Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2007:BB2455

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
02-05-2007
Datum publicatie
29-08-2007
Zaaknummer
76901 / HA ZA 06 - 875
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bevoegdheid van de Nederlandse rechter in een zaak met in Nederland en in het buitenland (EU) gevestigde gedaagden. Artikel 5 en 6 EEX-Vo, Kalfelis-arrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROERMOND

Sector civielrecht

zaaknummer / rolnummer: 76901 / HA ZA 06-875

Vonnis in incident van 2 mei 2007

in de zaak van

[W.C.M. van H.],

wonende te [woonplaats],

eiser in de hoofdzaak,

verweerder in het incident,

procureur mr. H.J.A. Ewalds,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

KINDI CONSULTANTS B.V.,

gevestigd te Roermond,

gedaagde,

eiseres in het incident,

procureur mr. S.J.P.H. Custers-Kuijpers,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[V.] BELASTING- EN BEDRIJFSADVISEURS B.V.,

gevestigd te Roermond,

gedaagde,

eiseres in het incident,

procureur mr. S.J.P.H. Custers-Kuijpers,

3. H.C. [V.],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

eiser in het incident,

procureur mr. S.J.P.H. Custers-Kuijpers,

4. L.J.G.M. [D.],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

eiser in het incident,

procureur mr. S.J.P.H. Custers-Kuijpers,

5. [J.B. van L.],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

niet verschenen,

6. [J. R.],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

niet verschenen,

7. de rechtspersoon naar het recht van het Groothertogdom Luxemburg

OPTA S.A.,

gevestigd te L-8308 Capellen (Luxemburg),

gedaagde,

niet verschenen.

Partijen worden hierna aangeduid als [van H.], Kindi, [V.] B.V., [V.], [D.], [van L.], [R.] en Opta.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de incidentele conclusie tot onbevoegdverklaring

- de incidentele conclusie van antwoord

- de conclusie van repliek in het incident

- de conclusie van dupliek in het incident.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

De beoordeling in het incident

Kindi, [V.] B.V.,[V.] en [D.] vorderen dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart. [van H.] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

Kindi, [V.] B.V. en [V.] stellen dat alles wat zich tussen [van H.] en [D.], [van L.], [R.] en Opta afspeelt geheel buiten de Nederlandse rechtssfeer ligt. [V.] stelt dat in de dagvaarding ten onrechte wordt vermeld dat hij in Vlodrop woont. Sedert juli 2005 is [V.] in [woonplaats] woonachtig. Kindi en [V.] B.V. stellen dat er aangaande met al dat wat in de dagvaarding staat nooit contacten zijn geweest met [van H.].

[van H.] stelt dat hij in de door hem bezochte vestigingen van Kindi en [V.] B.V. enkel in Roermond heeft gehandeld met Kindi en [V.] B.V., waarbij deze hem hebben geadviseerd in internationale zaken te beleggen. De Nederlandse rechter is volgens [van H.] gezien de vestigingsplaats van de eerstverantwoordelijke gedaagde vennootschappen in Nederland de eerst aangewezene om de hoofdzaak te berechten.

De bevoegdheid ten opzichte van de niet in Nederland woonachtige personen /gevestigde rechtspersonen wordt beheerst door EEX-Vo, met name in dit geval artikel 5 en 6. De vraag is dan of voldoende gesteld is dat er een overeenkomst bestaat met de verschillende gedaagden. De rechtbank is van oordeel dat de stellingen van [van H.] op dat punt onvoldoende concludent zijn, nu hij onduidelijkheid laat bestaan wie hij aanspreekt op grond van wanprestatie en wie op grond van onrechtmatige daad. Er kan dus niet zonder meer achterhaald worden dat er een overeenkomst aan ten grondslag ligt. Dat is van belang nu uit de stellingen - bezien in het licht van de betwistingen - ook niet volgt waar nu precies de onrechtmatige daad of wanprestatie heeft plaatsgevonden en overigens dit ook al leidt tot problemen in verband met het arrest van Het Hof van Justitie van de EG van 27 september 1988 (zaak 189/87, NJ 1990, 425, Kalfelis tegen Bank Schröder c.s.), waarin het Hof heeft beslist, dat een gerecht dat op grond van art. 5 sub 3 EEX-Verdrag bevoegd is om kennis te nemen van een onderdeel van de vordering die op onrechtmatige daad is gebaseerd, niet bevoegd is om kennis te nemen van de andere onderdelen van de vordering die een andere grondslag hebben dan onrechtmatige daad. Ook deze regel geldt onder de EEX-Vo. Worden derhalve verschillende vorderingen ingesteld tegen dezelfde verweerder, dan zullen de vorderingen die op art. 5 sub 1 kunnen worden gebaseerd en voortvloeien uit dezelfde overeenkomst wél kunnen worden geconcentreerd bij de op basis van art. 5 sub 1 EEX-Vo bevoegde rechter, doch deze rechter is niet bevoegd om over de vorderingen gebaseerd op een verbintenis uit onrechtmatige daad te beslissen.

Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat artikel 5 hier niet tot bevoegdheid leidt.

Vervolgens dient aan artikel 6 te worden getoetst.

Allereerst doet zich dit artikel alleen dan voor indien er tussen de verschillende rechtsvorderingen die door een zelfde verzoeker tegen verschillende verweerders zijn ingesteld, een zodanig verband bestaat dat het van belang is deze rechtsvorderingen tezamen te berechten. Het Hof van Justitie is van mening, dat vermeden moet worden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare uitspraken worden gedaan. In het arrest Kalfelis leunt het Hof van Justitie sterk tegen deze bepaling aan door te overwegen dat art. 6 sub 1 van toepassing is, 'wanneer tussen de tegen de verschillende verweerders ingestelde vorderingen een verband bestaat op het tijdstip waarop zij worden aangebracht, dat wil zeggen wanneer een goede rechtsbedeling vraagt om haar gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting onverenigbare uitspraken worden gegeven' (r.o. 12). Volgens het Hof dient de nationale rechter in elk concreet geval te onderzoeken of aan die voorwaarde is voldaan.

De rechtbank is van oordeel dat nu het feitencomplex niet voor iedere persoon gelijk hoeft te zijn er –zoals nu gesteld- onvoldoende onderbouwd of gebleken is dat er sprake is van gevreesde tegenstrijdige beslissingen. Dat leidt ertoe dat [V.], Van [D.], [van L.], [R.] en Opta niet voor de Nederlandse rechter berecht moeten worden.

De zaak tegen Kindi en [V.] B.V. is wel voor de bevoegde rechter aangebracht (zie artikel 2 EEX-Vo). De betwisting van de overeenkomst of het onrechtmatig handelen is hier een inhoudelijk weer en kan niet leiden tot onbevoegdheid. Tegen deze twee gedaagden zal de procedure derhalve verder worden vervolgd en worden verwezen naar de rol van 13 juni 2007 voor antwoord.

Ten aanzien van de gedaagden [V.], Van [D.], [van L.], [R.] en Opta zal de rechtbank zich onbevoegd verklaren.

[van H.] zal als ten aanzien van [V.] en [D.] als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld.

De beslissing

De rechtbank

in het incident

verklaart zich voor wat betreft de gedaagden [V.], [D.], [van L.] [R.] en Opta onbevoegd van de vordering in de hoofdzaak kennis te nemen,

veroordeelt [van H.] in de kosten van het incident, aan de zijde van [V.] en [D.] tot op heden begroot op EUR 452,00,

in de hoofdzaak

verwijst voor wat betreft de gedaagden Kindi en [V.] B.V. de zaak naar de rol van 13 juni 2007 voor antwoord.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M.J.F. Piëtte en in het openbaar uitgesproken op 2 mei 2007.?