heeft de vordering gesteld op een bedrag van € 2500,- , zijnde immateriële schade, door de rechtbank beoordeelt als zogenoemde shockschade als gevolg van het ten laste gelegde.

Namens verdachte is aangegeven dat deze vordering erkend wordt.

Ten laste van verdachte is het hiervoor ten laste gelegde feit bewezen. Het is een strafbaar feit en verdachte zal ter zake worden veroordeeld.

Ten aanzien van de vordering is de rechtbank van oordeel dat, ingevolge wetgeving en vaste jurisprudentie, een door de benadeelde partij gevorderde immateriële schade in de vorm van shockschade eerst dan voor vergoeding in aanmerking komt, indien de shock dermate ernstig is dat deze bij de benadeelde een aantasting van de gezondheid in de vorm van een psychiatrisch erkend ziektebeeld heeft veroorzaakt, hetgeen in rechte dient te worden vastgesteld.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is de rechtbank niet gebleken dat de benadeelde partij stukken heeft aangevoerd, waaruit blijkt dat hij leidende is aan een dergelijk ziektebeeld. De rechtbank acht derhalve de benadeelde partij niet ontvankelijk ten aanzien van dit onderdeel van de vordering, wegens onvoldoende onderbouwing hiervan.

De rechtbank bepaalt voorts dat de benadeelde partij het deel van de vordering waarin hij niet ontvankelijk is verklaard, bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

De rechtbank zal over deze vordering benadeelde partij, overeenkomstig het hiervoor overwogene, beslissen zoals hierna is vermeld.

13. Toepasselijke wetsartikelen

Na te melden beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht artikel: 10, 24c, 27, 36b, 36c, 36d, 36f, 37a, 37b, 57, 91, 310, 289

Wet wapens en munitie artikel: 26 en 55

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte hetgeen ten laste is gelegd bij de dagvaarding met parketnummer 04/610040-07, alsmede het onder 1 en 2 ten laste gelegde bij de dagvaarding met parketnummer 850468-07, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

verstaat dat het aldus bewezenverklaarde de hiervoor vermelde strafbare feiten opleveren en verklaart verdachte ter zake strafbaar;

veroordeelt verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren;

beveelt dat de tijd door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de aan verdachte opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld;

beveelt dat de ter beschikking gestelde van overheidswege zal worden verpleegd;

onttrekt aan het verkeer de hierboven onder 11.1 weergegeven goederen;

gelast de bewaring van de hierboven onder 11.2 weergegeven goederen ten behoeve van de rechthebbende.

wijst toe de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1], tot een bedrag van € 530,39, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 maart 2007 en veroordeelt verdachte om tegen bewijs van betaling aan benadeelde partij [benadeelde partij 1], wonende [adres] te betalen een bedrag van € 530,39 (plus wettelijke rente);

legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat te betalen een som geld ten bedrage van € 530,39 (plus wettelijke rente), subsidiair 10 dagen hechtenis ten behoeve van het slachtoffer genaamd [benadeelde partij 1] wonende [adres], met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de opgelegde verplichting tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

bepaalt dat indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 530,39 (plus wettelijke rente) ten behoeve van voornoemd slachtoffer, daarmede de verplichting van verdachte om dit bedrag aan voornoemde slachtoffer te betalen komt te vervallen en dat indien dit bedrag door verdachte aan voornoemd slachtoffer is betaald, daarmee de verplichting tot betaling van dit bedrag aan de Staat ten behoeve van voornoemd slachtoffer komt te

vervallen;

veroordeelt verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedrag alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil;

wijst toe de vordering van de benadeelde partij [bestolene 1], tot een bedrag van € 500,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 februari 2007 en veroordeelt verdachte om tegen bewijs van betaling aan benadeelde partij [bestolene 1] wonende [adres] te betalen een bedrag van € 500,- (plus wettelijke rente);

legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat te betalen een som geld ten bedrage van € 500,- (plus wettelijke rente), subsidiair 10 dagen hechtenis, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [bestolene 1] wonende [adres], met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de opgelegde verplichting tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

bepaalt dat indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 500,- (plus wettelijke rente) ten behoeve van voornoemd slachtoffer daarmede de verplichting van verdachte om dit bedrag aan het slachtoffer te betalen komt te vervallen en dat indien dit bedrag door verdachte aan voornoemd slachtoffer is betaald, daarmee de verplichting tot betaling van dit bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer komt te vervallen;

veroordeelt verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedrag alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil.

verklaart de benadeelde partij [bestolene 1] voor het overige deel van haar vordering niet ontvankelijk, aangezien de vordering op dat onderdeel naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende is onderbouwd en bepaalt dat de benadeelde partij het deel van de vordering waarin zij niet ontvankelijk is verklaart slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

verklaart de benadeelde partij [beslolene 2] niet ontvankelijk ten aanzien van zijn vordering, aangezien de vordering naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende is onderbouwd en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Vonnis gewezen door mrs L.P. Bosma, N.J.M. Ruyters en W.A.H.J. Poppeliers, rechters, van wie mr. N.J.M. Ruyters voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. P.C.W. Gubbels-Willems als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 29 augustus 2007.