Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2007:BB2181

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
10-07-2007
Datum publicatie
22-08-2007
Zaaknummer
06/1819 BESLU K1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In bijgevoegde uitspraak is het belanghebbende-begrip aan de orde. Het gaat om het belang van een stichting (leefbaarheid Boschpoort) bij een monumentenvergunning. De stichting heeft in haar statuten als doelomschrijving:

het behouden en het stimuleren van de voorwaarden, welke de leefbaarheid van de buurt Boschpoort/Bosscherveld te Maastricht bepalen casu quo bevorderen, met name het instandhouden en uitbreiden van de voorzieningen die het woon- en leefgenot kunnen bevorderen en;

de begeleiding van groepen en verenigingen in de buurt Boschpoort/Bosscherveld voornoemd bij het verwerven van die voorwaarden waardoor zij de mogelijkheden hebben respectievelijk krijgen om haar activiteiten op het vereiste niveau te kunnen ontwikkelen.

(...)

Naar het oordeel van de rechtbank is eiseres er niet in geslaagd een onlosmakelijk en voldoende rechtstreeks verband tussen het verlenen van de onderhavige monumentenvergunning en de leefbaarheid in de wijk Boschpoort aannemelijk te maken. Naar het oordeel van de rechtbank is namelijk niet aannemelijk gemaakt dat het belang van de leefbaarheid van de wijk direct wordt of dreigt te worden aangetast door verlening van de onderhavige monumentenvergunning. Het belang staat daarvoor in een te ver verwijderd en te hypothetisch verband met het bestreden besluit. Intreden van de geschetste negatieve gevolgen voor de leefbaarheid is immers onder meer afhankelijk van de veronderstelling dat de Woningstichting haar onderhoudstaak in de toekomst zal veronachtzamen. Zijdens verweerder is bestreden dat dat het geval zal zijn en ook de rechtbank gaat daar niet zonder meer van uit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

UITSPRAAK

Procedurenr. : 06 / 1819 BESLU K1

Inzake : Stichting Leefbaarheid Boschpoort, gevestigd te Maastricht, eiseres

tegen : het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Maastricht, verweerder.

--------------------------

Datum en aanduiding van het bestreden besluit:

de brief d.d. 18 april 2006,

kenmerk: SOG 05-0029 H.

Datum van behandeling ter zitting: 30 mei 2007

I. PROCESVERLOOP

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 18 april 2006 heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen zijn besluit van 24 november 2005 op grond van de Monumentenwet, niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen dat besluit heeft eiseres bij de rechtbank Maastricht beroep ingesteld.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan de gemachtigde van eiseres gezonden.

Bij uitspraak van 11 augustus 2006 heeft de rechtbank Maastricht met toepassing van artikel 8:54 van de Awb het beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak is door eiseres verzet gedaan.

Bij brief van 19 oktober 2006 heeft de rechtbank Maastricht met toepassing van artikel 8:13, eerste lid, tweede volzin, van de Awb aan deze rechtbank verzocht de behandeling over te nemen.

Op 21 maart 2007 is het verzet, na verdaging wegens verhindering van de gemachtigde van eiseres, behandeld ter openbare terechtzitting van de rechtbank Roermond.

Bij uitspraak van 21 maart 2007, verzonden op 27 maart 2007, heeft de rechtbank het verzet gegrond verklaard.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 30 mei 2007, waar namens eiseres A.H.J. van de Broek is verschenen, bijgestaan door mw. mr. M.M.G. Crompvoets, advocaat te Maastricht, en waar verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door mw. mr. M.E.J.M. Vorstermans-Rompelberg.

II. OVERWEGINGEN

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres van 3 januari 2006, bij verweerder ontvangen op 6 januari 2006, tegen de bij besluit van 24 november 2005 aan de Woningstichting Servatius verleende Monumentenwetvergunning, niet-ontvankelijk verklaard omdat eiseres niet als belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb kan worden aangemerkt. Daartoe heeft verweerder overwogen dat de statutaire doelomschrijving van eiseres niet ziet op enig belang bij de instandhouding van monumenten.

In het verweerschrift is dat standpunt in die zin nader onderbouwd dat eiseres niet heeft aangetoond dat zij krachtens haar doelen en feitelijke werkzaamheden de belangen als bedoeld in de Monumentenwet behartigt. Verder stelt verweerder dat de verlening van de monumentenvergunning geen directe gevolgen heeft voor de leefbaarheid van de buurt. Er mag immers pas worden gebouwd na verlening van de bouwvergunning, waarbij eiseres wel belanghebbende is.

In beroep (en in verzet) is tegen dit besluit - kort samengevat - aangevoerd dat eiseres blijkens haar statuten en feitelijke werkzaamheden wel belangen behartigt die rechtstreeks bij verweerders besluit van 24 november 2005 zijn betrokken. Eiseres stelt daartoe dat door de instandhouding van het monument de leefbaarheid van de buurt in stand wordt gelaten. Vergunningverlening komt er feitelijk namelijk op neer dat er een tweedeling in de buurt ontstaat - arm versus rijk - waardoor de leefbaarheid van de buurt negatief wordt beïnvloed. Voor het renovatiegebied dreigt verpaupering, hetgeen slecht is voor de sociale samenhang in de wijk. Eisers stelt dat dit eveneens een relevant belang is bij de verlening van een monumentenvergunning en dat de statutaire belangen, waarvoor zij opkomt, derhalve worden geraakt. Daarbij is volgens eiseres nu het moment om daartegen in rechte op te komen.

De rechtbank dient op basis van de aangevoerde beroepsgronden te beoordelen of het bestreden besluit de rechterlijke toets kan doorstaan. Meer in het bijzonder is dat de vraag: heeft verweerder het bezwaar van eiseres terecht niet-ontvankelijk verklaard omdat zij niet kan worden aangemerkt als belanghebbende bij het bestreden besluit?

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. In het derde lid van genoemd artikel is bepaald dat ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede worden beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

Ingevolge het bepaalde in artikel 2.1 van haar op 11 januari 1983 vastgestelde statuten heeft de Stichting Leefbaarheid Boschpoort ten doel:

a. het behouden en het stimuleren van de voorwaarden, welke de leefbaarheid van de buurt Boschpoort/Bosscherveld te Maastricht bepalen casu quo bevorderen, met name het instandhouden en uitbreiden van de voorzieningen die het woon- en leefgenot kunnen bevorderen en;

b. de begeleiding van groepen en verenigingen in de buurt Boschpoort/Bosscherveld voornoemd bij het verwerven van die voorwaarden waardoor zij de mogelijkheden hebben respectievelijk krijgen om haar activiteiten op het vereiste niveau te kunnen ontwikkelen.

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling), bijvoorbeeld haar uitspraak van 28-02-2000, 199900850/1, LJN: AA5092, moet het bij belangen van een rechtspersoon als bedoeld in artikel 1:2, derde lid, van de Awb gaan om een aan de statutaire doelstelling ontleend collectief belang, dat door een besluit direct wordt of dreigt te worden aangetast. Daarbij heeft de Afdeling tot haar uitspraak van 23 augustus 2006 (LJN: AY6762, 200507730/1, JB 2006, 291, Gst. 2007, 79) steeds geoordeeld dat het daarbij moet gaan om een belang dat los gezien moet kunnen worden van dat van individuele leden. Het moet gaan om boven-individuele belangen.

In het onderhavige geval is sprake van een rechtspersoonlijkheid bezittende stichting en geen vereniging met (individuele) leden. Uit de uitspraak van de Afdeling van 20-08-2003 blijkt dat voornoemd criterium ook bij een stichting kan worden toegepast.

Eiseres stelt zich blijkens haar statuten (onder meer) ten doel “het behouden en stimuleren van de voorwaarden, welke de leefbaarheid van de buurt Boschpoort/Bosscherveld te Maastricht bepalen casu quo bevorderen, met name het instandhouden en uitbreiden van voorzieningen die het woon- en leefgenot kunnen bevorderen. Het belang van het behouden van de leefbaarheid van genoemde buurt, waarvoor eiseres in deze procedure opkomt, is een belang dat zij gelet op haar statutaire doelstelling in het bijzonder behartigt. Bij de behandeling ter zitting is door verweerders gemachtigde bevestigd dat tot de feitelijke werkzaamheden van eiseres behoort dat zij betrokken wordt bij het overleg bij de voorbereiding van besluiten als het onderhavige. Naar het oordeel van de rechtbank kan dan ook niet gezegd worden dat dit belang niet als een collectief belang kan worden aangemerkt.

Voor zover er twijfel zou kunnen rijzen of er sprake is van een boven-individueel belang, wijst de rechtbank erop dat uit de hierboven vermelde uitspraak van de Afdeling van 23 augustus 2006 volgt dat de Afdeling (thans) van oordeel is dat een belangenorganisatie die voor het belang van haar leden opkomt, daarmee opkomt voor een collectief belang, tenzij het tegendeel blijkt.

Vervolgens dient nog de vraag te worden beantwoord of eiseres door de verlening van de onderhavige monumentenvergunning rechtstreeks wordt getroffen in het belang dat zij in het bijzonder behartigt, te weten het belang van de leefbaarheid van de buurt Boschpoort/Bosscherveld. Deze vraag beantwoordt de rechtbank op grond van de navolgende overwegingen ontkennend.

In het onderhavige geval heeft verweerder een monumentenvergunning verleend met het oog op het in die zin wijzigen van het monument aan de Boschpoort dat daarin een gedeelte van de bestaande woningen zullen worden samengevoegd om grotere wooneenheden te realiseren. De bouwvergunning die daarvoor benodigd is, was ten tijde van de behandeling van dit beroep ter zitting nog niet verleend. Gelet op haar ervaringen met de Woningstichting vreest eiseres dat de niet samengevoegde wooneenheden, die worden gerenoveerd, door gebrek aan onderhoud op den duur (weer) zullen verpauperen, waardoor binnen het complex een tweedeling in duurdere, goed onderhouden, en goedkopere, slecht onderhouden wooneenheden zal ontstaan. Dit leidt tot een tweedeling in de wijk, die de leefbaarheid in de wijk niet ten goede zal komen.

Naar het oordeel van de rechtbank is eiseres er niet in geslaagd een onlosmakelijk en voldoende rechtstreeks verband tussen het verlenen van de onderhavige monumentenvergunning en de leefbaarheid in de wijk Boschpoort aannemelijk te maken. Naar het oordeel van de rechtbank is namelijk niet aannemelijk gemaakt dat het belang van de leefbaarheid van de wijk direct wordt of dreigt te worden aangetast door verlening van de onderhavige monumentenvergunning. Het belang staat daarvoor in een te ver verwijderd en te hypothetisch verband met het bestreden besluit. Intreden van de geschetste negatieve gevolgen voor de leefbaarheid is immers onder meer afhankelijk van de veronderstelling dat de Woningstichting haar onderhoudstaak in de toekomst zal veronachtzamen. Zijdens verweerder is bestreden dat dat het geval zal zijn en ook de rechtbank gaat daar niet zonder meer van uit.

Gelet op voorgaande overwegingen moet het beroep van eiseres voor ongegrond worden gehouden. Mitsdien wordt als volgt beslist.

III. BESLISSING

De rechtbank Roermond;

gelet op het bepaalde in artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht;

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. P.J. Voncken, in tegenwoordigheid van mr. F.A. Timmers als griffier en in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2007.

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

verzonden op: 17 juli 2007.

JS

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Ingevolge artikel 6:5 van de Awb bevat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak en moet een afschrift van de uitspraak bij het beroepschrift worden overgelegd.