Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2007:BB2339

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
01-08-2007
Datum publicatie
27-08-2007
Zaaknummer
75851 / HA ZA 06 - 700
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De buitenboordmotor van de boot van eiser is gestolen. Ten tijde van de procedure was de dief niet bekend, maar wel de helers. Eiser spreekt de helers aan ter vergoeding van de door hem geleden schade. Gedaagden menen niet tot vergoeding gehouden te zijn en stellen daartoe dat er geen causaal verband is tussen de heling en de door eiser geleden schade.

Naar het oordeel van de rechtbank bestaat de schade van eiser erin, dat de buitenboordmotor uit zijn vermogen is gehaald en gebleven. De schade is dus ontstaan door de diefstal, maar in stand gehouden door de heling. De schade is daarom zowel toe te rekenen aan de diefstal als aan de heling. Op grond van art. 6:102 Burgerlijk Wetboek zijn de dief en gedaagden als helers hoofdelijk aansprakelijk voor de schade van eiser.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROERMOND

Sector civielrecht

zaaknummer / rolnummer: 75851 / HA ZA 06-700

Vonnis van 1 augustus 2007

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

procureur mr. D.C. Bitter,

tegen

1. [gedaagde sub 1],

2. [gedaagde sub 2],

beiden wonende te [woonplaats],

gedaagden,

procureur mr. E.H.J. Plass.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagden] worden genoemd.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding;

- de conclusie van antwoord;

- de conclusie van repliek, tevens akte wijziging eis;

- de akte uitlating zijdens [eiser] (rectificatie conclusie van repliek);

- de akte uitlating eiswijziging zijdens [gedaagden];

- de conclusie van dupliek.

Ten slotte is vonnis bepaald.

De feiten

[eiser] heeft op 7 augustus 2003 een boot met buitenboordmotor gekocht. Het betreft een buitenboordmotor van het merk Mercury, type 50 pk, serienummer 275935.

Uit de door [gedaagden] niet betwiste brief van Jachthaven ’t Leuken Tonnaer Watersportbedrijf B.V. d.d. 26 februari 2007 blijkt dat het een nieuwe buitenboord-motor betrof met een nieuwwaarde van € 8.125,--.

Tussen 14 mei 2004 18.00 uur en 15 mei 2004 08.30 uur is de buitenboordmotor, evenals twee volledig met benzine gevulde tanks à 25 liter en een accu gestolen. Deze goederen behoren toe aan [eiser]. Tot op heden is aan [eiser] niet bekend wie deze diefstal heeft gepleegd. De dagwaarde van de buitenboordmotor bedroeg op dat moment € 6.800,--, zo blijkt uit voornoemde brief van 26 februari 2007.

[eiser] was niet tegen diefstal verzekerd.

Het geschil

[eiser] vordert, na wijziging van zijn eis, primair hoofdelijke veroordeling van [gedaagden] tot betaling van € 7.463,--, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 juni 2006, althans vanaf de dag van de dagvaarding.

Subsidiair vordert [eiser] -samengevat- [gedaagden] hoofdelijk te veroordelen tot het bekendmaken van de naam/namen en/of adressen van de bij de diefstal betrokken perso(o)n(en), op straffe van een dwangsom van € 250,-- per dag of dagdeel dat [gedaagden] hiermee na afloop van veertien dagen na betekening van het vonnis in gebreke blijft.

In beide gevallen vordert [eiser] daarnaast hoofdelijke veroordeling van [gedaagden] tot betaling van buitengerechtelijke kosten ad € 768,-- en de proceskosten.

[eiser] legt aan zijn primaire vordering ten grondslag dat [gedaagden] onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld, nu zij zich in strijd met art. 417 bis Wetboek van Strafrecht heeft gedragen. [eiser] heeft schade geleden, bestaande uit

€ 6.800,-- ter zake de buitenboordmotor, € 420,-- ter zake twee benzinetanks, € 65,-- ter zake tweemaal 25 liter benzine en € 178,-- ter zake een accu. Deze schade kan het gevolg zijn van meerdere gebeurtenissen, te weten de diefstal en de schuldheling, voor elke waarvan een andere persoon aansprakelijk is. De door [eiser] geleden schade is het gevolg van ten minste één van deze gebeurtenissen. [eiser] meent dat [gedaagden] op grond van art. 6:99 Burgerlijk Wetboek gehouden is de volledige schade te voldoen.

Aan zijn subsidiaire vordering heeft [eiser] ten grondslag gelegd dat het opzettelijk niet prijsgeven van de na(a)m(en) en/of adressen van de bij de diefstal betrokken perso(o)n(en) een onrechtmatige daad is. Het niet spreken waar dit wel geïndiceerd is, is in strijd met hetgeen in het maatschappelijk verkeer betaamt. [eiser] lijdt daardoor schade, omdat hij zo zijn schade niet op de dief kan verhalen.

[gedaagden] voert gemotiveerd verweer.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

De beoordeling

[gedaagden] heeft de primaire grondslag van de vordering betwist door te stellen dat hij jegens [eiser] enkel onrechtmatig zou hebben gehandeld, indien bewezen zou worden dat het helen door [gedaagden] een voorwaarde was voor het plegen van de diefstal. Nu niet is gesteld of bewezen dat de diefstal is gepleegd vanwege het beschikbaar zijn van [gedaagden], is er geen causaal verband tussen de heling en de diefstal. [gedaagden] betwist derhalve schadeplichtig te zijn.

De rechtbank overweegt, dat allereerst een scheiding dient te worden aangebracht tussen de gestolen goederen. Ten aanzien van de buitenboordmotor staat vast dat deze door heling in het bezit van [gedaagden] is geraakt. Dat volgt immers uit de in kracht van gewijsde gegane, op tegenspraak gewezen strafvonnissen, waarbij [gedaagden] is veroordeeld wegens schuldheling. [gedaagden] heeft weliswaar gesteld dat niet vaststaat dat de overgelegde vonnissen betrekking hebben op dit geschil, maar die stelling zal de rechtbank passeren.

Uit de dagvaardingen in combinatie met de aantekeningen mondeling vonnis blijkt dat [gedaagden] is veroordeeld wegens schuldheling van een buitenboordmotor van het merk Mercury en dat [eiser] zich in het strafproces als benadeelde partij heeft gevoegd. Zonder nadere verklaring van [gedaagden], valt niet in te zien waarom deze aantekeningen mondeling vonnis betrekking zouden hebben op een andere kwestie dan waar het in deze zaak om gaat. Nu [gedaagden] zo’n verklaring, bijvoorbeeld inhoudende dat er meer procedures tussen partijen spelen of hebben gespeeld, niet heeft gegeven, gaat de rechtbank ervan uit dat de overgelegde vonnissen betrekking hebben op deze kwestie.

Aan deze vonnissen komt dwingende bewijskracht toe. Nu [gedaagden] geen tegenbewijs heeft aangeboden en de rechtbank ambtshalve geen reden ziet dat bewijs op te dragen, zal als vaststaand worden aangenomen dat [gedaagden] zich schuldig heeft gemaakt aan heling van de buitenboordmotor van [eiser].

Dat ligt anders voor wat betreft de gestolen benzinetanks met inhoud en de accu. Ten aanzien daarvan is niet gebleken dat deze in het bezit gekomen zijn van [gedaagden]. [eiser] heeft in zijn repliek wel gesteld dat de heling de buitenboordmotor en de overige van [eiser] gestolen goederen betreft en heeft deze stelling gebaseerd op het proces-verbaal van politie, maar dat proces-verbaal bevat daarvoor geen aanknopingspunten. De stellingen van [eiser] zijn derhalve op dit punt inconsequent. Nu er verder geen feitelijke onderbouwing aan zijn stelling ten grondslag ligt, terwijl [gedaagden] strafrechtelijk enkel is veroordeeld voor heling van de buitenboordmotor, heeft [eiser] zijn stelling onvoldoende onderbouwd. De rechtbank zal deze daarom passeren. Dit brengt mee, dat van onrechtmatig handelen van [gedaagden] voor wat betreft de gevulde benzinetanks en de accu geen sprake kan zijn.

Dit onderdeel van de primaire vordering zal daarom worden afgewezen.

Ten aanzien van de buitenboordmotor oordeelt de rechtbank als volgt.

[gedaagden] heeft zich schuldig gemaakt aan heling. Heling is strafbaar gesteld teneinde tegen te gaan dat de door (bijvoorbeeld) diefstal gecreëerde onrechtmatige vermogensrechtelijke toestand voortduurt. De bepaling beschermt derhalve mede het belang van de eigenaar bij het ongestoorde bezit van zijn goed. [gedaagden] heeft inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van [eiser] en op zijn recht om vrij over zijn goed te beschikken. [gedaagden] heeft een aandeel gehad in de voortduring van de onrechtmatige vermogensrechtelijke toestand. Anders dan [gedaagden] meent, is er derhalve wel degelijk sprake van een onrechtmatige daad.

Deze kan aan hem worden toegerekend krachtens schuld, gelet op de strafrechtelijke veroordeling.

Dat [eiser] schade heeft geleden, is door [gedaagden] niet betwist. De schade van [eiser] bestaat erin, dat de buitenboordmotor uit zijn vermogen is gehaald en gebleven.

Voor wat betreft het bestaan van een causaal verband geldt het volgende.

Art. 6:162 Burgerlijk Wetboek bepaalt dat voor vergoeding in aanmerking komt de schade die het gevolg is van de onrechtmatige daad. De wet vereist dus niet dat er een causaal verband bestaat tussen de diefstal en de heling, maar dat er een causaal verband bestaat tussen de schade van [eiser] en de heling door [gedaagden]. Het verweer van [gedaagden] berust derhalve op een onjuiste rechtsopvatting. Hij stelt een eis, die de wet niet kent.

Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van een causaal verband tussen de schade van [eiser] en de heling door [gedaagden]. Aan dat oordeel ligt het volgende ten grondslag.

De schade van [eiser] is ontstaan op het moment van de diefstal. Op dat moment is de buitenboordmotor die tevoren nog tot het vermogen van [eiser] behoorde, uit zijn vermogen gegaan. Zolang de buitenboordmotor uit het vermogen is van [eiser], lijdt [eiser] schade. Dit brengt mee dat de diefstal de schade heeft veroorzaakt, maar ook dat de heling door [gedaagden] de schade in stand heeft gehouden. Op het moment dat [gedaagden] de buitenboordmotor had teruggebracht naar [eiser], zou de schade namelijk zijn opgehouden te bestaan, behoudens eventuele waardeverminderingen. Het feit dat [gedaagden] onrechtmatig beschikte over de buitenboordmotor van [eiser], zodat [eiser] daar niet meer over kon beschikken, en waardoor hij schade lijdt, brengt een causaal verband mee tussen de heling en de schade.

De schade is dus zowel aan de diefstal als aan de heling te wijten en zowel de dief als [gedaagden] kunnen voor vergoeding daarvan worden aangesproken. Krachtens artikel 6:102 Burgerlijk Wetboek zijn zij hiervoor hoofdelijk aansprakelijk.

De omvang van de gevorderde schadevergoeding, die bij repliek is verminderd en met de brief van 26 februari 2007 van Jachthaven ’t Leuken Tonnaer Watersportbedrijf B.V. nader is onderbouwd, is door [gedaagden] bij dupliek niet meer betwist. Dit brengt mee dat ter zake de primaire vordering een bedrag van € 6.800,-- toewijsbaar is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 juni 2006.

Nu de primaire grondslag slaagt, behoeft de subsidiaire grondslag geen bespreking meer.

Bij de beoordeling van de vraag of de gevorderde buitengerechtelijke (incasso-) kosten voor vergoeding in aanmerking komen, hanteert de rechtbank het uitgangspunt, dat verrichtingen voorafgaand aan het geding worden gezien als voorbereiding van de gedingstukken en instructie van de zaak. Bij afzonderlijk voor vergoeding in aanmerking komende kosten moet het gaan om verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. Daarvan is in deze zaak niet gebleken. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten zal daarom worden afgewezen.

[gedaagden] wordt grotendeels in het ongelijk gesteld en daarom in de proceskosten veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaardingskosten € 84,87

- vast recht 296,00

- salaris procureur 768,00 (2 punten × tarief € 384,00 )

Totaal € 1.148,87

De beslissing

De rechtbank

veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk tot betaling aan [eiser] van € 6.800,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 juni 2006 tot aan de dag van de algehele voldoening;

veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 1.148,87;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. dr. R. Kluin en in het openbaar uitgesproken op 1 augustus 2007.?